ECLI:NL:RBZWB:2025:6627 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-08-2025 / 11568783 CV EXPL 25-1019 (E)
Eiseres heeft per abuis factuur aan verkeerd bedrijf betaald. Een ander bedrijf heeft de gefactureerde werkzaamheden uitgevoerd aan machine. Eiseres vordert factuurbedrag terug op basis van onverschuldigde betaling. Gedaagde heeft niet aangetoond welk bedrag is verschuldigd wegens door haar uitgevoerde werkzaamheden aan dezelfde machine.
7 min de lecture · 1 438 mots
Inhoudsindicatie. Eiseres heeft per abuis factuur aan verkeerd bedrijf betaald. Een ander bedrijf heeft de gefactureerde werkzaamheden uitgevoerd aan machine. Eiseres vordert factuurbedrag terug op basis van onverschuldigde betaling. Gedaagde heeft niet aangetoond welk bedrag is verschuldigd wegens door haar uitgevoerde werkzaamheden aan dezelfde machine.
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11568783 \ CV EXPL 25-1019
Vonnis van 27 augustus 2025
in de zaak van
BLUE LABEL B.V.,
te Sneek,
eisende partij,
hierna te noemen: Blue Label,
gemachtigde: Florijn Incasso B.V. (Concessum),
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of Blue Label een onverschuldigde betaling aan [gedaagde] heeft gedaan. Dit is volgens [gedaagde] niet het geval. Volgens [gedaagde] heeft zij werkzaamheden verricht aan een mestschuif en is Blue Label daarom een bedrag verschuldigd.
De kantonrechter zal de vordering van Blue Label toewijzen en zal hieronder uitleggen waarom dat zo is.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 26 maart 2025
– de mondelinge behandeling van 13 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
– de akte van Blue Label
– de akte van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
Blue Label produceert en verkoopt vloeren voor stallen, alsmede mestschuiven die op die vloer kunnen. Blue Label heeft licentie op de vloeren en mestschuiven.
Blue Label heeft begin 2024 in opdracht van [bedrijf 1] vier mestschuiven geleverd aan [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft zelf vloeren in de stallen geplaatst.
[bedrijf 2] heeft de mestschuiven geplaatst, aangesloten en in bedrijf gesteld.
[gedaagde] heeft de elektra aangesloten.
[gedaagde] heeft op 25 juni 2024 een proforma factuur van € 2.728,06 gestuurd aan Blue Label. Dit bedrag is door Blue Label betaald op 2 juli 2024.
4Het geschil
Blue Label vordert – samengevat – € 2.728,06 aan hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten. Blue Label legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. De mestschuiven op de vloer bij [bedrijf 1] waren krom en daarom heeft Blue Label aan [gedaagde] gevraagd om de eindstops van de mestschuiven recht te maken. [gedaagde] heeft de eindstops niet gemaakt. Blue Label heeft vervolgens contact met [bedrijf 2] opgenomen over de eindstops, waarna [bedrijf 3] is ingeschakeld en [bedrijf 3] die eindstops heeft gemaakt. Nadat Blue Label een factuur van [gedaagde] had ontvangen, heeft zij deze factuur direct betaald. Niet veel later ontving Blue Label een factuur van [bedrijf 3] van ongeveer dezelfde grootte. Blue Label realiseerde zich op dat moment dat ze die factuur vanwege de werkzaamheden aan de eindstops van de mestschuivers aan [bedrijf 3] verschuldigd was maar heeft per abuis de factuur van [gedaagde] – onverschuldigd – betaald.
[gedaagde] voert verweer en voert het volgende aan. De sleuven in de vloer zaten niet recht tegenover elkaar. Hierdoor werkten de mestschuiven niet. [gedaagde] heeft de schuiven niet recht gemaakt, maar heeft de eindstops geplaatst. Tijdens de mondelinge behandeling is het [gedaagde] duidelijk geworden dat de vloer niet door Bleu Label is geleverd, waarna [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat niet de volledige factuur door Blue Label betaald hoeft te worden. Omdat de mestschuivers wel van Blue Label kwamen, en hier eindstops door [gedaagde] op zijn gemaakt, is Blue Label wel enig bedrag verschuldigd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vloer niet door Blue Label is geleverd. De zaak is aangehouden om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen, met daarin een onderbouwing waarin staat welk deel van haar factuur van € 2.728,06 voor rekening van Blue Label moet komen, omdat er iets aan de mestschuiven mankeert en zij daar werkzaamheden aan heeft verricht.
[gedaagde] heeft op de daartoe bepaalde datum van 11 juni 2025 gereageerd. Zij stelt dat zij aan [bedrijf 2] , aan haar monteurs en aan de eindklant, [bedrijf 1] , om inlichtingen heeft gevraagd over de werkzaamheden die aan de mestschuivers zijn gedaan. [gedaagde] heeft van haar monteurs een inhoudelijke reactie gekregen en is nog in afwachting van een reactie van [bedrijf 2] . Volgens [gedaagde] wil [bedrijf 1] geen officiële verklaring afleggen, omdat Blue Label nog onafgewerkte zaken moet uitvoeren bij haar.
Vervolgens is Blue Label in de gelegenheid gesteld om op die akte te reageren. Hier heeft Blue Label gebruik van gemaakt en daarin – kort samengevat – gesteld dat [gedaagde] niet aan haar bewijsopdracht heeft voldaan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Door [gedaagde] is niet aan de bewijsopdracht voldaan. Hoewel [gedaagde] stelt dat zij van haar monteurs een inhoudelijke reactie heeft ontvangen over welke werkzaamheden aan de mestschuiven zijn verricht, heeft [gedaagde] die reactie niet overgelegd. Ook is door [gedaagde] niet toegelicht waarom [bedrijf 2] nog niet met een inhoudelijke reactie is gekomen en waarom die toelichting van belang is.
Dat [bedrijf 1] (nog) niet wil verklaren, zoals door [gedaagde] is gesteld, komt naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van [gedaagde] . Door [gedaagde] is geen enkele verklaring of enige onderbouwing overgelegd waaruit volgt welk deel van de factuur door Blue Label verschuldigd zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter had dit eenvoudig door [gedaagde] kunnen worden gedaan omdat zij immers zelf de gestelde werkzaamheden had verricht en daar ook vrij eenvoudig een onderbouwing en kostenbegroting van had kunnen geven. Nu de bewijslast van de werkzaamheden die [gedaagde] aan de mestschuiven heeft verricht bij haar ligt, is zij zonder nadere toelichting of concreet bewijs niet geslaagd in haar bewijsopdracht.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan welke werkzaamheden [gedaagde] aan de mestschuiven heeft verricht en welk bedrag Blue Label dan verschuldigd zou zijn. Dit betekent dat Blue Label het bedrag van € 2.728,06 onverschuldigd heeft betaald, zodat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan Blue Label.
De (primair) gevorderde handelsrente over het bedrag van € 2.728,06 zal worden afgewezen. Artikel 6:119a BW heeft namelijk alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo'n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling (zie de uitspraak ECLI:NL:HR:2020:1710). In plaats daarvan zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, zoals subsidiair gevorderd, over dit bedrag worden toegewezen vanaf 11 februari 2025, zijnde de datum van dagvaarding, omdat niet is gesteld vanaf wanneer [gedaagde] in verzuim is.
Blue Label vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Blue Label heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. Aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De gevorderde vergoeding van € 397,81 is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal dat bedrag worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Blue Label worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
122,95
– griffierecht
€
514,00
– salaris gemachtigde
€
595,00
(2,5 punten × € 238,00)
– nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.350,95
6De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Blue Label te betalen een bedrag van € 2.728,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag, vanaf 11 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Blue Label te betalen een bedrag van € 397,81 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.350,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...