Pays-Bas Raad van State Social 26 novembre 2025 N° 202500600/1/A2 NL

ECLI:NL:RVS:2025:5741 Raad van State , 26-11-2025 / 202500600/1/A2

Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Op 24 oktober 2023 heeft [appellant] een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Daarbij heeft hij toegelicht dat zijn broer onlangs een zelfmoordpoging heeft gedaan en aan psychische problemen lijdt. Er is constant ruzie tusse...

Source officielle

9 min de lecture 1 871 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Op 24 oktober 2023 heeft [appellant] een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Daarbij heeft hij toegelicht dat zijn broer onlangs een zelfmoordpoging heeft gedaan en aan psychische problemen lijdt. Er is constant ruzie tussen hen en ook zijn gezondheid lijdt eronder. Hij voelt zich hierdoor niet meer veilig thuis. [appellant] is naar Nederland gevlucht. Op zijn verzoek heeft het COA in samenwerking met de gemeente Bergen voor hem en zijn broer die al onzelfstandig woonde in deze gemeente, voor een woning gezorgd. Zij huren sinds 11 januari 2021 samen een driekamerappartement aan de [locatie] in Bergen. Volgens het college verkeert hij niet in een zodanige noodsituatie dat verhuizen op zeer korte termijn noodzakelijk is. Bovendien heeft hij niet aangetoond dat hij zijn woning moet verlaten vanwege medische en/of sociale problematiek.

202500600/1/A2.

Datum uitspraak: 26 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Bergen (NH),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 18 december 2024 in zaak nr. 24/6223 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 september 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Hoefs, advocaat in Alkmaar, vergezeld door B. Zaghdoud, tolk, en het college, vertegenwoordigd door D. Schilling en J. van der Vlies, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is naar Nederland gevlucht. Op zijn verzoek heeft het COA in samenwerking met de gemeente Bergen voor hem en zijn broer die al onzelfstandig woonde in deze gemeente, voor een woning gezorgd. Zij huren sinds 11 januari 2021 samen een driekamerappartement aan de [locatie] in Bergen.

2. Op 24 oktober 2023 heeft [appellant] een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Daarbij heeft hij toegelicht dat zijn broer onlangs een zelfmoordpoging heeft gedaan en aan psychische problemen lijdt. Er is constant ruzie tussen hen en ook zijn gezondheid lijdt eronder. Hij voelt zich hierdoor niet meer veilig thuis.

3. Het college heeft op 18 december 2023 na een advies van de Regionale Urgentiecommissie van 6 december 2023 geweigerd [appellant] een urgentieverklaring te verlenen. Volgens het college verkeert hij niet in een zodanige noodsituatie dat verhuizen op zeer korte termijn noodzakelijk is. Bovendien heeft hij niet aangetoond dat hij zijn woning moet verlaten vanwege medische en/of sociale problematiek.

4. Verder heeft het college op 8 augustus 2024 het bezwaar na een medisch advies van 26 maart 2024 en een aanvullend advies van 28 maart 2024, opgesteld door arts A. Krijger van Trompetter & Partners, en onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor bezwaarschriften van 22 juli 2024 met een aanvullende motivering ongegrond verklaard. Volgens het college is [appellant] in staat zelf zijn woonprobleem op te lossen.

Uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag om een urgentieverklaring mocht afwijzen. Daarbij is de rechtbank met het college van oordeel dat artikel 19, tweede lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Bergen 2023-2027 (hierna: de huisvestingsverordening) wel beoordelingsruimte biedt, maar geen ruimte laat voor een belangenafweging. Volgens de rechtbank mocht het college verder concluderen dat [appellant], al dan niet met de aangeboden hulp van de gemeente, in staat was het woonprobleem zelf binnen zes maanden op te lossen. Hij heeft echter herhaaldelijk geen gebruikt gemaakt van de hulpaanbiedingen van het college. Daarbij mocht het college ook betrekken dat de alternatieve woonvormen voor hem niet medisch zijn uitgesloten en dat hij onvoldoende pogingen heeft gedaan om zijn woonprobleem zelf op te lossen. Verder heeft hij onvoldoende onderbouwd dat iedere alternatieve woonvorm financieel onhaalbaar is.

6. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende en navolgbaar heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de specifieke feiten en omstandigheden leiden tot een onbillijke situatie van overwegende aard in verhouding tot anderen die niet voldoen aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring.

Oordeel van de Afdeling

7. De Afdeling bespreekt hieronder de hogerberoepsgronden van [appellant].

Heeft het college beleidsruimte?

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 19, tweede lid, van de huisvestingsverordening geen ruimte laat voor een belangenafweging. Daarbij wijst hij erop dat in de bepaling gebruik wordt gemaakt van terminologie die past bij beleidsruimte. Volgens hem had het college per betrokken criterium uit het tweede lid moeten motiveren dat toepassing daarvan niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

8.1. Artikel 19, eerste en tweede lid, huisvestingsverordening bepalen:

Artikel 19. Beslissing op de aanvraag

1. Burgemeester en wethouders weigeren de aangevraagde urgentieverklaring indien:

a) de aanvrager gelet op artikel 10, tweede lid, van de wet of artikel 3 niet voor een huisvestingsvergunning in aanmerking komt;

b) de aanvrager gelet op het bepaalde in het tweede en derde lid niet voor de urgentieverklaring in aanmerking komt; of

c) bij burgemeester en wethouders van een andere gemeente in de woningmarktregio een door aanvrager ingediende aanvraag om urgentieverklaring in behandeling is.

2. Burgemeester en wethouders kunnen de aangevraagde urgentieverklaring weigeren indien naar hun oordeel:

a) geen sprake is van een noodsituatie;

b) de aanvrager in staat is om zijn woonprobleem zelf op te lossen;

c) het woonprobleem geheel of in overwegende mate is ontstaan als gevolg van verwijtbaar doen of nalaten door aanvrager of een lid van zijn huishouden;

d) bij de aanvrager sprake is van huurschulden of het veroorzaken van woonoverlast;

e) de aangevraagde urgentieverklaring onvoldoende geschikt is om het woonprobleem van aanvrager duurzaam op te lossen; of,

f) het woonprobleem van aanvrager sneller of adequater kan worden opgelost dan door verlening van de aangevraagde urgentieverklaring.

8.2. De Afdeling stelt vast dat het eerste lid van artikel 19 van de huisvestingsverordening dwingend is geformuleerd. Naar het oordeel van de Afdeling impliceert in dit geval de term "kunnen" in het tweede lid vanwege de samenhang met het eerste lid slechts dat het college de in het tweede lid vermelde weigeringsgronden ter beschikking staan. De term "kunnen" in het tweede lid verwijst daarmee naar de opsomming van specifieke weigeringsgronden die in het tweede lid zijn opgenomen. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat artikel 19, tweede lid, van de huisvestingsverordening geen ruimte laat voor een belangenafweging.

8.3. Het college beschikt wel over beoordelingsruimte bij de vraag of aan de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden is voldaan. Als het college tot het oordeel komt dat aan een weigeringsgrond in het tweede lid is voldaan, dan schrijft het eerste lid gebiedend voor dat het college een urgentieverklaring moet weigeren.

8.4. De Afdeling merkt nog op dat in artikel 35 van de huisvestingsverordening een algemene hardheidsclausule is opgenomen. Deze hardheidsclausule biedt het college ruimte voor een volledige belangenafweging, waarbij het alle omstandigheden van het geval betrekt. Daarbij weegt het college of de tegengeworpen weigeringsgrond niettemin leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

8.5. Het betoog slaagt niet.

Mocht het college de aanvraag afwijzen?

9. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht weigeren omdat hij in staat is om zijn woonprobleem binnen zes maanden zelf op te lossen. Hij stelt dat hij al voorafgaand aan de aanvraag alles heeft gedaan wat mogelijk is om andere passende woonruimte te verkrijgen. Onder verwijzing naar een in beroep overgelegd medisch advies betoogt hij dat een duurzame oplossing voor zijn woonprobleem noodzakelijk is. Onzelfstandige woonruimte is daarvoor geen oplossing.

9.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet binnen zes maanden in staat is om zijn woonprobleem zelf op te lossen. De door het college ingeschakelde medische deskundige heeft geconcludeerd dat het woonprobleem kan worden opgelost met een jongerenwoning, tijdelijke bewoning, antikraak, flexwonen of kamerbewoning en dat [appellant] daarin niet afwijkend is van zijn leeftijdgenoten. [appellant] heeft niet onderbouwd dat hij (zes maanden) voorafgaand aan zijn aanvraag dan wel voorafgaand aan het besluit van 8 augustus 2024 serieuze pogingen heeft gedaan om een dergelijke woning te verkrijgen. Verder heeft de gemeente [appellant] ook hulp geboden bij het vinden van een woning die het woonprobleem kan oplossen.

9.2. Het door [appellant] in beroep overgelegde tegenadvies van 31 oktober 2024, opgesteld door [adviseur], leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Weliswaar heeft [adviseur] toegelicht dat onzelfstandige woonruimte op enige termijn een negatieve invloed zal hebben op zijn gezondheid, maar daarbij wijst [adviseur] vooral op de negatieve reacties die [appellant] door zijn vermijdende gedrag mogelijk bij medebewoners zou oproepen. Daaruit volgt niet dat [appellant] in het geheel geen gebruik kan maken van de alternatieve woonvormen waar het college op heeft gewezen. Daartussen zitten bovendien ook zelfstandige woonvormen. Het college mocht de aanvraag daarom afwijzen.

9.3. Het betoog slaagt niet.

Moest het college toepassing geven aan de hardheidsclausule?

10. Tot slot betoogt [appellant] dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule neergelegd in artikel 35 van de huisvestingsverordening. Daarbij wijst hij op zijn medische situatie.

10.1. Op grond van artikel 35 van de huisvestingsverordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd ten gunste van de woningzoekende af te wijken van deze verordening voor zover toepassing gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

10.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule. Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn geval leidt tot een onbillijke situatie van overwegende aard. Zo heeft hij niet onderbouwd dat zijn medische behandeling niet kan worden opgestart binnen de alternatieve (zelfstandige) woonvormen die het college heeft voorgesteld. Ook heeft hij de door het college meermaals geboden hulp bij het vinden van passende woonruimte afgeslagen. Hij heeft niet onderbouwd dat de door het college geboden hulp daarbij ontoereikend was. Dat de geboden hulp eventueel niet aansluit bij zijn woonwensen, maakt deze hulp niet minder toereikend.

10.3. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025

1120


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.