Pays-Bas Raad van State Divers 22 octobre 2025 N° 202207310/1/R3 NL

ECLI:NL:RVS:2025:5061 Raad van State , 22-10-2025 / 202207310/1/R3

Bij besluit van 3 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 gelast de gebreken aan de panden op het perceel Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2] op te heffen. De opgelegde lasten onder dwangsom hebben betrekking op de staat van onderhoud van de panden Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2]. Ti...

Source officielle

6 min de lecture 1 187 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 3 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 gelast de gebreken aan de panden op het perceel Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2] op te heffen. De opgelegde lasten onder dwangsom hebben betrekking op de staat van onderhoud van de panden Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2]. Tijdens een controle op 19 april 2019 heeft een inspecteur gezien dat er gebreken zijn aan de panden. In de besluiten staat dat de panden niet meer voldoen aan het Bouwbesluit 2012. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, wegens zijn persoonlijke situatie. Hij wijst er in dat kader op dat hij wordt gestalkt door zijn nicht die volgens hem psychische problemen heeft. Om redenen die verband houden met deze persoonlijke situatie, was hij de enige die de werkzaamheden waarop de last zag kon uitvoeren en dat had meer tijd nodig dan de tijd die hem met de begunstigingstermijn was gegeven. Hij vindt dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan het feit dat hij wordt gestalkt en wijst er op dat stalking in het algemeen en de gevolgen daarvan voor slachtoffers meer serieus moet worden genomen door de overheid.

202207310/1/R3.

Datum uitspraak: 22 oktober 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en de Vereniging van eigenaren Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), wonend dan wel gevestigd in Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2022 in zaken nrs. 20/3921 21/5499 20/5760 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2019, kenmerk 201906799/7238817, heeft het college a [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 gelast de gebreken aan de panden op het perceel Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2] op te heffen.

Bij besluit van 9 april 2020 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar de begunstigingstermijn in het besluit van 3 september 2019, kenmerk 201906799/7238817, gewijzigd van 1 juli 2020 in 1 oktober 2020. Voor het overige is het besluit niet gewijzigd.

Bij besluit van 3 september 2019, kenmerk 201912403/7334322, heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 gelast de gebreken aan de panden op het perceel Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2] op te heffen.

Bij besluit van 9 april 2020 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar de begunstigingstermijn in het besluit van 3 september 2019, kenmerk 201912403/7334322, gewijzigd van 1 juli 2020 in 1 oktober 2020. Voor het overige is het besluit niet gewijzigd.

Bij besluit van 21 februari 2020 heeft het college aan [appellant] uitstel van betaling verleend tot 1 oktober 2020.

Bij besluit van 27 juli 2020 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 21 februari 2020 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 18 mei 2021, kenmerk 201906799/7936841, heeft het college een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 5.000,00 ingevorderd.

Bij besluit van 18 mei 2021, kenmerk 201912403/7936858, heeft het college een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 500,00 ingevorderd.

Bij uitspraak van 4 november 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten 9 april 2020, 18 mei 2021 en 27 juli 2020 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 8 oktober 2025, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser en P. van der Heiden, zijn verschenen.

Overwegingen

Vooraf

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluiten van 3 september 2019 heeft het college aan [appellant] lasten onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. De aan [appellant] bij besluiten van 3 september 2019 opgelegde lasten onder dwangsom hebben betrekking op de staat van onderhoud van de panden Columbusstraat [locatie 1] en [locatie 2]. Tijdens een controle op 19 april 2019 heeft een inspecteur gezien dat er gebreken zijn aan de panden. In de besluiten staat dat de panden niet meer voldoen aan het Bouwbesluit 2012.

Voor het verdere verloop van de procedure en de besluiten waar de uitspraak van de rechtbank betrekking op heeft wordt verwezen naar het procesverloop.

Beoordeling van het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, wegens zijn persoonlijke situatie. Hij wijst er in dat kader op dat hij wordt gestalkt door zijn nicht die volgens hem psychische problemen heeft. Om redenen die verband houden met deze persoonlijke situatie, was hij de enige die de werkzaamheden waarop de last zag kon uitvoeren en dat had meer tijd nodig dan de tijd die hem met de begunstigingstermijn was gegeven. Hij vindt dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan het feit dat hij wordt gestalkt en wijst er op dat stalking in het algemeen en de gevolgen daarvan voor slachtoffers meer serieus moet worden genomen door de overheid.

3.1. Wat door [appellant] in hoger beroep is aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat door hem in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan wat de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en wat daarover in 5.2 is overwogen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Conclusie en slot

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamphorst-Timmer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025

776


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.