Pays-Bas Raad van State Divers 3 novembre 2025 N° 202504904/1/V3 NL

ECLI:NL:RVS:2025:5261 Raad van State , 03-11-2025 / 202504904/1/V3

Bij besluiten van 12 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluiten van 5 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij uitspraak van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door ap...

Source officielle

4 min de lecture 844 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluiten van 12 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluiten van 5 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij uitspraak van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 augustus 2025 vernietigd.

202504904/1/V3.
Datum uitspraak: 3 november 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36382 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 12 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij besluiten van 5 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 augustus 2025 vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Wat appellant in zijn eerste grief over de proceskostenveroordeling heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Appellant voert in zijn tweede grief terecht aan dat de rechtbank ten onrechte de gronden tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 niet heeft besproken. Hij heeft beroep tegen deze besluiten ingesteld. Dat beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op het terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 augustus 2025. De rechtbank heeft alleen het beroep tegen de besluiten van 5 augustus 2025 beoordeeld, terwijl zij eerst had moeten beoordelen of het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 rechtmatig waren.

2.1. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 12 juli 2025 niet heeft behandeld. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

4. Appellant betoogt tevergeefs dat de minister ten onrechte het terugkeerbesluit van 12 juli 2025 heeft genomen. Hij heeft namelijk sinds 29 september 2024 geen rechtmatig verblijf in Nederland. Dit heeft hij niet betwist. Daarom was de minister op grond van artikel 62a van de Vw 2000 in beginsel gehouden om een terugkeerbesluit te nemen. Verder betoogt appellant tevergeefs dat de minister ten onrechte een inreisverbod van twee jaar heeft uitgevaardigd, dan wel dit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft de door appellant tijdens het gehoor naar voren gebrachte omstandigheden, te weten dat hij een neef heeft in Duitsland en dat hij probeert van zijn alcoholverslaving af te komen, kenbaar betrokken in haar besluit en daarin geen aanleiding hoeven zien om van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Anders dan appellant betoogt, heeft de minister dus bij besluiten van 12 juli 2025 krachtens artikel 62a en 66a, tweede lid, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit mogen nemen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen hem mogen uitvaardigen en dit ook deugdelijk gemotiveerd. Appellant heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.

4.1. De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36382, voor zover de rechtbank het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 niet heeft behandeld;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025

47-1125


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.