ECLI:NL:RVS:2020:2535 Raad van State , 28-10-2020 / 202000582/1/V6
Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kinderen het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft [appellante] het Nederlanderschap geweigerd op grond van artikel 4, tweede lid, van de Awb en artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat [appellante] geen geleg...
4 min de lecture · 723 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kinderen het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft [appellante] het Nederlanderschap geweigerd op grond van artikel 4, tweede lid, van de Awb en artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat [appellante] geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd en daardoor haar identiteit en nationaliteit niet konden worden vastgesteld. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bewijsnood. Volgens de staatssecretaris heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij zich in verbinding heeft gesteld met de Angolese autoriteiten, derden heeft ingeschakeld in Angola of zelf is afgereisd naar Angola om zo te proberen in het bezit te komen van de benodigde documenten.
202000582/1/V6.
Datum uitspraak: 28 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2019 in zaak nr. 19/876 in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kinderen het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 19 december 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.S. Hyder, advocaat te Delft, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft [appellante] het Nederlanderschap geweigerd op grond van artikel 4, tweede lid, van de Awb en artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), omdat [appellante] geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd en daardoor haar identiteit en nationaliteit niet konden worden vastgesteld. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bewijsnood. Volgens de staatssecretaris heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij zich in verbinding heeft gesteld met de Angolese autoriteiten, derden heeft ingeschakeld in Angola of zelf is afgereisd naar Angola om zo te proberen in het bezit te komen van de benodigde documenten.
De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap verder geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellante] een gevaar vormt voor de openbare orde. Hiertoe heeft hij redengevend geacht dat de strafrechter [appellante] bij vonnis van 26 juni 2017 voor het plegen van een diefstal onherroepelijk heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van vijftig uren. Volgens de staatssecretaris heeft de strafrechter daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat [appellante] de schuld op zich zou hebben genomen ter bescherming van haar vriendin. Zij heeft de gevangenisstraf op 30 juni 2017 uitgezeten en de taakstraf op 31 oktober 2017 voltooid. Het verzoek om het Nederlanderschap van 8 augustus 2017 heeft [appellante] ingediend voor aanvang van de zogenoemde rehabilitatietermijn van vier jaar zoals bedoeld in paragraaf 5 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, vervat in de Handleiding RWN, zoals die luidde ten tijde van het besluit van 19 december 2018.
2. Ter zitting heeft [appellante] de hogerberoepsgrond tegen het oordeel van de rechtbank over de openbare orde laten vallen, terwijl dit oordeel van de rechtbank de uitspraak alleen kan dragen. De rechtbank is niet toegekomen aan de overige gronden van beroep.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.G.M. Laarhoven, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Laarhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2020
850.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...