ECLI:NL:RVS:2025:5190 Raad van State , 29-10-2025 / 202202968/1/R2
Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het gebruiken van een perceel aan de [locatie 1] in Baarlo voor detailhandel. [appellanten] wonen op de [locatie 2] in Baarlo. Eerder woonden zij op de [locatie 3], dus naast het perceel waarom het in deze zaak gaat. Ten tijde van het besluit op b...
4 min de lecture · 673 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het gebruiken van een perceel aan de [locatie 1] in Baarlo voor detailhandel. [appellanten] wonen op de [locatie 2] in Baarlo. Eerder woonden zij op de [locatie 3], dus naast het perceel waarom het in deze zaak gaat. Ten tijde van het besluit op bezwaar, dus op 11 november 2020, was dat al niet meer het geval. De vraag is daarom of zij nog belang hebben bij de uitkomst van deze zaak (procesbelang). [appellanten] zijn niet op de zitting verschenen, maar hebben die dag wel een brief gestuurd. Daarin staat over deze vraag: "Zij hebben onverkort gebruiksaanspraken op de bedrijfswoning en gebruiken die ook daadwerkelijk nog, maar zonder daar te wonen."
202202968/1/R2.
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Baarlo, gemeente Peel en Maas,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 maart 2022 in zaak nr. 21/92 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.
Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het gebruiken van een perceel aan de [locatie 1] in Baarlo voor detailhandel.
Bij besluit van 11 november 2020 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 maart 2022 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[partij] en [appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 oktober 2024, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.M. Stinges en mr. N.J.A.G. Alofs, is verschenen. Verder is op zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
1. [appellanten] wonen op de [locatie 2] in Baarlo. Eerder woonden zij op de [locatie 3], dus naast het perceel waarom het in deze zaak gaat. Ten tijde van het besluit op bezwaar, dus op 11 november 2020, was dat al niet meer het geval. De vraag is daarom of zij nog belang hebben bij de uitkomst van deze zaak (procesbelang).
2. [appellanten] zijn niet op de zitting verschenen, maar hebben die dag wel een brief gestuurd. Daarin staat over deze vraag: "Zij hebben onverkort gebruiksaanspraken op de bedrijfswoning en gebruiken die ook daadwerkelijk nog, maar zonder daar te wonen." Zo’n ongespecificeerde en onduidelijke stelling is niet genoeg om procesbelang aan te nemen.
3. De enige andere mogelijke band die er dan nog bestaat, is dat het perceel en de woning [locatie 3] eigendom zijn van JEPE Vastgoed Beheer B.V. [appellant B] heeft geen juridische band met die vennootschap. Haar procesbelang bij de uitkomst van deze zaak is dus in ieder geval weggevallen met haar verhuizing.
4. In deze zaak treedt [appellant A] uitsluitend als privé-persoon op, niet als vertegenwoordiger van de vennootschap. In de beroepsfase heeft de rechtbank de gemachtigde van [appellanten] gevraagd om een uittreksel uit het handelsregister en daarop heeft die gereageerd met "Nu ik namens [[appellanten]] (in privé persoon) beroep heb ingesteld, kan een dergelijk uittreksel niet worden overgelegd." Daarmee staat vast dat voor [appellant A] hetzelfde geldt als voor [appellant B].
5. Omdat voor beiden geldt dat zij als privé-persoon geen procesbelang hebben, is de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Kooten Niekerk, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Kooten Niekerk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025
1140
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...