Pays-Bas Raad van State Divers 30 avril 2025 N° 202405115/1/V6 NL

ECLI:NL:RVS:2025:1921 Raad van State , 30-04-2025 / 202405115/1/V6

Bij besluit van 1 maart 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. In augustus 2022 en op 23 februari 2023 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij...

Source officielle

Calcul en cours 0

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 1 maart 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. In augustus 2022 en op 23 februari 2023 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij tussen 2006 en mei 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard voor de Nederlandse krijgsmacht in Camp Hadrian in Uruzgan, Afghanistan. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, de Kamerbrief). Onder die speciale voorziening vallen twee groepen vreemdelingen. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] niet is genomineerd door een ngo in het kader van de speciale voorziening en hij dus niet onder die groep van de speciale voorziening valt.

202405115/1/V6.

Datum uitspraak: 30 april 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2024 in zaak nr. 23/2750 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2023 (hierna: het besluit) heeft de minister een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen.

Tegen het besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.M. Polman, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, advocaat in Den Haag, en mr. F. Hashi, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. In augustus 2022 en op 23 februari 2023 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij tussen 2006 en mei 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse krijgsmacht in Camp Hadrian in Uruzgan, Afghanistan.

2. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860; hierna: de Kamerbrief). Onder die speciale voorziening vallen twee groepen vreemdelingen. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] niet is genomineerd door een ngo in het kader van de speciale voorziening en hij dus niet onder die groep van de speciale voorziening valt. De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] ook niet onder de tweede groep valt, omdat hij niet rechtstreeks in dienst was bij het ministerie van Defensie, maar bij een onderaannemer. In het verweerschrift heeft de minister dit standpunt verlaten en zich vervolgens op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voorkomt in de database van het ministerie van Defensie met meldingen van Nederlandse veteranen en van hulpverzoeken die uiterlijk 11 oktober 2021 zijn gedaan. De minister heeft niet beoordeeld of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.

Termijn hulpverzoek

3. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn hulpverzoek niet tijdig heeft gedaan.

3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3298, onder 2.1, 2.2 en 2.3, volgt dat met ‘de nu bij Defensie beschikbare data’ in de speciale voorziening, niet is bedoeld het hele archief van het ministerie van Defensie, met daarin alle voormalige ASG-medewerkers. Het gaat daarentegen om meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken van Afghanen die tijdens of kort na de evacuatie en uiterlijk op 11 oktober 2021 zijn gedaan. Deze meldingen en hulpverzoeken zijn verzameld in een daarvoor bedoeld databestand. Alleen als iemand in dit databestand voorkomt, beoordeelt de minister of diegene aan alle inhoudelijke vereisten voldoet om voor toepassing van de speciale voorziening in aanmerking te komen. De Afdeling heeft geoordeeld dat deze afbakening, gelet op de beleidsruimte die de minister in dit geval heeft, niet onevenredig is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, onder 2.2.

De door [appellant] aangehaalde brief van de minister van Defensie van 19 december 2023 (Kamerstukken II 2023/24, 27 925, nr. 961), leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit die brief niet dat de speciale voorziening een open einde heeft. In die brief staat dat een aanvulling op de Tolkenregeling wordt opgesteld, waarbij wordt aangesloten bij de materiële criteria van de speciale voorziening. De aanvulling zal volgens de Tolkenregeling worden uitgevoerd, kent eveneens een open einde en is uitsluitend van toepassing op voormalige bewakers van ASG, aldus die brief. De Afdeling is van oordeel dat met het woord ‘eveneens’ is bedoeld dat de aanvulling op de Tolkenregeling een open einde heeft, net zoals de Tolkenregeling zelf, en niet dat de speciale voorziening een open einde heeft, zoals [appellant] betoogt. Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, volgt ook uit het feit dat voor de aanvulling wordt aangesloten bij de materiële criteria van de speciale voorziening, niet dat de speciale voorziening een open einde heeft.

[appellant] heeft zijn eerste hulpverzoek gedaan in augustus 2022, zo’n elf maanden na 11 oktober 2021. In het licht daarvan heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] om deze reden niet valt onder de speciale voorziening. De minister hoefde dus niet te beoordelen of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.

3.2. Verder betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank had moeten toetsen aan de Tolkenregeling of de minister had moeten opdragen het hulpverzoek te beoordelen aan de hand van die regeling. Zoals de rechtbank namelijk terecht heeft overwogen, heeft de Tolkenregeling een andere strekking dan de bij de Kamerbrief getroffen speciale voorziening, waar deze zaak over gaat. Daarbij is naar het oordeel van de Afdeling niet de minister van Buitenlandse Zaken, maar de minister van Defensie het aangewezen bestuursorgaan om een besluit te nemen in het kader van de Tolkenregeling, aangezien [appellant] heeft gesteld dat hij heeft gewerkt als bewaker voor de Nederlandse krijgsmacht. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500 en ECLI:NL:RVS:2024:1505, onder 5. De Afdeling zal in deze procedure dan ook niet verder ingaan op deze regeling.

3.3. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Ark

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025

861


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.