ECLI:NL:RVS:2025:5748 Raad van State , 26-11-2025 / 202407241/1/A2
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen. Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een asielaanvraag van [appellant] niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behande...
7 min de lecture · 1 358 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 7 juni 2023 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen. Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een asielaanvraag van [appellant] niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van deze aanvraag (hierna: het overdrachtsbesluit). [appellant] heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank en een voorlopige voorziening gevraagd aan de voorzieningenrechter. Op 18 maart 2023 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een toevoeging voor het instellen van beroep bij de rechtbank tegen een besluit op bezwaar van de staatssecretaris van 5 januari 2023. Bij dit besluit is het bezwaar tegen de geplande feitelijke overdracht van [appellant] aan Polen op 22 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de overdracht is geannuleerd.
202407241/1/A2.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 18 oktober 2024 in zaak nr. 23/2928 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (nu: de minister van Asiel en Migratie) een asielaanvraag van [appellant] niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van deze aanvraag (hierna: het overdrachtsbesluit). [appellant] heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank en een voorlopige voorziening gevraagd aan de voorzieningenrechter. De raad heeft daarvoor een toevoeging verleend.
2. Op 18 maart 2023 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een toevoeging voor het instellen van beroep bij de rechtbank tegen een besluit op bezwaar van de staatssecretaris van 5 januari 2023. Bij dit besluit is het bezwaar tegen de geplande feitelijke overdracht van [appellant] aan Polen op 22 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de overdracht is geannuleerd.
3. Bij besluit van 7 juni 2023, gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2023, heeft de raad met toepassing van artikel 12, tweede lid, onder a, van de Wet op de rechtsbijstand, gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria, de aanvraag afgewezen. Volgens de raad blijkt uit de aanvraag niet dat er voldoende reden is voor rechtsbijstand. In de werkinstructie V010 "Vreemdelingenwet" (hierna: werkinstructie) van de raad staat, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling, dat een toevoeging kan worden verstrekt voor een procedure tegen een feitelijke handeling, als die handeling een gevolg is van een eerder genomen besluit dat onherroepelijk is en er nieuwe feiten of omstandigheden zijn ontstaan na het onherroepelijke besluit. Ook is vermeld dat een aanvraag om een toevoeging door de advocaat deugdelijk moet zijn gemotiveerd. Volgens de raad was het overdrachtsbesluit, dat heeft geleid tot de aankondiging van de feitelijke overdracht op 22 december 2022, op het moment van de toevoegingsaanvraag niet onherroepelijk. Omdat de beroepsprocedure tegen het overdrachtsbesluit op dat moment nog liep, is de aanvraag afgewezen.
Uitspraak rechtbank
4. De rechtbank heeft vastgesteld dat de feitelijke overdracht een gevolg is van het eerder genomen overdrachtsbesluit. Voor de procedure over dit besluit was al een toevoeging verleend. Ook stelt de rechtbank vast het overdrachtsbesluit nog niet onherroepelijk was op het moment van de aanvraag om een toevoeging voor de procedure tegen de feitelijke overdracht. Dat dit niet zo zou zijn, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de gedingstukken. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat [appellant] en zijn gemachtigde niet naar de zitting zijn gekomen om een nadere toelichting te geven.
De rechtbank heeft overwogen dat volgens het in de werkinstructie opgenomen beleid van de raad over een feitelijke handeling, zoals hiervoor in 3 weergegeven, [appellant] bezwaar kan maken tegen de feitelijke overdracht, maar daarvoor wordt geen afzonderlijke toevoeging verleend als er rechtsmiddelen zijn ingediend tegen het eerder genomen besluit waarvan die feitelijke overdracht het gevolg is. De procedure over dat onderliggende besluit is dan nog niet afgerond, de zaak is dus nog niet onherroepelijk. De rechtbank heeft dit beleid niet kennelijk onredelijk geacht. Als [appellant] de door de Dienst Terugkeer & Vertrek gehanteerde, volgens hem onrechtmatige, praktijk aan de kaak wil stellen, zal hij dat, gelet op de concentratie van rechtsmiddelen, in een geval als dit moeten doen in de nog lopende procedure over het overdrachtsbesluit en onder de in die procedure verleende toevoeging. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de raad de toevoegingsaanvraag heeft mogen afwijzen, omdat het beroep onvoldoende kans van slagen heeft.
Bespreking hoger beroep
5. [appellant] brengt terecht naar voren dat overweging 11 van de rechtbankuitspraak een onjuistheid bevat. In deze overweging heeft de rechtbank het standpunt van de raad weergegeven. Daarin staat dat op het moment van de toevoegingsaanvraag de beroepsprocedure tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar wegens het annuleren van de voorgenomen uitzetting nog liep. Dit had de beroepsprocedure over het overdrachtsbesluit moeten zijn, zoals ook volgt uit het besluit op bezwaar van 2 oktober 2023. Het betoog van [appellant] leidt echter niet tot de conclusie dat de rechtbankuitspraak niet in stand kan blijven, omdat de onjuiste weergave van het standpunt van de raad niet aan het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar van 2 oktober 2023 ten grondslag ligt.
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte over het nog niet onherroepelijk zijn van het overdrachtsbesluit heeft overwogen dat hij en zijn gemachtigde geen nadere toelichting op zitting hebben kunnen geven omdat zij niet op zitting zijn verschenen. Volgens [appellant] had de rechtbank hem schriftelijk kunnen vragen om een nadere onderbouwing.
6.1. Dit betoog slaagt niet. Het ligt op de weg van [appellant], als aanvrager van een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand, om zijn beroep te onderbouwen en de noodzaak van rechtsbijstand aan te tonen. Zijn gemachtigde heeft zonder nadere toelichting op de dag van de zitting aan de rechtbank medegedeeld dat zij en [appellant] niet op de zitting zouden verschijnen. Aldus heeft hij zich de mogelijkheid ontnomen vragen op dit punt te beantwoorden, terwijl de rechtbank, gelet op de gang van zaken, geen aanleiding hoefde te zien die na de zitting nog eens aan hem voor te leggen. De rechtbank heeft daarom bij haar oordeel kunnen betrekken dat [appellant] en zijn gemachtigde op dit punt geen nadere toelichting hebben gegeven.
7. De overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat hiervoor in 4 samengevat is weergegeven.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
609
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...