Pays-Bas Raad van State Fiscal 16 juillet 2025 N° 202501086/1/A2 NL

ECLI:NL:RVS:2025:3248 Raad van State , 16-07-2025 / 202501086/1/A2

Bij beslissing van 15 augustus 2024 heeft de BSA-commissie UvA Economie en Bedrijfskunde, namens het instellingsbestuur, aan [appellant] een bindend negatief studieadvies uitgebracht. Bij beslissing van 14 januari 2025 heeft het college van beroep voor de examens het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] is in het studieja...

Source officielle

6 min de lecture 1 121 mots

Inhoudsindicatie. Bij beslissing van 15 augustus 2024 heeft de BSA-commissie UvA Economie en Bedrijfskunde, namens het instellingsbestuur, aan [appellant] een bindend negatief studieadvies uitgebracht. Bij beslissing van 14 januari 2025 heeft het college van beroep voor de examens het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] is in het studiejaar 2023-2024 gestart met de bacheloropleiding Business Administration. Aan het eind van het eerste studiejaar heeft hij 42 van de 60 EC behaald. Niet in geschil is dat hij daarmee niet aan de eis van 48 EC voor een positief advies voldeed. Het CBE heeft het administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] te laat was met het indienen ervan en hij geen goede reden hiervoor heeft gegeven. [appellant] betoogt dat de examencommissie zijn e-mailbericht van 18 september 2024 had moeten opvatten als een administratief beroep gericht tegen het afgegeven BNSA.

202501086/1/A2.

Datum uitspraak: 16 juli 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 15 augustus 2024 heeft de BSA-commissie UvA Economie en Bedrijfskunde, namens het instellingsbestuur, aan [appellant] een bindend negatief studieadvies (hierna: BNSA) uitgebracht.

Bij beslissing van 14 januari 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 april 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Paijmans, advocaat in Utrecht, en het CBE, vertegenwoordigd door A. Kramer, via een videoverbinding aan de zitting hebben deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is in het studiejaar 2023-2024 gestart met de bacheloropleiding Business Administration. Aan het eind van het eerste studiejaar heeft hij 42 van de 60 EC behaald. Niet in geschil is dat hij daarmee niet aan de eis van 48 EC voor een positief advies voldeed.

Besluitvorming

2. Het CBE heeft het administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] te laat was met het indienen ervan en hij geen goede reden hiervoor heeft gegeven. Daaraan heeft het CBE ten grondslag gelegd dat [appellant] zijn administratief beroep op 26 november 2024 heeft ingediend, terwijl de termijn eindigde op 27 september 2024. Daarmee heeft hij zijn administratief beroep te laat ingediend. In het betoog van [appellant] dat het duidelijk was dat hij administratief beroep wilde instellen, omdat hij met verschillende bestuursorganen in contact was, heeft het CBE geen reden gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het de doorzendplicht niet heeft geschonden.

Het beroep en de beoordeling daarvan

3. [appellant] betoogt dat de examencommissie zijn e-mailbericht van 18 september 2024 had moeten opvatten als een administratief beroep gericht tegen het afgegeven BNSA. Omdat het CBE de bevoegde instantie is, had de examencommissie zich dienstbaar moeten opstellen. De intentie om administratief beroep in te stellen was volgens [appellant] duidelijk. De examencommissie had dat e-mailbericht met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht door moeten sturen naar het CBE, aldus [appellant].

3.1. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de examencommissie zijn e-mailbericht van 18 september 2024 als administratief beroepschrift tegen het BNSA had moeten lezen. In het onderwerp van dit e-mailbericht staat een duidelijke verwijzing, namelijk het zaaknummer 2024-095734, naar zijn procedure bij het CBE over de beoordeling met het eindcijfer 4,5 voor het vak "Principles of Economics and Business". In het bericht zelf betoogt [appellant] vooral dat en waarom het in stand laten van het cijfer onterecht is. Weliswaar benoemt hij dat het gevolg is dat hij met zijn studie zal moeten stoppen, maar daaruit hoefde de examencommissie niet op te maken dat hij administratief beroep wilde instellen tegen het BNSA. Dat het bericht had moeten worden aangemerkt als een administratief beroep gericht tegen het BNSA kan de Afdeling dan ook niet volgen.

4. Daarnaast betoogt [appellant] dat hij door de organen van de onderwijsinstelling op het verkeerde been is gezet. [appellant] had contact met de BSA-commissie over het aanstaande BNSA. Volgens [appellant] heeft die commissie hem gezegd niets te kunnen betekenen, omdat hij geen persoonlijke omstandigheden had aangevoerd die tot uitstel van het BNSA konden leiden. Vervolgens is hij voor zijn bezwaren tegen de beoordeling verwezen naar de examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde (hierna: de examencommissie). [appellant] betoogt dat hij geen actie heeft ondernomen omdat hij al verwikkeld was in een administratief beroepsprocedure gericht tegen die beoordeling. Het CBE was al op de hoogte, aldus [appellant].

4.1. Het BNSA was voorzien van een duidelijke rechtsmiddelenclausule, waarin letterlijk staat dat hij zich tot het CBE moest richten. Het betoog dat hij door de organen van de onderwijsinstelling waarmee hij destijds contact had – de examencommissie, de BSA-commissie en het CBE – op het verkeerde been is gezet, kan reeds daarom niet worden gevolgd. Daarbij komt dat de BSA-commissie op 2 oktober 2024 contact met [appellant] opnam om te controleren of hij wel administratief beroep had ingesteld omdat zij nog niets van het CBE had vernomen. De BSA-commissie schrijft: "[o]nze collega’s bij het CBE hebben echter geen verzoeken van jou ontvangen, en hiermee is het BNSA blijven staan. Als je in beroep wil gaan zou je dus contact moeten opnemen met het CBE, mocht je dit inmiddels nog niet gedaan hebben." Zelfs als [appellant] zich niet direct na de ontvangst van het BNSA bewust was geweest van de noodzaak om apart administratief beroep bij het CBE in te stellen, had hij naar het oordeel van de Afdeling zeker naar aanleiding van dit e-mailbericht actie moeten ondernemen door – op zijn minst – contact te zoeken met het CBE over het aanhangig zijn van een administratief beroep tegen het BNSA. In dat geval was de termijnoverschrijding wellicht nog verschoonbaar geweest. [appellant] heeft op dat moment echter geen actie ondernomen, maar pas anderhalve maand later, op 26 november 2024, administratief beroep ingesteld. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden maken naar het oordeel van de Afdeling niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het CBE heeft het administratief beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rijsdijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025

705-1043


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.