ECLI:NL:RVS:2025:3941 Raad van State , 04-06-2025 / 202400458/1/V2
Bij besluit van 30 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
4 min de lecture · 777 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 30 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
202400458/1/V2.
Datum uitspraak: 4 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 december 2023 in zaak nr. NL23.12771 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat in Gieten, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij is in 2000 op elfjarige leeftijd naar Nederland gekomen. In 2007 heeft de minister betrokkene een verblijfsvergunning regulier verleend op grond van een speciale regeling. In 2019 heeft de minister deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht, omdat betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 maanden. Op 30 september 2021 heeft betrokkene asiel aangevraagd.
2. De minister klaagt over het oordeel van de rechtbank dat uit openbare informatie niet duidelijk wordt of Afghanen die terugkeren na een verblijf in het Westen om die reden problemen ondervinden, dat betrokkene een westerse levensstijl heeft ontwikkeld, dat hij gebrekkig Dari spreekt en dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de combinatie van die omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerk, waardoor betrokkene zich niet zal kunnen aanpassen aan de thans geldende normen en waarden in Afghanistan. De minister betoogt dat uit openbare bronnen niet volgt dat alleen verblijf in het Westen tot een reëel risico op ernstige schade leidt. Ook betoogt de minister dat uit de verklaringen van betrokkene niet blijkt waaruit zijn verwestering bestaat en dat het gebrekkig spreken van het Dari geen onveranderlijk kenmerk is.
2.1. In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. Het betoog van de minister slaagt.
2.2. De minister betoogt eveneens terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de westerse levensstijl van betrokkene en het feit dat hij gebrekkig Dari spreekt, moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken zijn. Betrokkene heeft namelijk tijdens de gehoren verklaard dat hij de tolk in het Dari goed kan verstaan en begrijpen en dat hij half Nederlands en half Dari spreekt. Zoals de minister terecht betoogt, is het Dari de moedertaal van betrokkene en heeft hij tot zijn elfde levensjaar in Afghanistan gewoond en Dari gesproken. De minister betoogt daarom terecht dat van betrokkene verwacht mag worden dat hij het Dari snel weer onder de knie krijgt. Wat betreft de gestelde westerse levensstijl, betoogt de minister terecht dat betrokkene die niet verder heeft toegelicht, evenals de reden waarom hij zich bij terugkeer naar Afghanistan niet zou kunnen aanpassen aan de daar geldende normen. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat betrokkene praktiserend moslim is.
2.3. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 december 2023 in zaak nr. NL23.12771;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2025
307-1088
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...