ECLI:NL:RBZWB:2026:145 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 / C/02/433948 FA RK 25-1790
Vaststelling van een door zowel de vrouw als de man te betalen kinderalimentatie; uitsluiting wettelijke indexering kinderalimentatie
12 min de lecture · 2 600 mots
Inhoudsindicatie. Vaststelling van een door zowel de vrouw als de man te betalen kinderalimentatie; uitsluiting wettelijke indexering kinderalimentatie
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/433948 FA RK 25-1790
15 januari 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
eerst advocaat mr. A.M. Slootweg,
nu advocaat mr. M.H.C. Karens,
en
[de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Th. Kremers.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
– het op 8 april 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
– het op 8 juli 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlage;
– het op 7 januari 2026 ontvangen aanvullend zelfstandig verzoek;
– het op 7 januari 2026 ontvangen gewijzigd verzoek;
– de brieven van mr. Slootweg van 30 april 2025 en 14 juli 2025, waarvan eerstgenoemde met bijlagen;
– de brieven van mr. Karens van 27 december 2025 en 29 december 2025 met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 8 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Karens, en advocaat mr. Gademan (als waarnemer van mr. Kremers). De man is niet verschenen.
2De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
– partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 21 juni 2002 tot 29 april 2025;
– uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2012 (hierna,
volgens de roepnaam: [minderjarige 2] );
– uit hun huwelijk is daarnaast geboren, het inmiddels meerderjarige kind: [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2004 (hierna, [meerderjarige] );
– [meerderjarige] woont niet meer bij één van partijen;
– [minderjarige 1] woont bij de man;
– [minderjarige 2] woonde tot 12 november 2024 bij de man. Met ingang van 12 november 2024
verblijft [minderjarige 2] op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vrouw. Deze
machtiging is laatstelijk bij beschikking van 23 oktober 2025 verlengd tot
21 juni 2026.
Bij beschikking van de rechtbank van 21 juli 2023 is het verzoek van de vrouw tot
vaststelling van een door de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdrage
afgewezen, ervan uitgaande dat [minderjarige 2] wordt ingeschreven op het adres van de man.
3De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
– vaststelling van een door de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdrage van € 406,= per maand, met ingang van 12 november 2024 dan wel 6 februari 2025 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift;
– de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van een nog in het geding te brengen overzicht van goederen van [minderjarige 2] .
De man verzoekt, samengevat:
– primair: de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen;
subsidiair: in het geval het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige 2] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, te bepalen dat deze kinderalimentatie niet zal indexeren;
– vaststelling van een door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen onderhoudsbijdrage van € 25,50 per maand, met ingang van de datum van de beschikking.
4De beoordeling
Kinderalimentatie [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
Grondslag verzoek kinderalimentatie [minderjarige 2]
De vrouw voert als grond voor haar verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige 2] aan dat sinds voormelde beschikking van 21 juli 2023 de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat er aanleiding is om alsnog een door de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie vast te stellen.
In dit verband staat vast dat [minderjarige 2] sinds 12 november 2024 op basis van een machtiging
tot uithuisplaatsing bij de vrouw woont. Deze machtiging is laatstelijk bij beschikking van
23 oktober 2025 verlengd tot 21 juni 2026, dus [minderjarige 2] zal voorlopig nog bij de vrouw blijven
wonen.
Aldus heeft zich een relevante wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van [minderjarige 2] aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van partijen noodzakelijk maakt.
Grondslag verzoek kinderalimentatie [minderjarige 1]
De man legt aan zijn verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] ten
grondslag dat [minderjarige 1] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de vrouw en dat de vrouw
de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
Ingangsdatum kinderalimentatie [minderjarige 2]
De vrouw verzoekt de kinderalimentatie voor [minderjarige 2] primair vast te stellen met ingang van 12 november 2024, zijnde de datum waarop [minderjarige 2] bij haar is komen wonen. Zij stelt dat de man zich vanaf dat moment had moeten realiseren dat hij kinderalimentatie voor [minderjarige 2] moet betalen. Subsidiair verzoekt zij als ingangsdatum 6 februari 2025 te hanteren, te weten de datum van de brief waarbij haar advocaat de man voor het eerst heeft verzocht om kinderalimentatie te betalen. Meer subsidiair verzoekt zij de kinderalimentatie te laten ingaan per de datum van indiening van het verzoekschrift. Volgens de vrouw heeft de man in de afgelopen periode gelden kunnen reserveren voor het geval de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt vastgesteld.
De man stelt zich op het standpunt dat de kinderalimentatie voor [minderjarige 2] niet eerder moet ingaan dan op de datum van de beschikking en voert in dit verband het volgende aan. Hij heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank om [minderjarige 2] uit huis te plaatsen bij de vrouw. Hij heeft de beslissing van het gerechtshof hierop pas na 24 april 2025 ontvangen, dus tot die tijd stond niet vast dat [minderjarige 2] bij de vrouw zou blijven. Daarnaast heeft hij sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vrouw een aantal kosten van [minderjarige 2] voldaan, zoals telefoonkosten en een laptopabonnement. Ook vraagt [minderjarige 2] hem regelmatig om geld over te maken. Bovendien heeft hij geen financiële buffer om met terugwerkende kracht kinderalimentatie te betalen. Hij leeft van de voorschotten die hij op zijn letselschade uitkering ontvangt. Deze voorschotten krijgt hij niet maandelijks, maar als hij geen geld meer heeft. De afgelopen periode heeft hij hoge advocaatkosten gehad in verband met verschillende gerechtelijke procedures waarbij hij betrokken is geweest. Hij heeft hierdoor geen gelden kunnen reserveren voor kinderalimentatie.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de kinderalimentatie in beginsel wordt vastgesteld met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval 8 april 2025. De man heeft er vanaf die datum rekening mee kunnen en moeten houden dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige 2] geheel of gedeeltelijk zou worden toegewezen. Rond die datum is er vanuit het gerechtshof in hoger beroep ook duidelijkheid gekomen over de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in het licht van de betwisting door de vrouw onvoldoende aangetoond dat hij vanaf 8 april 2025 geen financiële middelen heeft kunnen reserveren voor de betaling van kinderalimentatie. Daarnaast is in aanmerking genomen dat de vrouw weliswaar heeft erkend dat de man sinds 8 april 2025 ook kosten van [minderjarige 2] heeft gedragen, maar bij gebrek aan stukken is niet duidelijk geworden om hoeveel kosten het gaat. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze kosten in omvang beperkt zijn gebleven en dat dit niet tot een ander oordeel over de ingangsdatum moet leiden.
Ingangsdatum kinderalimentatie [minderjarige 1]
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen bijdrage conform het niet weersproken verzoek van de man laten ingaan per de datum van de beschikking.
Uitgangspunten bij de berekening van kinderalimentatie
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
De ingangsdatum van de kinderalimentatie voor [minderjarige 2] ligt in 2025 en voor [minderjarige 1] in 2026. De rechtbank zal uit proceseconomische overwegingen de kinderalimentatie berekenen aan de hand van de tarieven van 2025. De door de vrouw voor [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie zal vervolgens worden vermeerderd met het per 1 januari 2026 geldende wettelijke indexeringspercentage.
Behoefte kinderen
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van hun drie kinderen [meerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 in totaal € 1.228,= per maand bedroeg. Dit komt neer op (afgerond) € 409,= per maand per kind.
Verdeling draagkracht
Het aandeel van partijen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Daarbij is in aanmerking genomen dat partijen het erover eens zijn dat in de draagkrachtberekening geen rekening moet worden gehouden met [meerderjarige] , omdat zij meerderjarig is en niet meer bij één van partijen woont. De draagkracht van partijen wordt dus enkel aangewend ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Draagkracht vrouw
De vrouw ontvangt een WIA-uitkering en kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop. Tussen partijen staat vast dat in 2025 het NBI van de vrouw
€ 1.713,= per maand en de draagkracht van de vrouw € 51,= per maand bedroeg.
Draagkracht man
De man ontvangt een letselschade uitkering en kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop. Partijen zijn het erover eens dat in 2025 het NBI van de man
€ 3.531,= per maand en de draagkracht van de man € 908,= per maand bedroeg.
Draagkrachtvergelijking
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van partijen brengt mee dat in 2025 de man met een bedrag van € 387,= per maand (€ 908/ € 959 x € 409) moest bijdragen in de behoefte van [minderjarige 2] en dat de vrouw met een bedrag van € 22,= per maand (€ 51/ € 959 x
€ 409) moest bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] .
Zorgkorting man
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem voor [minderjarige 2] verschuldigde kinderalimentatie.
De vrouw verzoekt aan de zijde van de man geen rekening te houden met een zorgkorting voor [minderjarige 2] .
Hoewel er momenteel vanuit de hulpverlening wordt geadviseerd om het contact tussen de man en [minderjarige 2] te beperken, staat tussen partijen vast dat er op dit moment structureel contact tussen de man en [minderjarige 2] plaatsvindt, al dan niet via de moeder van de man. Aangezien de rechtbank ervan uitgaat dat dit contact de nodige kosten voor de man met zich brengt, acht de rechtbank reden aanwezig om rekening te houden met een zorgkorting van 15%. Uitgaande van een behoefte van [minderjarige 2] € 409,= per maand, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 61,= per maand.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de door de man voor [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie in 2025 € 326,= per maand bedroeg.
Zorgkorting vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw geen recht heeft op toepassing van een zorgkorting op de door haar ten behoeve van [minderjarige 1] verschuldigde kinderalimentatie.
Het aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] bedroeg aldus in 2025 € 22,= per maand. Inclusief de wettelijke indexering komt de in 2026 door de vrouw voor [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie dan uit op (afgerond) € 23,= per maand.
Conclusie met betrekking tot de te betalen kinderalimentatie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie met ingang van 8 april 2025 vaststellen op € 326,= per maand en de door de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking vaststellen op € 23,= per maand.
Indexering kinderalimentatie
De man verzoekt de wettelijke indexering van de door hem ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie uit te sluiten en voert ten aanzien van dit verzoek het volgende aan. De aan hem toegekende letselschade uitkering wordt definitief vastgesteld en dit bedrag zal niet meer wijzigen of indexeren. Vanwege zijn hersenletsel is ook niet te verwachten dat hij ooit nog werkzaamheden zal uitvoeren waarmee hij een inkomen zal genereren dat wordt geïndexeerd.
De vrouw ziet geen reden om af te wijken van het uitgangspunt om de kinderalimentatie van rechtswege te indexeren en stelt in dit verband het volgende. Bij de vaststelling van de letselschade uitkering van de man is ook gekeken naar het toekomstige inkomensverlies van de man. Er zal bij de vaststelling van de letselschade uitkering dan ook rekening zijn gehouden met de toekomstige wettelijke indexeringen. De man beschikt bovendien over vermogen in zijn woning.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek worden de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege gewijzigd. Uitsluiting van de wettelijke indexering door de rechter dient gebaseerd te zijn op de omstandigheid dat de veronderstelling waarvan de wet uitgaat – te weten van een verhoogd geldelijk inkomen van de onderhoudsplichtige bij overigens gelijkblijvende omstandigheden – in het desbetreffende individuele geval niet van toepassing is. In de omstandigheden van dit geval, waarbij de hoogte van de totale letselschade uitkering van de man niet meer zal veranderen en er geen aanknopingspunten zijn dat het inkomen van de man hoger zal worden, ziet de rechtbank aanleiding om de wettelijke indexering van de door de man voor [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie uit te sluiten. De omstandigheid dat er op dit moment vermogen in de woning van de man zit maakt dit niet anders, nu het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op
9 januari 2025 heeft bepaald dat deze woning, die van partijen gemeenschappelijk is, gedurende drie jaren onverdeeld moet blijven. Het vermogen zit dus de komende jaren nog in de woning en staat niet ter vrije beschikking van de man. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de man worden toegewezen.
Goederen [minderjarige 2]
De vrouw heeft ter zitting haar verzoek ten aanzien van de afgifte van goederen van [minderjarige 2] ingetrokken. Het ingetrokken verzoek behoeft niet meer te worden beoordeeld en zal worden afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man met ingang van 8 april 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op
[geboortedag 2] 2012, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 326,= (driehonderdzesentwintig euro) per maand;
sluit de wettelijke indexering van de onder 5.1 genoemde bijdrage uit;
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, aan de man bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 23,= (drieeëntwintig euro) per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...