ECLI:NL:RBZWB:2026:1387 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-01-2026 / 11690577 CV EXPL 25-2290 (E)
Vordering van eiseres tot betaling premie en voorgeschoten zorgkosten op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst. Gedaagde betwist de vordering niet, maar beroept zich op verrekening met een ingediende declaratie. Dit beroep op verrekening wordt afgewezen. De vordering van eiseres wordt toegewezen.
10 min de lecture · 2 077 mots
Inhoudsindicatie. Vordering van eiseres tot betaling premie en voorgeschoten zorgkosten op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst. Gedaagde betwist de vordering niet, maar beroept zich op verrekening met een ingediende declaratie. Dit beroep op verrekening wordt afgewezen. De vordering van eiseres wordt toegewezen.
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11690577 \ CV EXPL 25-2290
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
statutair gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Zilveren Kruis,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een vordering van Zilveren Kruis tot betaling van premie en voorgeschoten zorgkosten. [gedaagde] betwist de vordering niet, maar beroept zich op verrekening met een ingediende declaratie die Zilveren Kruis volgens haar ten onrechte niet vergoed heeft. De kantonrechter wijst het beroep op verrekening af en wijst de vordering van Zilveren Kruis toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 8 april 2025 met producties;
– de conclusie van antwoord met producties ingekomen op 8 juli 2025 en het aanvullende antwoord van 9 juli 2025;
– de akte van Zilveren Kruis met producties van 11 augustus 2025;
– de antwoordakte van [gedaagde] met producties en akte van [gedaagde] met aanvullende producties van 3 en 17 september 2025;
– de akte uitlaten producties van Zilveren Kruis van 28 oktober 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
[gedaagde] had bij Zilveren Kruis een zorgverzekering. [gedaagde] was op basis van de verzekeringsovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling premie verschuldigd aan Zilveren Kruis.
[gedaagde] heeft premie en voorgeschoten zorgkosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen onbetaald gelaten.
4Het geschil
Zilveren Kruis vordert – samengevat en na eisvermindering – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan Zilveren Kruis van een bedrag van € 1.290,00 vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 4 april 2025 tot de dag van betaling en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
Zilveren Kruis legt aan haar vordering bij dagvaarding het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft een totaalbedrag van € 1.292,88 onbetaald gelaten aan premie en zorgkosten die in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 12 februari 2025 zijn gefactureerd aan haar. Aan wettelijke rente is [gedaagde] vanaf de verzuimdatum tot 8 april 2025 een bedrag van € 81,98 verschuldigd. Daarnaast is er op 15 november 2023 een zogenaamde 14 dagen brief gestuurd aan [gedaagde] en wegens niet betaling is zij aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 48,40 verschuldigd.
Zilveren Kruis heeft bij akte haar eis verminderd en gesteld dat op de vordering van totaal € 1.423,26 nog € 133,25 is betaald (op 2 juni 2025 € 45,04, op 27 juni 2025 € 44,11 en op 28 juli 2025 € 44,11) waardoor de vordering thans nog € 1.290,00 bedraagt.
[gedaagde] voert als verweer het volgende aan. [gedaagde] heeft een moeilijke periode achter de rug. Zij is een tijd dakloos geweest en heeft in de periode van juni 2018 tot februari 2019 geen post ontvangen. Momenteel heeft [gedaagde] financiële problemen. Omdat [gedaagde] in 2022 niet in Nederland werd geholpen voor haar medische problemen, is zij naar Roemenië gegaan en is daar vier dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis en daar is een longontsteking en Covid vastgesteld. De door [gedaagde] voorgeschoten ziekenhuiskosten bedragen € 683,27 en die wil [gedaagde] graag vergoed krijgen van Zilveren Kruis. [gedaagde] heeft de rekeningen in december 2022 bij Zilveren Kruis gedeclareerd, maar zij heeft daar niets van gehoord. Na indiening van klachten bij Zilveren Kruis heeft deze aangegeven dat er geen documenten zijn ontvangen. [gedaagde] heeft een betalingsregeling getroffen voor de vordering van Zilveren Kruis en heeft inmiddels betalingen verricht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Premie en voorgeschoten zorgkosten
[gedaagde] betwist de gevorderde hoofdsom niet en de hoofdsom is in beginsel dan ook toewijsbaar. De door [gedaagde] geschetste (eerdere) persoonlijke omstandigheden en schulden betreurt de kantonrechter, maar staan niet in de weg aan toewijzing van de vordering. Ook verwijst [gedaagde] naar problemen met de postbezorging aan haar tot februari 2019, maar de vordering ziet op premies en zorgkosten over een veel latere periode. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] de facturen zoals deze zijn opgesomd in het overzicht in de dagvaarding heeft ontvangen.
Tegenvordering
[gedaagde] beroept zich op verrekening met een tegenvordering van € 683,27 die ziet op gemaakte ziekenhuiskosten in Roemenië. [gedaagde] stelt dat zij voor die kosten op 4 of 5 december 2022 een declaratieformulier bij Zilveren Kruis heeft ingediend. Zilveren Kruis betwist echter dat [gedaagde] in december 2022 een declaratie heeft ingediend en legt ter onderbouwing van die betwisting als productie 5 een schermprint over uit haar systeem. Na deze betwisting van Zilveren Kruis heeft [gedaagde] bij antwoordakte correspondentie overgelegd van Zilveren Kruis en van Eurocross.
Uit de wet (artikel 3:37 lid 3 Burgerlijk Wetboek) volgt dat een tot een geadresseerde (hier Zilveren Kruis) gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die geadresseerde moet hebben bereikt (de zogenaamde ontvangsttheorie). Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt, indien zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, zoals in deze zaak, dient [gedaagde] als afzender feiten of omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat de brief wel degelijk door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat Zilveren Kruis daarop door haar kon worden bereikt en dat de verklaring bij Zilveren Kruis is aangekomen.
[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord geen enkel stuk overlegd waaruit blijkt dat zij op 4 of 5 december 2022 de gestelde declaratie digitaal of schriftelijk heeft ingediend bij Zilveren Kruis. Dit volgt ook niet uit de producties die zij bij haar latere aktes heeft overgelegd. De correspondentie die [gedaagde] overlegt bij haar antwoordakte ziet namelijk slechts op een aangevraagd declaratieformulier en twee brieven van Zilveren Kruis aan [gedaagde] waarin [gedaagde] verzocht wordt terug te bellen. De vervolgens door [gedaagde] bij akte overgelegde correspondentie met Eurocross ziet ook niet op een ingediende declaratie, maar slechts op informatie over hulpverlening. Eurocross is kennelijk een alarmcentrale die hulp en advies biedt. In de informatiebrief van Eurocross wordt ook vermeld dat bij zelf betaalde kosten van een zorginstelling de nota van die kosten bij de verzekeraar dient te worden ingediend en dus bij Zilveren Kruis. [gedaagde] stelt dat Zilveren Kruis eerder telefonisch aan haar had laten weten de declaratie te hebben ontvangen, maar dit is door Zilveren Kruis betwist en [gedaagde] heeft niet toegelicht wie van Zilveren Kruis dat gezegd zou hebben en wanneer, waardoor aan die stelling als onvoldoende concreet onderbouwd voorbij wordt gegaan.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet voldoende onderbouwd heeft dat zij de gestelde kosten heeft ingediend bij Zilveren Kruis. [gedaagde] voert zelf ook aan dat Zilveren Kruis in januari of februari 2023 heeft laten weten geen declaratie te hebben ontvangen. Van [gedaagde] had dan verwacht mogen worden dat zij een bewijs had overgelegd van ontvangst van de declaratie door Zilveren Kruis of dat zij de gestelde kosten opnieuw had ingediend. De kantonrechter begrijpt uit de stukken van [gedaagde] dat zij het gevoel heeft dat haar onrecht wordt aangedaan doordat kosten niet vergoed worden. Echter, nu niet is vast komen te staan dat [gedaagde] de declaratie heeft ingediend kan aan de zijde van Zilveren Kruis geen verplichting worden aangenomen op grond van de zorgverzekering om de gestelde kosten te vergoeden. Dit staat overigens nog los van de vraag of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het beroep op verrekening wordt daarom afgewezen.
Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] de gevorderde premie en zorgkosten geheel verschuldigd is.
Wettelijke rente
Zilveren Kruis vordert de wettelijke rente en uit het in de dagvaarding opgenomen overzicht van facturen volgt dat zij stelt dat de factuurdatum steeds de verzuimdatum is. Zilveren Kruis heeft dit niet onderbouwd met overlegging van verzekeringsvoorwaarden. Daarom moet worden uitgegaan van de wet. Verzuim treedt volgens artikel 6:82 Burgerlijk Wetboek (BW) in het algemeen in op de dag na het verstrijken van de termijn uit een sommatie of een ingebrekestelling. Dat betekent dat wanneer betaling van een factuur uitblijft, de schuldeiser (Zilveren Kruis) de schuldenaar ( [gedaagde] ) in gebreke moet stellen en tot betaling moet aanmanen. Een ingebrekestelling of sommatie is niet vereist als sprake is van één van de in artikel 6:83 BW genoemde gevallen.
Omdat overeengekomen is dat [gedaagde] de premie vooruit moet betalen (artikel 6:83 sub a BW), is de wettelijke rente daarover per de eerste van de maand verschuldigd. De gevorderde wettelijke rente over de achterstallige premie van oktober 2023 tot en met maart 2024 is daarom steeds vanaf die verzuimdatum toewijsbaar.
Voor wat betreft de zorgkosten geldt dat de factuurdatum niet als verzuimdatum kan worden beschouwd. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] bij brief van 6 maart 2025 (laatste aanmaning bij productie 2 van de akte van Zilveren Kruis) in gebreke is gesteld omdat zij daarin wordt gesommeerd voor 12 maart 2025 te betalen. Daarom is de wettelijke rente over de zorgkosten van totaal € 557,68 vanaf 12 maart 2025 toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
Zilveren Kruis vordert een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op 15 november 2023 is een zogenaamde 14-dagen brief verzonden voor premie van oktober 2023 en november 2023. Omdat [gedaagde] desondanks niet heeft betaald, is zij de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten – die conform het tarief in het Besluit zijn – verschuldigd. Het gevorderde bedrag van € 48,40 is daarom toewijsbaar.
Betalingsregeling en toepassing artikel 6:44 BW?
Zilveren Kruis heeft bij akte erkend dat er een betalingsregeling met [gedaagde] is gesloten onder verband van een vonnis. Zilveren Kruis heeft onweersproken gesteld dat zij drie termijnen van € 50,00 heeft ontvangen die volgens afspraak zijn verdeeld over dit dossier en een ander dossier bij de gemachtigde van [gedaagde] . Zilveren Kruis heeft daarnaast onweersproken gesteld dat van de betalingen op dit dossier in mindering strekt € 45,04 ontvangen op 2 juni 2025, € 44,11 ontvangen op 27 juni 2025 en € 44,11 ontvangen op 28 juli 2025 (in totaal € 133,26).
Op grond van artikel 6:44 BW moeten de drie voornoemde betalingen op deze zaak in de eerste plaats in mindering worden gebracht op de kosten, vervolgens de verschenen rente en ten slotte de hoofdsom en de lopende rente. Omdat Zilveren Kruis niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de verschenen rente is over de betalingsachterstand tot de betaaldata worden de betalingen afgeboekt op de buitengerechtelijke kosten en vervolgens de hoofdsom. Dit betekent dat met de betaling van totaal € 133,25 de buitengerechtelijke incassokosten zijn voldaan en per 28 juli 2025 een hoofdsom resteert van € 1.208,02 ((€ 1.292,88 + € 48,40) -/- € 133,26). Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over de achterstand in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 12 februari 2025 vanaf de data van verzuim en rekening houdend met de ontvangen betalingen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zilveren Kruis worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
146,14
– griffierecht
€
340,00
– salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
– nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
996,14
6De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Zilveren Kruis te betalen een bedrag van € 1.208,02, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de achterstand in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 12 februari 2025 vanaf de data van verzuim en rekening houdend met de ontvangen betalingen,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 996,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...