ECLI:NL:RVS:2025:5659 Raad van State , 21-11-2025 / 202501187/1/V3
Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
3 min de lecture · 627 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
202501187/1/V3.
Datum uitspraak: 21 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.6020 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door T. de Boer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS) geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1. Betrokkene verzoekt de Afdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting prejudiciële vragen te stellen over wat er moet worden verstaan onder een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van de Opvangrichtlijn.
De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 26 februari 2025 uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om hierover prejudiciële vragen te stellen. Volledigheidshalve wijst de Afdeling daarnaast op de gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4570.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3. Betrokkene voert aan dat hij gedurende zijn grensdetentie van 29 januari 2025 tot en met 9 februari 2025 op de tweede verdieping van het JCS verbleef, waar hij meer uren per dag in zijn cel werd ingesloten dan vreemdelingen die daar op de eerste verdieping waren gedetineerd. Dit is volgens hem in strijd met artikel 14, gelezen samen met artikel 5 van het EVRM.
3.1. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 29 januari 2025 geoordeeld dat de omstandigheden waaronder betrokkene in het JCS heeft verbleven, niet maken dat het JCS geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is. Verder heeft zij in die uitspraak, onder 4.4.2, geoordeeld dat de bevoegdheid van de bestuursrechter om detentieomstandigheden te toetsen, niet verder strekt dan de beoordeling of de detentie plaatsvindt in een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie.
3.2. Alleen al daarom slaagt de beroepsgrond niet.
4. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.6020;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025
1020
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...