ECLI:NL:RVS:2025:5736 Raad van State , 26-11-2025 / 202300361/1/A3
Bij besluit van 23 juni 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid met ingang van 1 juli 2020 de inschrijvingen van [appellant sub 1] in het Register beëdigde tolken en vertalers doorgehaald en bepaald dat [appellant sub 1] tot en met 1 juli 2025 geen nieuw verzoek tot inschrijving als tolk en/of vertaler in het Rbtv kan indienen. Op 31 oktober 2019 respectievelijk 22 november 2019 ontvi...
14 min de lecture · 3 071 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 23 juni 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid met ingang van 1 juli 2020 de inschrijvingen van [appellant sub 1] in het Register beëdigde tolken en vertalers doorgehaald en bepaald dat [appellant sub 1] tot en met 1 juli 2025 geen nieuw verzoek tot inschrijving als tolk en/of vertaler in het Rbtv kan indienen. Op 31 oktober 2019 respectievelijk 22 november 2019 ontving Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers een tweetal klachten, van Tolk- en Vertaalcentrum Nederland en van de Raad voor Rechtsbijstand, over [appellant sub 1]. In de klachten werd beschreven dat [appellant sub 1] onbevoegd gebruik heeft gemaakt van het klantaccount van de Raad om niet-bestaande tolkopdrachten aan te maken. Deze niet-bestaande tolkopdrachten accepteerde hij in zijn eigen tolkaccount, om deze vervolgens binnen vier uur voor aanvang van de betreffende tolkopdracht te annuleren met het klantaccount.
202300361/1/A3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],
2. de minister van Justitie en Veiligheid,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 9 december 2022 in zaak nr. 20/3705 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2020 heeft de minister met ingang van 1 juli 2020 de inschrijvingen van [appellant sub 1] in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: Rbtv) doorgehaald en bepaald dat [appellant sub 1] tot en met 1 juli 2025 geen nieuw verzoek tot inschrijving als tolk en/of vertaler in het Rbtv kan indienen.
Bij besluit van 12 november 2020 heeft de minister het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 november 2020 vernietigd, voor zover de minister bij het inschrijvingsverbod en de publicatie is gebleven, en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de minister hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 1] en de minister hebben beiden een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 31 januari 2023 heeft de minister het bezwaar van [appellant sub 1] opnieuw ongegrond verklaard en de periode dat [appellant sub 1] geen nieuw verzoek tot inschrijving als tolk en/of vertaler in het Rbtv kan indienen, gewijzigd naar tot en met 31 januari 2023.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 oktober 2025, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.A.C. Klein Hesselink, advocaat in Terneuzen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.E.S. Tomeij, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant sub 1] stond sinds 2015 ingeschreven als tolk in het Rbtv in de talencombinaties:
Nederlands – Arabisch (Irakees),
Nederlands – Arabisch (Palestijns-Jordaans) en
Nederlands – Arabisch (Syrisch-Libanees).
2.1. Op 31 oktober 2019 respectievelijk 22 november 2019 ontving Bureau Wet beëdigde tolken en vertalers een tweetal klachten, van Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (nu: Global Talk, hierna: TVcN) en van de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de Raad), over [appellant sub 1]. In de klachten werd beschreven dat [appellant sub 1] onbevoegd gebruik heeft gemaakt van het klantaccount van de Raad om niet-bestaande tolkopdrachten aan te maken. Deze niet-bestaande tolkopdrachten accepteerde hij in zijn eigen tolkaccount, om deze vervolgens binnen vier uur voor aanvang van de betreffende tolkopdracht te annuleren met het klantaccount. Op deze manier maakte [appellant sub 1] aanspraak op een volledige vergoeding voor de niet-bestaande en geannuleerde tolkopdrachten, waardoor hij in totaal € 45.000,00 aan vergoedingen uitbetaald heeft gekregen over de periode 2017 tot en met 2019, aldus TVcN en de Raad. De Klachtencommissie Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Klachtencommissie) heeft de klachten onderzocht, gegrond verklaard en de minister geadviseerd om [appellant sub 1] in het Rbtv door te halen en te bepalen dat hij tien jaar geen nieuw verzoek tot inschrijving kan doen.
2.2. Met het besluit van 23 juni 2020 heeft de minister de inschrijving van [appellant sub 1] in het Rbtv als tolk in de onder 2 genoemde talencombinaties op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) met ingang van 1 juli 2020 doorgehaald en, op grond van het tweede lid van dat artikel, bepaald dat [appellant sub 1] tot en met 1 juli 2025 geen nieuw verzoek tot inschrijving als tolk of vertaler kan indienen. Volgens de minister heeft [appellant sub 1] over de periode van 2017 tot en met 2019 evident ten onrechte uitbetaalde annuleringsvergoedingen voor een bedrag van in totaal € 45.000,00 ontvangen, zonder deze terug te storten. Dit bedrag heeft [appellant sub 1], volgens de minister, verkregen door zelf niet-bestaande tolkopdrachten te hebben aangemaakt, geaccepteerd en geannuleerd. Deze gedragingen vormen samen, maar ook ieder afzonderlijk, ernstige feiten of omstandigheden over de integriteit van [appellant sub 1] en zijn zodanig in strijd met de integriteit en attitude die van een beëdigd tolk moet worden verlangd en die het Rbtv beoogt te waarborgen, dat inschrijving in het Rbtv in dit geval niet langer gerechtvaardigd is, aldus de minister. Tot slot heeft de minister meegedeeld dat van het besluit van 23 juni 2020, conform artikel 11 van de Wbtv, mededeling zal worden gedaan in de Staatscourant.
2.3. Met het besluit van 12 november 2020 is de minister bij zijn eerdere besluit gebleven. [appellant sub 1] is het daarmee niet eens aan en heeft daarom beroep ingesteld.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat, omdat [appellant sub 1] over de periode van 2017 tot en met 2019 onverschuldigde annuleringsvergoedingen heeft ontvangen zonder deze terug te storten, de minister zich alleen al daarom redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat is gebleken van ernstige feiten en omstandigheden die gaan over de integriteit van [appellant sub 1].
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 12 november 2020 ten aanzien van het zelf aanmaken, accepteren en annuleren van niet-bestaande tolkopdrachten, onzorgvuldig is voorbereid. Volgens de rechtbank is het inschrijvingsverbod een belastend besluit voor [appellant sub 1]. Dit brengt met zich dat de minister de gedraging die [appellant sub 1] wordt verweten, al dan niet met behulp van een deskundige, zelf had moeten vaststellen, omdat de vaststellingen zijn gebaseerd op ICT-gegevens (logfiles), . Echter, de minister heeft de vaststelling van deze gedraging alleen gebaseerd op gegevens, namelijk Excelbestanden, die door de klagers zijn overgelegd, zonder deze te verifiëren. Het besluit van 12 november 2020 is daarom onzorgvuldig voorbereid, aldus de rechtbank.
Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de mededeling in de Staatscourant van het besluit tot doorhaling kwalificeert als een beslissing die vatbaar is voor beroep. Volgens de rechtbank is de mededeling onlosmakelijk onderdeel van de doorhaling zelf, zodat daartegen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister een belangenafweging had moeten maken tussen het belang van publicatie van de volledige naam van [appellant sub 1] in de Staatscourant en de gevolgen die deze publicatie voor [appellant sub 1] zou kunnen hebben. Aangezien de minister deze afweging niet heeft gemaakt, is het besluit van 12 november 2020 in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd, aldus de rechtbank.
Hoger beroep van [appellant sub 1]
4. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich alleen al op basis van het ontvangen van onverschuldigde vergoedingen voor geannuleerde tolkopdrachten, zonder deze terug te storten, redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat is gebleken van ernstige feiten en omstandigheden die gaan over zijn integriteit. De rechtbank heeft immers zelf geoordeeld dat de minister de gedraging die daaraan vooraf zou zijn gegaan en die zou hebben geleid tot uitbetaling van de bedragen niet redelijkerwijs heeft kunnen vaststellen. Als hem niet kan worden verweten dat hij zelf niet-bestaande tolkopdrachten heeft aangemaakt, geaccepteerd en vervolgens geannuleerd, kan helemaal geen sprake zijn van onverschuldigde vergoedingen, zodat het hem ook niet worden verweten dat hij deze bedragen niet heeft teruggestort. Het is namelijk vaste werkwijze van TVcN dat, als een tolkdienst om welke reden dan ook wordt geannuleerd, de tolk die de opdracht heeft geaccepteerd, recht heeft op een vergoeding, aldus [appellant sub 1].
4.1. De Afdeling geeft [appellant sub 1] gelijk. De Afdeling licht haar oordeel als volgt toe.
4.2. Volgens de minister staat vast dat sprake is van niet-bestaande tolkopdrachten en kan [appellant sub 1] daarom worden verweten dat hij de daarvoor ontvangen annuleringsvergoedingen heeft behouden. De Afdeling volgt de minister daarin niet. Niet in geschil is dat door het ontbreken van eigen onderzoek van de minister niet aannemelijk is geworden dat [appellant sub 1] zelf niet-bestaande tolkopdrachten heeft aangemaakt en geannuleerd. Dit hebben partijen tijdens de zitting van de Afdeling desgevraagd bevestigd. Verder volgt uit de dienstverleningsovereenkomst tussen de Raad en TVcN dat een dienst bij annulering binnen een bepaald tijdsbestek voorafgaand aan de start daarvan voor vergoeding in aanmerking komt. In beginsel zijn dergelijke annuleringsvergoedingen dus niet onverschuldigd. Gelet daarop, kan [appellant sub 1] alleen worden verweten dat hij stilzwijgend uitbetaalde annuleringsvergoedingen heeft ontvangen en behouden, als aannemelijk is dat [appellant sub 1] wist of had moeten weten dat sprake was van niet-bestaande tolkopdrachten.
4.3. Volgens de minister volgt uit de klacht dat in 2019 de door [appellant sub 1] ontvangen annuleringsvergoedingen 70% uitmaakten van de totale vergoeding die [appellant sub 1] van TVcN dat jaar ontving. Ook zou [appellant sub 1] wat betreft ontvangen annuleringsvergoedingen in 2018 met € 16.000 veruit bovenaan staan. De tweede tolk op de lijst zou ongeveer € 1.600 aan annuleringsvergoedingen hebben ontvangen. Het voorgaande maakt dat de annuleringsvergoedingen zo hoog zijn dat [appellant sub 1] dit had moeten opmerken, aldus de minister.
4.4. De minister heeft op de zitting uitgelegd dat het niet meer mogelijk was om onderzoek te doen naar de annuleringen, omdat het softwaresysteem voor tolkenopdrachten is vervangen en de gegevens uit het oude systeem niet meer konden worden teruggehaald. De minister heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat [appellant sub 1] zelf de hand heeft gehad in het aanmaken en annuleren van opdrachten. Uit de aantallen en hoogten van de vergoedingen kan niet zonder meer worden afgeleid dat [appellant sub 1] ervan op de hoogte was of had moeten zijn dat het ging om niet-bestaande tolkopdrachten dan wel ten onrechte uitbetaalde bedragen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de minister daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van evident ten onrechte uitbetaalde annuleringsvergoedingen of dat deze zo hoog waren dat [appellant sub 1] dit had moeten opmerken. Ook heeft de minister dit niet anderszins aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het besluit van 12 november 2020 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen.
Het betoog slaagt.
5. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond.
Hoger beroep van de minister
6. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling van het besluit tot doorhaling in de Staatscourant een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is. Hij voert daartoe aan dat de mededeling van de doorhaling in de Staatscourant geen publiekrechtelijke rechtshandeling is, omdat deze niet op een rechtsgevolg is gericht.
6.1. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk geoordeeld dat de mededeling een onlosmakelijk onderdeel is van het besluit tot doorhaling, zodat bij een bezwaar of beroep tegen de doorhaling de publicatie ook kan worden aangevochten. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot deze conclusie is gekomen.
Het betoog slaagt niet.
7. Verder betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister een belangenafweging had moeten maken tussen het belang van publicatie van de volledige naam van [appellant sub 1] in de Staatscourant en de gevolgen die deze publicatie voor hem zou kunnen hebben. Volgens de minister moeten dezelfde gegevens worden gepubliceerd als de gegevens die ingevolge artikel 2, eerste lid Wbtv in het register worden opgenomen. Er is volgens de minister geen ruimte voor een belangenafweging, omdat er een plicht is tot mededeling in de Staatscourant bij een doorhaling en dit is bedoeld als controlemechanisme. Immers, wanneer een tolk wordt doorgehaald verdwijnen zijn naam en Wbtv-nummer uit het Rbtv. Als de minister niet de naam en het nummer van een doorgehaalde tolk publiceert, kan een opdrachtgever niet meer controleren of de betreffende tolk ten tijde van de opdracht nog wel in het Rbtv geregistreerd stond, aldus de minister.
7.1. Op grond van artikel 11 van de Wbtv wordt van een beschikking tot doorhaling mededeling gedaan in de Staatscourant. Bij het toepassen van voornoemde bepaling heeft de minister geen keuzevrijheid. Het gaat dus om een gebonden bevoegdheid. Uit de wettekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan volgt wat de mededeling in de Staatscourant moet inhouden. Het is daarom aan de minister om in te vullen hoe hij die mededeling doet. Naar het oordeel van de Afdeling sluit de minister daarvoor terecht aan bij de gegevens die op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wbtv in elk geval in het Rbtv moeten worden opgenomen. Het doel van de Wbtv, en het daarmee ingestelde Rbtv, is immers het waarborgen van de kwaliteit van tolken en vertalers. Afnemers moeten, ook na afloop van een opdracht, kunnen controleren of een tolk of vertaler ten tijde van die opdracht nog in het Rbtv stond ingeschreven. Als een tolk of vertaler ten tijde van een opdracht is doorgehaald, kan dit gevolgen hebben voor de (rechterlijke) beslissingen die op het werk van de doorgehaalde tolk of vertaler zijn gebaseerd. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen.
Het betoog slaagt.
8. Het hoger beroep van de minister is ook gegrond.
Conclusie
9. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het hoger beroep van de minister is ook gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Gelet op wat is overwogen over het hoger beroep van [appellant sub 1], de omstandigheid dat geen van de partijen in hoger beroep is gekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat door het ontbreken van eigen onderzoek van de minister niet aannemelijk is dat [appellant sub 1] zelf niet-bestaande tolkopdrachten heeft aangemaakt en geannuleerd en de verklaring van de minister tijdens de zitting van de Afdeling dat nader onderzoek ook niet meer mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal het besluit van 12 november 2020 daarom geheel vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, het besluit van 23 juni 2020 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat de minister de doorhaling ongedaan moet maken.
10. Met de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank is aan het besluit van 31 januari 2023 de grondslag komen te ontvallen. De Afdeling zal dit besluit daarom vernietigen.
11. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank in zijn geheel vernietigt, worden de proceskosten in beroep opnieuw bepaald.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister van Justitie en Veiligheid gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 9 december 2022 in zaak nr. 20/3705,
IV. verklaart het beroep gegrond;
V. vernietigt het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid van 12 november 2020, kenmerk 0016-20;
VI. herroept het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid van 23 juni 2020, kenmerk 15-2019 en 18-2019;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VIII. vernietigt het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid van 31 januari 2023, kenmerk 0016-20;
IX. veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.624,75, waarvan 4.988,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
X. gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid het door [appellant sub 1] voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 452,00 vergoedt;
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
1072
BIJLAGE
Wet beëdigde tolken en vertalers
Artikel 9
1. De inschrijving in het register kan worden doorgehaald indien Onze Minister is gebleken van ernstige feiten of omstandigheden, de integriteit of de vakbekwaamheid van de beëdigde tolk of vertaler betreffende.
2. Bij de beschikking tot doorhaling van de inschrijving wordt bepaald binnen welke periode geen nieuw verzoek tot inschrijving in het register kan worden gedaan. Deze periode bedraagt ten hoogste tien jaren.
3. Hangende het onderzoek of er reden is tot doorhaling over te gaan, kan de inschrijving van een beëdigde tolk of vertaler tijdelijk worden doorgehaald.
4. Indien een beëdigde tolk of vertaler niet binnen twee maanden inschrijving is beëdigd, kan Onze Minister besluiten de inschrijving in het register door te halen.
5. De inschrijving in het register wordt in elk geval doorgehaald bij overlijden van de ingeschrevene en op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene.
Artikel 11
1. Van een beschikking tot doorhaling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
2. Van een beschikking tot tijdelijke doorhaling en tot beëindiging van de tijdelijke doorhaling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Gedragscode voor tolken en vertalers in het kader van de Wbtv
Artikel 1.1. Algemeen
Tolken en vertalers gedragen zich zodanig dat het vertrouwen in de beroepsgroep waartoe zij behoren en in hun eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad, ook wanneer zij niet beroepshalve optreden.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...