ECLI:NL:RBZWB:2025:7574 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-08-2025 / C/02/425573 FA RK 24-3724

kinder- en partneralimentatie: IPR, verdiencapaciteit, samengesteld gezin, artikel 1:160 BW

Source officielle

22 min de lecture 4 637 mots

Inhoudsindicatie. kinder- en partneralimentatie: IPR, verdiencapaciteit, samengesteld gezin, artikel 1:160 BW

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/425573 FA RK 24-3724

datum uitspraak: 8 augustus 2025

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de man]
,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. W. Kok,

en

[de vrouw]
,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.C.J. Mouwen.

1. Het procesverloop

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

– het op 13 juni 2024 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

– de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2024, waarin de zaak is doorverwezen naar deze rechtbank;

– het op 22 oktober 2024 ontvangen verweerschrift, met bijlagen;

– de brief van mr. Mouwen van 22 oktober 2024 met een zelfstandig verzoek;

– het op 10 december 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;

– de F9-formulieren van mr. Kok van 21 oktober 2024, met bijlagen, 30 oktober 2024, met bijlage, 27 december 2024, met bijlage, 23 januari 2025, met bijlage, 6 maart 2025, met bijlagen en 11 juni 2025, met bijlage;

– de brief van mr. Mouwen van 4 juni 2025, met bijlagen;

– de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2020 betreffende echtscheiding, met aangehecht het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan.

1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2De feiten

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

– partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 20 februari 2011 tot 27 mei 2020;

– uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:

1. [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten) op [geboortedag 1] 2014 (hierna: [minderjarige 1] ). Partijen zijn (ingevolge het recht van de Verenigde Arabische Emiraten) allebei de juridische ouders van [minderjarige 1] ;

– de vrouw is ook moeder van het volgende, nu nog minderjarige kind:

2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2023 (hierna: [minderjarige 2] ). [minderjarige 2] is erkend door de heer [naam 1] , de partner van moeder;

– de man is op 29 januari 2024 gehuwd met mevrouw [naam 2] ;

– samen met mevrouw [naam 2] heeft de man ook nog de volgende, nu nog minderjarige kinderen:

3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2022 (hierna: [minderjarige 3] );

4. [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedag 4] 2024 (hierna: [minderjarige 4] );

De man heeft [minderjarige 3] erkend en [minderjarige 4] is geboren tijdens het huwelijk van de man en mevrouw [naam 2] .

Ingevolge voormeld ouderschapsplan dient de man in 2024 -inclusief de wettelijke indexeringen- € 172,88 per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de [minderjarige 1] . In 2025 bedraagt deze bijdrage € 184,12 per maand.

Verder dient de man ingevolge voormeld echtscheidingsconvenant nu -inclusief de wettelijke indexeringen- € 268,83 per maand aan de vrouw te betalen ten behoeve van haar levensonderhoud.

3De verzoeken

De man verzoekt, samengevat:

– de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] te wijzigen en wel zodanig dat deze over de periode van 13 juni 2024 tot 1 februari 2025 € 74,= per maand bedraagt en met ingang van 1 februari 2025 € 68,= per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

– te bepalen dat de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen partnerbijdrage met ingang van 1 juli 2021 is geëindigd, dan wel te bepalen dat deze bijdrage per 1 juli 2021 op nihil wordt gesteld.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de overeengekomen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van de datum van het verzoekschrift van de man wordt gewijzigd in een bedrag van € 190,= per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank rechtens juist acht.

4De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht kinder- en partnerbijdrage

Deze zaak heeft internationale aspecten. Dat vormt reden om onderzoek te verrichten naar de internationale rechtsmacht en het toepasselijke recht. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van de verzoeken met betrekking tot de kinder- en partnerbijdrage kennis te nemen, omdat de onderhoudsgerechtigden (de vrouw en [minderjarige 1] ) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

Op de verzoeken betreffende de kinder- en partnerbijdrage is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigden (de vrouw en [minderjarige 1] ) hun gewone verblijfplaats hebben van toepassing. Aangezien de vrouw en [minderjarige 1] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is het Nederlandse recht van toepassing op de verzoeken betreffende de kinder- en partnerbijdrage.

Kinderbijdrage

De man voert als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage aan dat sinds de ondertekening van voormeld ouderschapsplan de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In dit verband stelt hij dat de vrouw in 2021 opnieuw is getrouwd en uit dit huwelijk een kind heeft gekregen, waardoor zij nu voor twee kinderen onderhoudsplichtig is. Ook de man is opnieuw getrouwd en heeft uit dit huwelijk twee kinderen gekregen, waardoor de man nu onderhoudsplichtig is voor drie kinderen. Verder is zijn inkomen gedaald omdat zijn dienstverband is geëindigd. Hij is bovendien onlangs arbeidsongeschikt geraakt en in de toekomst zal zijn inkomen daardoor nog verder dalen.

De vrouw betwist dat zij opnieuw getrouwd is, maar zij erkent dat de man inmiddels onderhoudsplichtig is voor drie kinderen en de vrouw voor twee kinderen, wat een wijzigingsgrond vormt. Ook de wijziging in het inkomen van de man is een wijzigingsgrond, waarbij de vrouw opmerkt dat het inkomen van de man voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband hoger is dan het inkomen dat hij verdiende ten tijde van de totstandkoming van het ouderschapsplan. Volgens de vrouw volgt uit de door haar gemaakte herberekening aan de hand van de actuele financiële gegevens dat de man een hogere kinderbijdrage voor [minderjarige 1] verschuldigd is. Daarom doet zij een zelfstandig verzoek hiertoe.

Tussen partijen is niet in geschil gebleken dat sinds de totstandkoming van het ouderschapsplan wijzigingen in de omstandigheden zijn opgetreden die nopen tot een onderzoek naar de vraag of de overeengekomen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] als gevolg van die wijzigingen heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Ingangsdatum

Tussen partijen is niet in geschil dat de wijziging van de kinderbijdrage dient in te gaan op 13 juni 2024.

Eind december 2024 is [minderjarige 4] geboren. Op dat moment is de man onderhoudsplichtig geworden voor drie kinderen. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om het wijzigingsverzoek te beoordelen voor twee verschillende periodes, namelijk voor de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 en de periode vanaf 1 januari 2025.

Behoefte van [minderjarige 1]

Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [minderjarige 1] in 2020 € 227,= per maand bedroeg. Inclusief indexering bedraagt deze behoefte in 2024 € 262,= per maand en in 2025 € 279,= per maand.

Behoefte van [minderjarige 2]

Nu de vrouw ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] , is tevens van belang dat zijn behoefte wordt vastgesteld om te bepalen hoe de draagkracht van de vrouw dient te worden verdeeld over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de behoefte van [minderjarige 2] (op grond van de inkomensgegevens van 2025) € 289,= per maand bedraagt, zal de rechtbank van dat bedrag uitgaan.

Behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4]

Nu de man ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , is voorts van belang dat hun behoefte wordt vastgesteld, zodat kan worden bepaald hoe de draagkracht van de man dient te worden verdeeld over [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .

Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en zijn huidige partner.

Partijen zijn het erover eens dat de partner van de man geen inkomen had en heeft. Zij verschillen van mening over de omvang van het inkomen van de man, en daarnaast neemt de vrouw het standpunt in data de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op hetzelfde bedrag gesteld dient te worden, terwijl wat de man betreft [minderjarige 3] een hogere behoefte heeft dan [minderjarige 4] .

De rechtbank zal gelet op de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting voor de becijfering van de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] uitgaan van het NBGI in het jaar 2024 en de tabel voor 2 kinderen toepassen.

Zoals uit het voorgaande volgt, wordt het NBGI gevormd uit het inkomen van de man, te vermeerderen met het kindgebonden budget (KGB). Uit de door de man overgelegde jaaropgave van 2024 (bijlage 21) volgt dat de man in 2024 een inkomen had van € 37.960,= bruto. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting. Het kindgebonden budget bedroeg in 2024 € 394,= per maand. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de door de man te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] die in 2024 afgerond € 173,= bedroeg, nu dat bedrag niet beschikbaar was voor het huidige gezin van de man en zijn partner. Aan de hand van het voorgaande heeft de rechtbank het (voor het gezin van de man beschikbare deel van het) NBGI becijferd op € 2.879,= per maand.

Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op van € 621,= per maand voor twee kinderen, oftewel afgerond € 310,= per maand voor [minderjarige 3] in 2024. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening Geïndexeerd bedraagt die behoefte in 2025 € 661,= per maand voor twee kinderen, oftewel afgerond € 330,= per maand per kind.

Draagkracht van de vrouw

Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij op dit moment geen inkomen ontvangt. Zij heeft enkele maanden een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen, maar deze uitkering is per 31 maart 2024 beëindigd. Zij heeft verder geen recht op een uitkering op grond van de Participatiewet, omdat haar partner daar teveel voor verdient. De vrouw gaat uit van een minimale draagkracht van € 50,= per maand. De vrouw betwist dat zij een verdiencapaciteit heeft. Zij wilde in eerste instantie wel blijven werken als apothekersassistente na de bevalling van [minderjarige 2] , echter kon zij niet regelen met haar werkgever dat zij een beperkt aantal uren zou werken, zodat zij naast haar werk ook de zorg voor [minderjarige 2] , die zij nog zelf voedt, en [minderjarige 1] op zich kon nemen. In die gegeven omstandigheden heeft zij ervoor gekomen om nu niet meer te werken en fulltime voor de kinderen te gaan zorgen. Er is bovendien nog een kind op komst. Van de vrouw kan gelet op het voorgaande niet worden verwacht dat zij weer aan het werk gaat.

Indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat voor de bepaling van haar draagkracht gerekend moet worden met een fictief inkomen dat zij geacht wordt te verdienen, vindt de vrouw dat voor de bepaling van de draagkracht van de man ook met een hoger, fictief inkomen gerekend moet worden. De vrouw stelt in dit verband dat de man met het oog op de echtscheidingsprocedure waarin hij nu verwikkeld is, bewust ervoor zorgt dat zijn inkomen lager is.

De man erkent dat de vrouw geen inkomen heeft, maar hij vindt dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij, weliswaar parttime, weer als apothekersassistente kan werken en daarmee een inkomen kan verwerven. Het door de man in zijn berekening ingevoerde inkomen is daarop gebaseerd. De vrouw moet in staat worden geacht om een inkomen te verdienen op jaarbasis ter hoogte van € 25.920,=. Hieruit volgt een NBI van € 2.856,= per maand en een draagkracht ter hoogte van € 510,= per maand.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw tijdens de in het geding zijnde periodes geen inkomen ontvangt. Namens de man is echter aangevoerd dat van haar in redelijkheid verwacht had kunnen worden en verwacht kan worden dat zij een inkomen verwerft en dat haar draagkracht moet worden gerelateerd aan haar verdiencapaciteit. De rechtbank gaat aan dat standpunt voorbij, gelet op de zorgtaken die de vrouw heeft voor haar nog jonge kinderen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zorg voor [minderjarige 1] volledig op de vrouw neer komt, omdat de man daarin geen aandeel heeft. De rechtbank zal daarom uitgaan van een, door de vrouw onweersproken gestelde, draagkracht van € 50,= per maand zowel in 2024 als in 2025.

Draagkracht van de man

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de door hem overgelegde jaaropgave van 2024 (bijlage 21). Hieruit volgt een bruto jaarinkomen van € 37.960,=. Namens de vrouw is een draagkrachtberekening overgelegd (productie 13) op basis van de tarieven van periode 2024-2 waarin is uitgegaan van genoemd jaarinkomen, alsmede een kindgebonden budget voor één kind ter hoogte van € 2.294,= op jaarbasis. Deze berekening is door de man onweersproken gelaten en de rechtbank zal deze volgen. Uit deze berekening volgt voor de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 een NBI van de man ter hoogte van € 3.095,= per maand en een draagkracht van € 628,= per maand.

Wat betreft de periode vanaf januari 2025 is tussen partijen niet in geschil dat de man vanaf 1 februari 2025 een lager inkomen heeft omdat zijn dienstverband is geëindigd en hij werkloos is geworden. Omdat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw aan het standpunt van de man over haar verdiencapaciteit voorbij is gegaan, gaat de rechtbank niet in op het – voorwaardelijk ingenomen – standpunt van de vrouw dat de man in redelijkheid een hoger inkomen kan verwerven dan hij nu feitelijk ontvangt (zie hiervoor rechtsoverweging 4.19). De draagkracht van de man wordt dus op basis van zijn feitelijke inkomen bepaald. Om proceseconomische redenen ziet de rechtbank aanleiding om voor de periode vanaf januari 2025 de draagkracht van de man te bepalen op basis van het lagere inkomen dat de man – weliswaar pas – vanaf februari 2025 heeft. Uitgegaan zal worden van zijn huidige inkomen, bestaande uit een uitkering die hij ontvangt op grond van de Werkloosheidswet. Hoewel de man heeft aangevoerd dat hij in verband met spanningen in zijn privésituatie ziek is geworden en dat dit vanaf 14 mei 2025 invloed heeft op zijn inkomen, blijkt uit de door de man overgelegde correspondentie van het UWV (productie 23) echter dat hij de eerste dertien weken na zijn ziekmelding nog gerechtigd is tot een uitkering op grond van de werkloosheidswet. Dat is op dit moment nog steeds de situatie en de rechtbank kan en zal niet op de zaken vooruitlopen, ook omdat onduidelijk is gebleven in hoeverre sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid. Namens de vrouw is een draagkrachtberekening overgelegd waarin is uitgegaan van de werkloosheidswetuitkering van de man. Die berekening heeft de man onweersproken gelaten, zodat de rechtbank deze zal volgen. Uit deze berekening volgt voor de periode vanaf januari 2025 een NBI van € 2.477,= per maand en een draagkracht van € 297,= per maand.

Omdat, zoals hierna zal blijken, in de periode vanaf 1 januari 2025 de voor [minderjarige 1] beschikbare draagkracht van partijen samen niet voldoende is om volledig in haar kosten te kunnen voorzien, dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een duurzame, aanmerkelijk lagere woonlast dan het forfaitaire woonbudget aan de zijde van de man. De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat hiervan sprake is.

Verdeling van de draagkracht

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (HR 13 december 1991, NJ 1992, 178, HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:314 en HR 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1480).

Periode 13 juni 2024 tot 1 januari 2025

De draagkracht van de man bedraagt in de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 € 628,= per maand. In die periode heeft hij voldoende draagkracht om in de behoefte van beide kinderen waar hij onderhoudsplichtig voor is ( [minderjarige 1] en [minderjarige 3] ), ter hoogte van € 527,= per maand, te voorzien. De beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] berekent de rechtbank volgens de formule: de behoefte van het [minderjarige 1] gedeeld door de totale behoefte van beide kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, oftewel:

de beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] : € 262 / € 572 x € 628= € 288,=

De draagkracht van de vrouw is ontoereikend om in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien en de rechtbank zal de draagkracht van de vrouw daarom gelijk verdelen over de kinderen, omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een andere verdeling aanleiding geven. Voor [minderjarige 1] heeft de vrouw dus een beschikbare draagkracht van € 25,=.

Partijen hebben voor [minderjarige 1] samen € 313,= aan draagkracht beschikbaar, dat is meer dan haar behoefte. Het berekenen van ieders aandeel in de kosten van [minderjarige 1] gebeurt volgens de formule: ieders beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] gedeeld door de totale beschikbare draagkracht van partijen voor [minderjarige 1] , vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige 1] , oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 288 / € 313 x € 262 = € 241,=

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 25 / € 313 x € 262 = € 21,=

Periode vanaf 1 januari 2025

De draagkracht van de man bedraagt in de periode vanaf 1 januari 2025 € 297,= per maand en de draagkracht van de vrouw € 50,= per maand. De draagkracht van de vrouw wordt ook in deze periode in gelijke mate over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verdeeld, zodat zij voor [minderjarige 1] € 25,= euro aan draagkracht beschikbaar heeft. De man heeft onvoldoende draagkracht om te voorzien in de kosten van alle drie de kinderen waarvoor hij draagplichtig is. De rechtbank past de in rechtsoverweging 4.25. omschreven rechtsregel toe. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de draagkracht van de man gelijkelijk moet worden verdeeld over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Zo is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een duidelijk verschil in behoefte tussen de kinderen. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt in 2025 € 279,= per maand, en de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bedraagt in 2025 € 330,= per kind per maand, zijnde een verschil van € 51,= per maand. Dit betekent dat de man (€ 297 / 3) € 99,= per maand aan draagkracht beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] .

Een draagkrachtvergelijking tussen partijen blijft voor deze periode achterwege, omdat de totale beschikbare draagkracht van partijen (€ 124,=) lager is dan de behoefte van [minderjarige 1] .

Zorgkorting

De man maakt aanspraak op een zorgkorting van 20%. Volgens de vrouw moet geen zorgkorting worden toegepast, omdat de man [minderjarige 1] gedurende de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 en ook in de periode daarna niet heeft gezien.

Uit voormelde aanbevelingen volgt dat de zorgkorting in beginsel ten minste een percentage van 5% bedraagt, ook als er geen contact plaatsvindt tussen een onderhoudsplichtige ouder en een kind, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang. De rechtbank is gebleken dat er al geruime tijd geen omgang heeft plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige 1] . Door de vrouw is geprobeerd is om, ook middels tussenkomst van haar advocaat, hier afspraken over te maken met de man, maar dit is niet gelukt. Ook op de mondelinge behandeling heeft de man allerlei redenen genoemd waarom dit niet is gelukt, waarbij het erop neerkomt dat de man zich wegens mentale problematiek thans niet in staat voelt om voor [minderjarige 1] te zorgen. De rechtbank stelt vast dat de man sinds de ingangsdatum geen zorg heeft gedragen voor [minderjarige 1] en dat hij dus geen zorgkosten voor zijn rekening heeft genomen. Bovendien is in de periode vanaf 1 januari 2025 het tekort aan draagkracht om in de kosten van [minderjarige 1] te kunnen voorzien zodanig groot, dat hierdoor geen ruimte is voor toepassing van een zorgkorting. De rechtbank zal daarom geen zorgkorting toepassen.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal daarom wat betreft de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] wijzigen in, zoals door de vrouw verzocht, € 190,= per maand. Tevens zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2025 wijzigen in € 99,= per maand. De verzoeken van partijen worden in zoverre toegewezen.

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of de verlaging van de alimentatie per 1 januari 2025 leidt tot een terugbetalingsverplichting door de vrouw. Uit de processtukken volgt dat de man een aanzienlijke achterstand heeft in de betaling van de verschuldigde onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en dat hij vanaf februari 2024 geheel gestopt is met betaling van de onderhoudsbijdrage. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verlaging van de kinderalimentatie per 1 januari 2025 geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw in het leven roept.

Aanhechten berekening

De rechtbank heeft een berekening gemaakt van het NBGI van de man en zijn partner en de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Een exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

Partnerbijdrage

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet meer gehouden is om een partnerbijdrage te betalen aan de vrouw. De vrouw is een affectieve relatie aangegaan met de heer [naam 1] , en uit die relatie is op [geboortedag 2] 2023 [minderjarige 2] geboren. In de Brp is geregistreerd dat de heer [naam 1] en de vrouw per 20 januari 2023 zijn gaan samenwonen, maar de man stelt dat de vrouw al sinds 2021 met de heer [naam 1] samenwoont. De vrouw heeft in juli 2021 in Egypte een islamitisch huwelijk met de heer [naam 1] gesloten. Dat is mogelijk geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht, maar de man acht het onwaarschijnlijk dat de vrouw, gelet op haar culturele en religieuze achtergrond, een kind krijgt van een man waarmee ze niet is gehuwd en niet mee samenwoont. De vrouw heeft bovendien geruime tijd geen aanspraak meer gemaakt op de overeengekomen partneralimentatie; daaruit volgt volgens de man dat de vrouw zelf ook in de veronderstelling verkeerde dat zij daartoe niet langer gerechtigd was wegens de samenleving met haar nieuwe partner.

De vrouw betwist dat zij in juli 2021 met haar huidige partner is gehuwd. De vrouw en haar partner hebben elkaar medio 2022 ontmoet en zij zijn sinds 20 januari 2023 samenwonend en er is geen sprake van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. De vrouw betwist ook dat een (niet rechtsgeldig) islamitisch huwelijk tussen haar en haar partner is gesloten. Pas vanaf 20 januari 2023 is sprake van een samenleving als ware zij gehuwd en vanaf dat moment is de verplichting van de man tot het verschaffen van levensonderhoud aan de vrouw geëindigd. Wat de vrouw betreft kan het verzoek per die datum worden toegewezen, maar zij verzet zich tegen een einde van de onderhoudsverplichting per een eerdere datum.

Op grond van artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van dit artikel de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw per 20 januari 2023 is geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de man niet toewijsbaar is voor zover het de periode voor 20 januari 2023 betreft. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Dat de vrouw met haar partner in juli 2021 een (mogelijk niet wettig of niet voor erkenning in Nederland vatbaar religieus) huwelijk heeft gesloten, is niet komen vast te staan gezien de betwisting van die stelling door de vrouw en de gebrekkige onderbouwing die de man van de stelling heeft geleverd. De man heeft geen relevante feiten aangevoerd die kunnen dienen ter onderbouwing van het standpunt dat er voor 20 januari 2023 sprake was van een samenleving van de vrouw met haar partner als ware zijn gehuwd. De omstandigheid dat de vrouw al voor 20 januari 2023 zwanger was, vormt geen bewijs voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding van de vrouw met haar partner waarin sprake is van wederzijdse verzorging. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de vrouw gedurende zekere tijd geen aanspraak heeft gemaakt op betaling van de overeengekomen partneralimentatie geenszins de conclusie rechtvaardigt dat de vrouw zelf erkent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW waardoor de onderhoudsverplichting van de man jegens haar is geëindigd. Dit betekent dat voor recht zal worden verklaard dat vanaf 20 januari 2023 de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd. Het meer of anders verzochte zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

5De beslissing

De rechtbank:

wijzigt, uitvoerbaar bij voorraad, voormeld ouderschapsplan en bepaalt dat de daarin overeengekomen door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten) op [geboortedag 1] 2014:

– over de periode van 13 juni 2024 tot 1 januari 2025 nader wordt vastgesteld op € 190,= (honderdnegentig euro) per maand;

– met ingang van 1 januari 2025 nader wordt vastgesteld op € 99,= (negenennegentig euro) per maand;

verklaart voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 20 januari 2023 is geëindigd;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2025.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch .


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.