ECLI:NL:RVS:2025:5751 Raad van State , 26-11-2025 / 202404465/1/R4
Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Barneveld het bestemmingsplan "Barneveld-Centrum 2022" vastgesteld. Met het plan worden verschillende bestemmings- en wijzigingsplannen herzien die golden voor het centrum van Barneveld en de omliggende wijk Gelreweg/Juliaplein. [appellant] is eigenaar van de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. De Langstraat is een winkelstraat i...
9 min de lecture · 1 778 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Barneveld het bestemmingsplan "Barneveld-Centrum 2022" vastgesteld. Met het plan worden verschillende bestemmings- en wijzigingsplannen herzien die golden voor het centrum van Barneveld en de omliggende wijk Gelreweg/Juliaplein. [appellant] is eigenaar van de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. De Langstraat is een winkelstraat in de historische kern van Barneveld. De bebouwing op de percelen biedt ruimte aan twee winkels en drie woningen. Bezien vanuit de Langstraat is die bebouwing gesitueerd aan de voorzijde van de percelen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan gold ter plaatse van de percelen het bestemmingsplan "Barneveld-Centrum" (hierna: het vorige plan). Op grond van het vorige plan rustte op de percelen de bestemming "Centrum". Die bestemming rust op grond van het plan alleen nog op de voorzijde van de percelen, nabij de Langstraat.
202404465/1/R4.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Barneveld,
appellant,
en
de raad van de gemeente Barneveld,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Barneveld-Centrum 2022" (hierna: het plan) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 7 april 2025, waar [appellant], vergezeld door [persoon] en bijgestaan door mr. E.M. Oskam, advocaat in Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door J.M.T. Merkenij en mr. I. Pater, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 9 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Met het plan worden verschillende bestemmings- en wijzigingsplannen herzien die golden voor het centrum van Barneveld en de omliggende wijk Gelreweg/Juliaplein.
3. [appellant] is eigenaar van de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. De Langstraat is een winkelstraat in de historische kern van Barneveld (hierna samen: de percelen). De bebouwing op de percelen biedt ruimte aan twee winkels en drie woningen. Bezien vanuit de Langstraat is die bebouwing gesitueerd aan de voorzijde van de percelen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan gold ter plaatse van de percelen het bestemmingsplan "Barneveld-Centrum" (hierna: het vorige plan). Op grond van het vorige plan rustte op de percelen de bestemming "Centrum". Die bestemming rust op grond van het plan alleen nog op de voorzijde van de percelen, nabij de Langstraat. Op de achterzijde van de percelen rust nu de bestemming "Gemengd".
Beoordeling van het plan
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Het beroep
5. [appellant] betoogt dat de raad het plan, voor zover daarmee de bouwmogelijkheden op zijn percelen worden beperkt, op onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Ook betoogt hij dat de beperking van de bouwmogelijkheden onevenredig is. [appellant] voert aan dat de raad had moeten onderzoeken in hoeverre het vorige plan, voor zover dat betrekking had op de percelen, voldeed aan een goede ruimtelijke ordening. Vervolgens had de raad moeten motiveren waarom bestaande bouwmogelijkheden moeten worden wegbestemd.
De beperkingen van de bouwmogelijkheden hebben betrekking op een verkleining van het bouwvlak, waardoor onbebouwde gronden binnen de bestemming "Centrum", anders dan onder het vorige plan, onbebouwd moeten blijven. Verder hebben die beperkingen betrekking op een verlaging van de maximum bouw- en goothoogten binnen de bestemming "Centrum" en een verlaging van de maximale bouwhoogte binnen de bestemming "Gemengd".
Voor zover de raad beperkingen van de bouwmogelijkheden nodig acht voor de bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van de historische kern, voert [appellant] aan dat die beperkingen alleen betrekking hebben op volume. Zij bieden dus geen bescherming tegen vervanging van historische gebouwen door nieuwbouw. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van de historische kern kan volgens [appellant] op een minder ingrijpende wijze worden geborgd via omgevingsvergunningen, de welstandnota of overige beleidsregels. Volgens [appellant] is de bebouwing op de percelen niet beschermingswaardig, omdat die bebouwing geen monumentale status heeft en niet beeldbepalend is. [appellant] stelt belang te hebben bij de bouwmogelijkheden die het vorige plan bood, omdat het hoofdgebouw op de percelen niet in een goede bouwkundige staat verkeert en moet worden vervangen.
In beroep heeft [appellant] tekeningen overgelegd van een ontwerpbouwplan van 30 juli 2024 voor een gebouw met vier bouwlagen ten behoeve van drie winkels op de begane grond en elf appartementen op de etages. Dat bouwplan past niet binnen de bouwmogelijkheden van het plan en de in artikel 6.4 van de regels van het plan (hierna: de planregels) vervatte binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is volgens [appellant] niet ruim genoeg om de onevenredige beperkingen van de bouwmogelijkheden op te heffen.
5.1. Artikel 6.4 (afwijken van de binnen de bestemming "Centrum" geldende bouwregels) van de planregels luidt:
"1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 6.2.1 en toestaan dat een gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits:
a. de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 10% worden bebouwd;
b. de goothoogte van de gebouwen buiten het bouwvlak niet meer dan 3 m bedraagt en de bouwhoogte niet meer dan 5 m."
[…]
4. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 6.2.1 en toestaan dat de goothoogte van een gebouw, zoals weergegeven op de verbeelding, wordt vergroot met maximaal 3 meter;"
5. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 6.2.1 en toestaan dat de bouwhoogte van een gebouw, zoals weergegeven op de verbeelding, wordt vergroot met maximaal 3 meter."
6. Het afwijken van de bouwregels als bedoeld in artikel 6.4, lid 4 en/of 5 kan slechts, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld
b. de waarde van het historische karakter
c. de parkeergelegenheid
d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
e. sociale veiligheid."
5.2. Op 6 oktober 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Barneveld Centrum (hierna: de omgevingsvisie) vastgesteld. Over de historische kern staat in de omgevingsvisie dat het behoud van karakteristieke bebouwing (monumenten, beeldbepalende bebouwing en karakteristieke bomen) en het samenspel van bebouwing en open ruimten (kerk en plein) vooropstaan. Ook staat daarin dat in de historische kern de maatvoering en karakteristiek van de bestaande bebouwing maatgevend blijft.
In de toelichting bij het plan staat dat de omgevingsvisie is doorvertaald naar het plan. Volgens die toelichting wordt de bescherming van de historische kern geborgd door in een aantal bestemmingen, met name in de bestemming "Centrum", de daadwerkelijke bouw- en goothoogte van bestaande bebouwing als maximaal toegestane bouw- en goothoogte aan te houden. Wanneer geen bebouwing aanwezig is, heeft dit tot gevolg dat voor zo'n locatie geen bebouwing bij recht wordt toegestaan. Binnen de bestemming "Gemengd" zijn de geldende rechten gerespecteerd door de goothoogte uit het vorige plan of de vergunde goothoogte over te nemen en door een bouwhoogte op te nemen die hier stedenbouwkundig akkoord is. Volgens de toelichting blijft de bestemming "Centrum" behouden binnen het kernwinkelgebied. Buiten dat kernwinkelgebied wordt de bestemming "Centrum" uit het vorige plan omgezet naar de bestemming "Gemengd", zo staat in de toelichting bij het plan.
Op de zitting heeft de raad toegelicht dat alle bebouwing in het historische kern van Barneveld als karakteristieke bebouwing moet worden aangemerkt en dat bij de keuze om de bestaande maatvoering van die bebouwing in het plan vast te leggen geen onderscheid is gemaakt tussen beeldbepalende bebouwing en gemeentelijke monumenten.
5.3. Gelet op wat hiervoor onder 5.2 is weergegeven, is in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat de raad de op grond van het plan geldende positionering van de bouwvlakken en maximale bouw- en goothoogten op de percelen op onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de vaststelling van het plan een stedenbouwkundige afweging gemaakt. Die afweging past binnen de beleidsruimte die de raad heeft bij het vaststellen van een bestemmingsplan.
Het aangevoerde geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door de vaststelling van het plan de bouwmogelijkheden op de percelen op een onevenredige wijze heeft beperkt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in artikel 6.4 van de planregels de bevoegdheid is opgenomen om onder omstandigheden bouwen buiten het bouwvlak en een overschrijding van de maximale bouw- en goothoogten toe te staan. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad al in 2019 een voorontwerp van het plan ter inzage heeft gelegd en de raad daarom voorafgaand aan de vaststelling van het plan ruim de gelegenheid heeft geboden om bestaande bouwmogelijkheden alsnog te benutten. [appellant] heeft van die gelegenheid geen gebruikgemaakt. De raad heeft bij de vaststelling van het plan geen rekening kunnen en hoeven houden met het bouwplan van [appellant]. Dat is alleen al zo, omdat [appellant] dat bouwplan pas na de vaststelling van het plan aan de raad kenbaar heeft gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Robben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
610-947
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...