ECLI:NL:RBZWB:2025:7200 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-10-2025 / 02-059490-23

Medeplegen poging zware mishandeling, werkstraf, forse overschrijding redelijke termijn, geslaagd mediationtraject, positieve proceshouding verdachte, afwijzing schadepost benadeelde partij ten aanzien van reiskosten naar politiebureau en slachtofferhulp.

Source officielle

16 min de lecture 3 349 mots

Inhoudsindicatie. Medeplegen poging zware mishandeling, werkstraf, forse overschrijding redelijke termijn, geslaagd mediationtraject, positieve proceshouding verdachte, afwijzing schadepost benadeelde partij ten aanzien van reiskosten naar politiebureau en slachtofferhulp.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-059490-23

vonnis van de meervoudige kamer van 24 oktober 2025

in de strafzaak tegen

[verdachte]
,

geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 september 2025, waarbij de officier van justitie, mr. R.M.A. in ’t Veld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 10 oktober 2025.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk, weergegeven op neer dat verdachte:
Feit 1: heeft geprobeerd om samen met anderen [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen, dan wel in vereniging en openlijk geweld tegen hem heeft gepleegd.
Feit 2: heeft geprobeerd om samen met anderen [slachtoffer 2] te doden, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel in vereniging en openlijk geweld tegen hem heeft gepleegd.

3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van beide feiten op de tenlastelegging schuldig is aan het medeplegen van een poging zware mishandeling. De officier van justitie acht de bij feit 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen voor het onder feit 1 primair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Volgens de verdediging dient vrijspraak te volgen van het onder feit 2 primair ten laste gelegde medeplegen van een poging doodslag.

Het oordeel van de rechtbank

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1:

Ten aanzien van het onder dit feit ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

– de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 26 september 2025;

– het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [slachtoffer 1] d.d. 24 februari 2023, pagina 191 – 195 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2023050396;

– het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 24 februari 2023, pagina 136-156 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2023050396.

Feit 2:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank op basis van het dossier en de behandeling ter zitting van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van het onder dit feit subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging zware mishandeling van [slachtoffer 2] heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

– de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 26 september 2025;

– het proces-verbaal van aangifte van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 24 februari 2023, pagina 230-234 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2023050396.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 21 februari 2023 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek,

tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering

van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan

[slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, tegen het gezicht en hoofd en het

lichaam heeft gestompt en getrapt en geschopt, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

op 21 februari 2023 te Diessen, gemeente Hilvarenbeek, tezamen en

in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door

verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen,

terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, tegen het gezicht

en hoofd en het lichaam heeft gestompt en getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd, waarbij bij feit 1 het woord ‘en’ aan de tenlastelegging is toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte door deze taalkundige verbetering van de tenlastelegging niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uren met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de strafeis van de officier van justitie te matigen en een werkstraf op te leggen van 160 uren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich tijdens en na afloop van een avond carnaval samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan twee pogingen tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte is hierbij opgekomen voor een vriend die ruzie kreeg in de feestzaal en buiten zou zijn mishandeld door één of meerdere personen. Uit wraak is verdachte samen met anderen op jacht gegaan naar jongens die volgens hem betrokken waren bij de mishandeling. Verdachte heeft in een explosie van geweld twee jongens op verschillende momenten te grazen genomen. Deze jongens bleken overigens achteraf helemaal niets met de mishandeling van de vriend van verdachte te maken te hebben. Zij waren de verkeerde jongens op de verkeerde plaats en hebben dit moeten bekopen met aanzienlijk letsel. Er zijn die avond rake klappen en schoppen uitgedeeld tegen het lichaam en hoofd. Daarbij droeg één van de medeverdachten die avond schoenen met stalen neuzen waardoor het een geluk is dat de slachtoffers dit nare incident überhaupt nog na kunnen vertellen. Beide slachtoffers hebben tijdens de mishandeling ontzettend veel angst gehad en dachten dat zij de vele klappen en schoppen niet zouden overleven.

Bovendien heeft het geweld zich in het openbaar afgespeeld. Verschillende omstanders zijn geconfronteerd met het gewelddadig optreden van verdachte. Daarbij heeft een medeverdachte (een deel van) het geweld ook gefilmd en is één van de filmpjes ook via regionale en landelijke media verspreid. Ook dit heeft veel impact gehad op de slachtoffers. Zij ondervinden tot op de dag van vandaag nog steeds de gevolgen van deze mishandeling, zo blijkt ook uit de verklaring van een van de slachtoffers op de zitting en het mediationtraject met een ander slachtoffer. Delicten als deze veroorzaken bovendien veel maatschappelijke onrust en leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.

Uit het door de rechtbank geraadpleegde strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Verder houdt de rechtbank in positieve zin rekening met de proceshouding van verdachte. Verdachte is oprecht, meewerkend en heeft van meet af aan verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft ter zitting spijt betuigd aan [slachtoffer 1] en verdachte komt hierin authentiek over. Verdachte heeft ook een mediationtraject doorlopen met [slachtoffer 2] , waarin hij zijn spijt heeft betuigd. Daar houdt de rechtbank eveneens rekening mee.

De rechtbank houdt verder rekening met het advies van de reclassering van 5 september 2025. De reclassering ziet geen indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal dit advies volgen en het sanctierecht voor volwassenen als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de straf.

Verdachte heeft blijkens het advies gedurende het toezicht van de reclassering een behandeling bij Fivoor en een gedragsinterventie alcohol en geweld afgerond en een gedragsverandering laten zien. Hij heeft goed meegewerkt en zich aan al zijn afspraken gehouden. Bij een veroordeling van verdachte ziet de reclassering geen noodzaak voor het opleggen van bijzondere voorwaarden. Verder acht de reclassering een taakstraf uitvoerbaar. Voor een eventuele gevangenisstraf ziet de reclassering contra-indicaties aangezien hij zijn leven op orde heeft en zijn full time dienstverband in gevaar komt bij een detentie.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Bij feiten als deze kan in beginsel niet anders worden volstaan dan met een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter aanleiding om bij het opleggen van de straf rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken met bijna 8 maanden. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen met de uiteindelijk op te leggen straf, nu niet is gebleken van omstandigheden die een dermate langere duur van de procedure rechtvaardigen. Verdachte heeft 4 dagen vastgezeten op het politiebureau en heeft zich vervolgens iets meer dan tweeëneenhalf jaar moeten houden aan voorwaarden die zijn opgelegd bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Gebleken is dat verdachte zich al die tijd heeft gehouden aan de voorwaarden en de afspraken. Gelet hierop en op het forse tijdsverloop, zal de rechtbank geen vrijheidsbenemende straf opleggen., ook niet in voorwaardelijke zin, nu de reclassering het gevaar op herhaling als laag inschat. De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank nog wel een forse werkstraf. De rechtbank zal verdachte opleggen een werkstraf van 160 uren, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft verbleven.

7De benadeelde partij

Feit1:

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.927,28, waarvan € 827,28 aan materiële schade en € 1.100,- aan immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft ten aanzien van de materiële schade een aantal posten opgevoerd, te weten schade aan de fiets, jas, reiskosten en verlies aan verdienvermogen.

Met betrekking tot de schade aan de fiets stelt de rechtbank vast dat er geen causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit (de poging tot zware mishandeling) en de schade aan de fiets. Dit betekent dat deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt en zal worden afgewezen.

De kosten voor de jas (die een aantal maanden oud was ten tijde van het feit) zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen.

Met betrekking tot de reiskosten overweegt de rechtbank als volgt. Gevorderde reiskosten voor het bezoek aan de politie, slachtofferhulp en/of advocaat betreffen geen schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338). Zij komen in beginsel ook niet in aanmerking als kosten gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid op grond van art. 6:96 lid 2 onder b BW (vgl. bijv. HR 10 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0690, NJ 2003/537, m.nt. [naam] ([naam])). Gelet op het bepaalde in art. 238 Rv komen zij ook niet voor vergoeding in aanmerking als proceskosten. Deze vordering zal worden afgewezen.

Hoewel de post voor het verlies aan verdienvermogen niet met stukken van de werkgever is onderbouwd, is het gevorderde bedrag naar het oordeel van de rechtbank alleszins aannemelijk en redelijk. Het betreft werkzaamheden de dagen direct na de mishandeling waardoor het gelet op de aard van het letsel aannemelijk is dat de benadeelde partij die dagen niet heeft kunnen werken. De rechtbank schat het verlies van verdienvermogen dan ook op het gevorderde bedrag. De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen en voor vergoeding in aanmerking komt.

Immateriële schade

Vast staat dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij daarnaast nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. In dit geval liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelde, gelet op de aard en de ernst van de normschending, zo voor de hand dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn toegekend, acht de rechtbank het gehele gevorderde bedrag van € 1.100,- toewijsbaar.

De schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag van € 1.457,99 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag.

Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal de vordering, voor zover deze wordt toegewezen, en de schadevergoedingsmaatregel dan ook hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

Feit 2:

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.831,49, waarvan

€ 1.731,49 aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade minus het bedrag van € 350,- dat reeds is vergoed door medeverdachte [medeverdachte] bij wijze van voorschot.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft ten aanzien van de materiële schade een aantal posten opgevoerd, te weten schade aan de fiets, Airpods, medische kosten, reiskosten en verlies aan verdienvermogen.

Met betrekking tot de schade aan de fiets stelt de rechtbank vast dat er geen causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit (het medeplegen van de poging tot zware mishandeling) en de schade aan de fiets. Dit betekent dat deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt en zal worden afgewezen.

De opgevoerde schadeposten betreffende de reiskosten, medische kosten, de Airpods en het verlies aan verdienvermogen zijn voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat deze schade (ter hoogte van € 1.120,84) een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen.

Immateriële schade

Vast staat dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij daarnaast nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. In dit geval liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelde, gelet op de aard en de ernst van de normschending, zo voor de hand dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn toegekend, acht de rechtbank het gehele gevorderde bedrag van € 100,- toewijsbaar.

Conclusie

De rechtbank houdt rekening met de reeds vergoede schade en zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.220,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal de vordering dan ook hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

– verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

– spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

– verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen poging tot zware mishandeling

feit 2: medeplegen poging tot zware mishandeling

– verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

– veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 160 uren;

– beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen;

– beveelt dat de tijd die diir de veriirdeekde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht naar rato van twee uren per dag;

Benadeelde partijen

Feit 1:

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.457,99 (€ 357,99 aan materiële schade en € 1.100,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023 tot aan de dag der voldoening;

– bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

– wijst het gedeelte van de vordering ten aanzien van de materiële schade (fiets € 445,40 en reiskosten € 23,98) af;

– veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

– legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 1.457,99 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023 tot aan de dag der voldoening;

– bepaalt dat bij niet betaling 24 dagen gijzeling kan worden toegepast;

– bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

– bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Feit 2:

– veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.220,84

(€ 1.120,84 aan materiële schade en € 100,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023 tot aan de dag der voldoening;

– bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

– wijst de vordering voor het overige gedeelte af;

– veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

– legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 1.220,84 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023 tot aan de dag der voldoening;

– bepaalt dat bij niet betaling 22 dagen gijzeling kan worden toegepast;

– bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

– bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Voorlopige hechtenis

– heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. R. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 oktober 2025.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.