ECLI:NL:RVS:2025:2626 Raad van State , 11-06-2025 / 202406250/1/A2
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2017 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil. De Dienst Toeslagen heeft tevens de teveel ontvangen voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017 van € 2.317,00 en € 2.778,00 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden...
4 min de lecture · 827 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 9 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2017 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil. De Dienst Toeslagen heeft tevens de teveel ontvangen voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017 van € 2.317,00 en € 2.778,00 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget over 2018 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil en het teveel ontvangen voorschot kindgebonden budget over 2018 van € 350,00 van haar teruggevorderd. Op basis van de Basisregistratie Inkomen heeft de Dienst Toeslagen het gezamenlijk toetsingsinkomen van [appellante] en haar toeslagpartner over 2017 vastgesteld op € 81.429,00 en over 2018 op € 86.846,00. De toeslagpartner van [appellante] heeft bezwaar- en beroepsprocedures aanhangig gemaakt tegen het inkomen dat de inspecteur van de Belastingdienst voor hem over 2017 en 2018 heeft vastgesteld. Volgens [appellante] moet de Dienst Toeslagen de uitkomst van deze procedures afwachten, alvorens over te gaan tot definitieve vaststelling van haar zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017 en 2018.
202406250/1/A2.
Datum uitspraak: 11 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2024 in zaak nr. 23/509 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (nu en hierna: de Dienst Toeslagen).
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2017 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil. De Dienst Toeslagen heeft tevens de teveel ontvangen voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017 van € 2.317,00 en € 2.778,00 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget over 2018 voor [appellante] definitief vastgesteld op nihil en het teveel ontvangen voorschot kindgebonden budget over 2018 van € 350,00 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 6 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de door [appellante] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2025, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op basis van de Basisregistratie Inkomen (hierna: BRI) heeft de Dienst Toeslagen het gezamenlijk toetsingsinkomen van [appellante] en haar toeslagpartner over 2017 vastgesteld op € 81.429,00 en over 2018 op € 86.846,00. De toeslagpartner van [appellante] heeft bezwaar- en beroepsprocedures aanhangig gemaakt tegen het inkomen dat de inspecteur van de Belastingdienst voor hem over 2017 en 2018 heeft vastgesteld. Volgens [appellante] moet de Dienst Toeslagen de uitkomst van deze procedures afwachten, alvorens over te gaan tot definitieve vaststelling van haar zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017 en 2018.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de uitkomst van de procedures van de toeslagpartner van [appellante] over het voor hem vastgestelde inkomen over 2017 en 2018 in de BRI niet hoeft af te wachten: als die uitkomst ertoe leidt dat het inkomensgegeven van hem wijzigt zal de Dienst Toeslagen namelijk het recht op de toeslagen voor [appellante] op grond van artikel 20 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen opnieuw beoordelen. De rechtbank heeft er daarbij onder meer op gewezen dat de Dienst Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht van [appellante] en haar toeslagpartner moet uitgaan van de inkomensgegevens zoals vastgelegd in de BRI en daarvan niet mag afwijken, aangezien de Dienst Toeslagen en de inspecteur van de Belastingdienst twee aparte bestuursorganen zijn. De rechtbank heeft verwezen naar onder meer de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1048, onder 3.2, en 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1480, onder 4.1 en 2.
Beoordeling
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025
154-1159
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...