ECLI:NL:RVS:2025:5641 Raad van State , 20-11-2025 / 202504126/2/R4
Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe het bestemmingsplan "Elst, Lingezicht" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 395 woningen mogelijk op open, voorheen agrarische gronden aan de noordkant van de Ceintuurbaan in Elst. De woning van [verzoeker] ligt aan de Stapelwolk, recht tegenover het plangebied, op ruim 50 m van de te realiseren uitrit waa...
7 min de lecture · 1 525 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe het bestemmingsplan "Elst, Lingezicht" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 395 woningen mogelijk op open, voorheen agrarische gronden aan de noordkant van de Ceintuurbaan in Elst. De woning van [verzoeker] ligt aan de Stapelwolk, recht tegenover het plangebied, op ruim 50 m van de te realiseren uitrit waardoor het plangebied via de Ceintuurbaan wordt ontsloten. Hij vreest voor een verlies van zijn uitzicht en een toename van verkeer en geluidsoverlast als gevolg van de woningbouw die het bestemmingsplan mogelijk maakt. [verzoeker] heeft binnen de beroepstermijn een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingediend, zodat op grond van artikel 8.4 van de Wro de werking van het bestemmingsplan is opgeschort totdat op dat verzoek is beslist. Het verzoek is erop gericht te bereiken dat het gehele plan tijdens de bodemprocedure geschorst blijft. Overigens hebben meerdere appellanten beroep ingesteld tegen het plan.
202504126/2/R4.
Datum uitspraak: 20 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker], wonend in Elst, gemeente Overbetuwe,
verzoeker,
en
de raad van de gemeente Overbetuwe,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Elst, Lingezicht" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 november 2025, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. R.H. de Kamper, rechtsbijstandverlener in Leusden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.C.T. Bijveld, advocaat in Arnhem, mr. M.J. Tunnissen, advocaat in Amsterdam, N.P.M. Maes en T.H. Ahoud, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. A.L.M. de Jong, advocaat in Nijmegen, en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 395 woningen mogelijk op open, voorheen agrarische gronden aan de noordkant van de Ceintuurbaan in Elst. De woning van [verzoeker] ligt aan de Stapelwolk, recht tegenover het plangebied, op ruim 50 m van de te realiseren uitrit waardoor het plangebied via de Ceintuurbaan wordt ontsloten. Hij vreest voor een verlies van zijn uitzicht en een toename van verkeer en geluidsoverlast als gevolg van de woningbouw die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
[verzoeker] heeft binnen de beroepstermijn een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingediend, zodat op grond van artikel 8.4 van de Wro de werking van het bestemmingsplan is opgeschort totdat op dat verzoek is beslist. Het verzoek is erop gericht te bereiken dat het gehele plan tijdens de bodemprocedure geschorst blijft. Overigens hebben meerdere appellanten beroep ingesteld tegen het plan.
Beoordeling van het verzoek
4. De voorzieningenrechter zal hieronder een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestemmingsplan geven. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een inschatting maakt van de kans van slagen van de belangrijkste door [verzoeker] aangevoerde beroepsgronden in de bodemprocedure. Als de voorzieningenrechter in die beroepsgronden redenen vindt voor gerede twijfel of het bestemmingsplan in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven, kan dat aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen zodat het bestemmingsplan geschorst blijft.
5. [verzoeker] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Verordening) is vastgesteld. Hij voert aan dat er in de regionale woonafspraken tussen het college van Gedeputeerde Staten en gemeentebesturen geen toestemming is gegeven voor het bouwen van alle 395 nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, terwijl een plan volgens de Verordening alleen nieuwe woningen mag toelaten als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken.
5.1. Zoals de raad heeft toegelicht, zijn het bestemmingsplan en de 395 nieuwe woningen die het plan mogelijk maakt, geregistreerd in het Dashboard Planregistratie Wonen van de provincie Gelderland, waarin alle woningbouwplannen van Gelderland zijn opgenomen. Omdat de in het plan voorziene woningbouwplannen in het openbare register van de provincie zijn vastgelegd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om [verzoeker] te volgen in zijn betoog dat het plan niet past binnen de regionale woonafspraken van de provincie. Overigens heeft de raad er ook nog op gewezen dat de Regisseur Ruimte GMR van het college van Gedeputeerde Staten in een e-mail van 30 oktober 2025 heeft verklaard dat het college in 2024 na beoordeling van het plan heeft geconcludeerd dat het past binnen de regionale woonafspraken.
6. [verzoeker] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het aanleggen van een geluidarm wegdek op de Ceintuurbaan niet noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat geluidbelasting op zijn woning na de realisatie van het bestemmingsplan aanvaardbaar blijft. Hij verwijst naar het "Akoestisch onderzoek woningbouwlocatie Lingezicht te Elst" van Geluid Plus Adviseurs van 21 mei 2024 (hierna: het akoestisch onderzoek), waarin wordt geconcludeerd dat het plan zal leiden tot een significante verhoging van de geluidbelasting door de verkeerstoename.
6.1. De raad heeft erop gewezen dat bij besluit van 22 mei 2016 voor de woningen aan de Stapelwolk, waaronder voor de woning van [verzoeker], een hogere waarde van 58 dB is vastgesteld, terwijl uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting na realisering van het bestemmingsplan slechts toeneemt tot 56 dB. Gelet op de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van het besluit van 22 mei 2016, hebben deze woningen volgens het akoestisch onderzoek al voldoende geluidwering om het maximale geluidniveau in de woningen van 33 dB te kunnen borgen na de realisatie van het plan. Hierdoor zijn maatregelen zoals een geluidarm wegdek niet nodig ondanks dat het plan leidt tot een significante toename in de geluidbelasting. De voorzieningenrechter ziet geen reden waarom de raad niet kon afgaan op de conclusies van het akoestisch onderzoek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad daarom voldoende gemotiveerd dat de geluidbelasting op de woningen aan de Stapelwolk als gevolg van het plan ook zonder het geluidarme wegdek aanvaardbaar blijft.
7. [verzoeker] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat de woningbouw die door het plan mogelijk wordt gemaakt, zijn uitzicht significant zal beperken, terwijl het uitwerkingsplan "Elst, Groenoordstrip" (hierna: het uitwerkingsplan) dat ter plaatse van zijn woning van toepassing is, volgens hem garandeert dat het vrije uitzicht ongewijzigd blijft. De landschappelijke inpassing van het bestemmingsplan is volgens hem hiervoor onvoldoende.
7.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
Ten tijde van het vaststellen van het uitwerkingsplan gold de situatie dat de woningen die met het uitwerkingsplan mogelijk werden gemaakt, uitzicht hadden op gronden met een open structuur zonder woningbouw. De voorzieningsrechter ziet echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met het vaststellen van het uitwerkingsplan een toezegging is gedaan waaruit [verzoeker] kon en mocht afleiden dat die situatie in de toekomst ongewijzigd zou blijven. Verder heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat rechtsonzekerheid is ontstaan omdat de door hem gewenste situatie wordt gewijzigd door het bestemmingsplan. Omdat er geen toezegging is gedaan dat [verzoeker] vrije uitzicht geheel zou worden behouden, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het landschappelijke inpassingsplan tekortschiet alleen om de reden dat hiermee het vrije uitzicht niet geheel wordt behouden. In wat [verzoeker] aanvoert, ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit in de bodemprocedure stand zal houden. Er bestaat daarom geen aanleiding om in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen.
9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
voorzieningenrechter
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025
418-1098
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...