ECLI:NL:RBZWB:2025:7671 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-11-2025 / C/02/438251/KGZA25-399(e)
Kort geding. Vordering tot ontruiming strook grond. Geen sprake van verkrijgende verjaring.
13 min de lecture · 2 836 mots
Inhoudsindicatie. Kort geding. Vordering tot ontruiming strook grond. Geen sprake van verkrijgende verjaring.
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/438251 / KG ZA 25-399
Vonnis in kort geding van 4 november 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten: mr. T. Segers en mr. S.J. Wonneberg,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. T.G.A.A. van den Boomen en mr. A.C.M. Beijsterveldt.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding, met producties genummerd 1 tot en met 17,
– de conclusie van antwoord met producties genummerd 1 tot en met 5,
– de mondelinge behandeling van 21 oktober 2025,
– de pleitaantekeningen van [eiser] .
2De feiten
[eiser] is een besloten vennootschap die zich bezighoudt met de aan- en verkoop, huur en verhuur en het exploiteren en beheren van registergoederen en andere vermogensobjecten. De (indirect) eigenaar en bestuurder van [eiser] is de heer [naam 1] . [eiser] is eigenaar van het perceel aan [adres 1] te [plaats] .
[gedaagde] is een besloten vennootschap die zich bezighoudt met het beheren, beleggen en het voeren van management. [gedaagde] is de eigenaar en bestuurder van autobedrijf [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf]). Bestuurder van [gedaagde] , de heer [naam 2] , drijft sinds 2005 een autobedrijf in het bedrijfspand aan de [adres 2] te [plaats] .
Luchtfoto uit 2024. Het groene perceel: [adres 1] . Het gele perceel: strook grond Enexis. Het rode perceel: [adres 2] .
[gedaagde] kocht het rode perceel in 2011 van de heer [naam 3] . [naam 3] was van 15 mei 2002 tot 17 januari 2011 eigenaar, [B.V.] was vanaf 12 januari 1987 eigenaar. [gedaagde] heeft dit perceel tot 14 januari 2011 van de heer [naam 3] gehuurd.
[eiser] heeft de groene percelen in 2021 gekocht van de heren [naam 4] en [naam 5] (hierna: [de heren] ). Zij waren eigenaar van deze percelen van 1 december 2003 tot 31 december 2021. [eiser] heeft voorafgaand aan de koop van de groene percelen, vanaf februari 2018, de linkerzijde van de percelen van [de heren] gehuurd.
Tussen de percelen van [eiser] en het perceel van [gedaagde] ligt feitelijk nog een perceel. Dit perceel is van Enexis en heeft de kadastrale aanduiding [nummer 1] . Dit perceel wordt gebruikt om te komen en te gaan naar het transformatorhuisje aan de [adres 3] te [plaats] met kadastrale aanduiding [nummer 2] .
Op 2 december 2009 en 2 februari 2010 zijn door [de heren] aan [gedaagde] (onder de [handelsnaam] ) facturen gestuurd voor de huur van een strook grond [adres 1] voor de maanden december 2009 tot en met mei 2010. Het betreft het blauwe perceel op onderstaande luchtfoto (hierna: het blauwe perceel).
Na de koop van de groene percelen in december 2021 door [eiser] is [gedaagde] op het blauwe perceel auto’s blijven parkeren.
In 2023 heeft [eiser] het bestaande hekwerk op de groene percelen vervangen en is het hekwerk een meter verplaatst, zodat [gedaagde] extra ruimte kreeg.
Op 31 januari 2024 heeft de heer [naam 1] aan de heer [naam 2] kenbaar gemaakt dat [gedaagde] de auto’s op het blauwe perceel moet verwijderen, vanwege een herontwikkeling van de percelen van [eiser] .
Tussen partijen is correspondentie gevoerd waarin [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het blauwe perceel hetgeen door [eiser] wordt betwist.
3Het geschil
[eiser] vordert samengevat – ontruiming van de percelen met kadastrale aanduiding [nummer 3] en [nummer 4] aan [adres 1] te [plaats] , op straffe van een dwangsom met veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke-, proces- en nakosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] maakt inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] door onrechtmatig auto’s op een deel van de percelen van [eiser] te parkeren. [eiser] vordert ontruiming hiervan. [eiser] heeft perceel [nummer 4] reeds aan Enexis Netbeheer BV (hierna: Enexis) verkocht en is voornemens om perceel [nummer 3] in een herontwikkeling te betrekken. Beide percelen dienen om die reden vrij te zijn en ontruimd te worden.
[gedaagde] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat dit geschil niet geschikt is voor kort geding en dat een spoedeisend belang ontbreekt. Voorts voert [gedaagde] aan dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van het blauwe perceel, dan wel dat er sprake is van een erfdienstbaarheid door verjaring.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Partijen zijn in geschil over de eigendom van (een deel van) het perceel [nummer 3] (onder de feiten in 2.7. weergegeven als het blauwe perceel) dat kadastraal op naam van [eiser] staat en gebruikt wordt door [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van dit perceel, of dat er sprake is van een erfdienstbaarheid die is ontstaan door verjaring.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stelling van [eiser] , dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar eigendomsrecht, uit zijn aard voldoende is om een spoedeisend belang van [eiser] bij de door haar gevorderde voorzieningen aan te nemen.
Geschikt voor kort geding
Ook aan het verweer dat dit geschil zich, gelet op de aard van de vordering niet leent voor beslechting in kort geding, maar meer geschikt is voor een bodemprocedure wordt verworpen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ingestelde vorderingen in kort geding beoordeeld kunnen worden.
Revindicatie
In deze kortgedingprocedure wordt aan de voorzieningenrechter gevraagd om een spoedmaatregel (voorlopige voorziening) te nemen. De voorzieningenrechter moet daarvoor beoordelen of het voldoende aannemelijk is dat een op artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gebaseerde rechtsvordering tot revindicatie en in het verlengde daarvan een ontruimingsvordering in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de door [eiser] gevorderde maatregel worden toegewezen.
Bevrijdende verjaring
Vast staat dat in het kadaster is vermeld dat [eiser] eigenaar is van perceel [nummer 3] en perceel [nummer 4] . [gedaagde] voert aan dat zij, door bevrijdende verjaring, eigenaar is (geworden) van (een deel van) perceel [nummer 3] (het blauwe perceel). Bevrijdende verjaring is geregeld in artikel 3:105 BW. Op grond van deze bepaling verkrijgt hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (art. 3:306 BW). Deze verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment dat sprake is van bezit.
Of sprake is van bezit, wordt bepaald aan de hand van de regels neergelegd in art. 3:107 e.v. BW. Art. 3:107 BW definieert bezit als het houden van een goed voor zichzelf, waaronder wordt verstaan: het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over het goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Het houden ‘voor zichzelf’ duidt erop dat de bezitter geen ander als rechthebbende erkent. Of iemand een goed houdt voor een ander of voor zichzelf, moet worden beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die volgen uit art. 3:109 BW e.v. en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Dit is dus een objectieve maatstaf: het gaat erom of naar algemene maatstaven een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Hoewel dit niet (langer) expliciet uit de wettekst blijkt, ligt in het begrip bezit besloten dat dit openbaar en ondubbelzinnig is. Er is sprake van ‘niet-dubbelzinnig bezit’ als de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Alle relevante omstandigheden, zoals de aard en bestemming van het goed, moeten bij de beoordeling van het bezit worden meegewogen.
Bezit wordt verkregen door onder andere inbezitneming, overdracht of opvolging onder algemene titel (art. 3:112 BW). Inbezitneming vindt plaats door feitelijke machtsverschaffing (art. 3:113 lid 1 BW). Die feitelijke machtsuitoefening moet zodanig zijn dat zij naar verkeersopvatting als bezit wordt gekwalificeerd (art. 3:108 BW).
Voor het aannemen van bezit van een onroerend goed geldt nog een extra bepaling. Omdat onroerende goederen naar hun aard altijd een bezitter hebben (art. 5:24 BW), is een enkele op zichzelf staande machtsuitoefening voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). Voor inbezitneming is vereist dat sprake is van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bezit, omdat [gedaagde] de het blauwe perceel niet voor zichzelf hield, maar dit heeft gehuurd. [eiser] heeft ter onderbouwing van haar stelling twee facturen en twee betalingsbewijzen overgelegd. Hieruit blijkt dat in de periode van december 2009 tot en met mei 2010 voor het blauwe perceel huur in rekening is gebracht bij [gedaagde] door de toenmalig eigenaar van het perceel, zijnde [de heren] en dat deze facturen door [gedaagde] zijn betaald. Op vragen van de voorzieningenrechter ter zitting heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat [de heren] in 2009 aan [gedaagde] heeft aangekondigd huur te gaan rekenen voor het deel van zijn perceel waarop [gedaagde] haar auto’s parkeerde. [gedaagde] stelt dat zij het hier niet mee eens was, maar onder druk werd gezet en dat een medewerkster van [gedaagde] één van de facturen heeft betaald waarna [de heren] niet meer op de kwestie is terug gekomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat met overlegging van de huurfacturen en betalingsbewijzen daarvan, voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] het perceel in de periode december 2009 tot en met mei 2010 heeft gehuurd van [de heren] Het door [gedaagde] gestelde protest tegen (betaling van) de huur(penningen) is niet door haar onderbouwd. Daarnaast heeft zij ook niet betoogd dat, met de door haar gestelde door [de heren] uitgeoefende druk, sprake zou zijn geweest van een wilsgebrek. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] in 2009 haar status als huurder tegenover [de heren] heeft erkend. Zij hield het perceel dan ook voor een ander. Van een situatie waarin [gedaagde] , voor een aaneengesloten periode van twintig jaren, als bezitter in de zin van artikel 3:107 BW kon worden aangemerkt is dan ook geen sprake.
[gedaagde] stelt dat, voorafgaand aan de huur van [de heren] , al sprake was van een voltooide bevrijdende verjaring door [naam 3] , door plaatsing van een poort in 1977 waar enkel de rechtsvoorgangers van [gedaagde] de sleutel van hadden. [eiser] heeft dit standpunt betwist en stelt dat zij en haar rechtsvoorgangers altijd toegang hebben gehad tot het deel van het perceel waar [gedaagde] zijn auto’s parkeerde, zodat van bezit als bedoeld in artikel 3:107 BW geen sprake is.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij en/of haar rechtsvoorgangers het bezit, dat is vereist voor verkrijging van eigendom op grond van bevrijdende verjaring, hebben gehad over het deel van het perceel, gedurende een onafgebroken termijn van twintig jaar.
De overgelegde schriftelijke verklaring van de heer [naam 6] en de twee (onduidelijke) foto’s van het bedrijfsgebouw van (de voorgangers) van [gedaagde] uit 1977 en 1996 zijn daartoe, mede gelet op de betwisting door [eiser] , onvoldoende. Dat er, gedurende een periode van twintig jaar sprake was van een zodanige machtsuitoefening door de voorganger van [gedaagde] , dat naar verkeersopvatting het bezit van de voorganger van [eiser] teniet werd gedaan, volgt hier niet uit. Daarbij volgt uit de leveringsakte van 14 januari 2011 dat dit deel van het perceel niet door [naam 3] is geleverd aan [gedaagde] zodat, indien al sprake zou zijn van verkrijging door bevrijdende verjaring van het deel van het perceel, [naam 3] hiervan eigenaar zou zijn geworden en nog steeds eigenaar is.
Los van het voorgaande heeft te gelden dat naar het voorlopig oordeel in dit kort geding, in een bodemprocedure verwacht mag worden dat [eiser] een beroep zal doen op afstand van recht. Met het betalen van huur en met het dulden van de verplaatsing van het hek door [eiser] als hiervoor vermeld, heeft [gedaagde] immers daden verricht die zich niet verdragen met een beroep op verjaring en daarmee afstand heeft gedaan van een beroep op het door haar nu gestelde recht zodat ook om die reden de vordering toewijsbaar is.
Erfdienstbaarheid
Ten aanzien van het door [gedaagde] ingenomen subsidiaire standpunt, dat zij bezitter is geweest van het recht van erfdienstbaarheid, geldt eveneens dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat het door haar gestelde gebruik en de toestand ter plaatse, wijzen op bezit van een erfdienstbaarheid voor de duur van twintig jaar.
Ontruiming
Nu [gedaagde] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van (een deel van) de percelen [nummer 3] en [nummer 4] , dan wel een recht van erfdienstbaarheid heeft (verkregen), kan de vordering van [eiser] tot ontruiming van deze percelen worden toegewezen.
Dwangsom
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarbij is dit ook niet door [gedaagde] betwist. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De voorzieningenrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De vordering is van onbepaalde waarde. Conform het Rapport BGK-integraal zal de voorzieningenrechter dan ook een bedrag van € 925,00 toewijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Ontruimingskosten
Voor de kosten van de ontruiming geldt dat op dit moment niet vaststaat of die zullen worden gemaakt en hoe hoog die kosten zullen zijn. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond om voor de ontruimingskosten op voorhand een forfaitair bedrag toe te kennen. [eiser] zal voor verhaal van de eventuele ontruimingskosten op grond van artikel 237 lid 4 Rv dus een aparte titel dienen te verkrijgen.
proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
148,04
– griffierecht
€
714,00
– salaris advocaat
€
1.107,00
– nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.147,04
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de percelen [nummer 3] en perceel [nummer 4] aan [adres 1] te [plaats] met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, vóór of uiterlijk op het vastgestelde tijdstip van de ontruiming volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling van 5.1. voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 26 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.147,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
Voetnoten
- HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309
- HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826
- HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...