Pays-Bas Raad van State Divers 26 novembre 2025 N° 202304947/1/R2 NL

ECLI:NL:RVS:2025:5769 Raad van State , 26-11-2025 / 202304947/1/R2

Bij besluit van 14 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een 250 m lange golfbreker aan de Lithoijense Dijk te Lithoijen. Bij besluit van 24 januari 2022 heeft het college het onder andere door [belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de verleende omgevingsvergunning he...

Source officielle

20 min de lecture 4 385 mots

Inhoudsindicatie. Bij besluit van 14 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een 250 m lange golfbreker aan de Lithoijense Dijk te Lithoijen. Bij besluit van 24 januari 2022 heeft het college het onder andere door [belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de verleende omgevingsvergunning herroepen en deze alsnog geweigerd. Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college [appellante] onder het opleggen van een dwangsom van € 5.000,00 per week tot een maximum van € 30.000,00 gelast om binnen twee maanden na de verzenddatum een op het perceel gebouwde aanlegsteiger te verwijderen en verwijderd te houden. [belanghebbenden] wonen op het adres [locatie A] in Lithoijen. Hun woning ligt aan de dijk van de rivier de Maas, vlakbij de in een dode arm van de Maas gelegen jachthaven. In april 2021 heeft [appellante] in het water nabij de jachthaven, in het verlengde van een bestaande aanlegsteiger, een drijvend bouwwerk gerealiseerd met een lengte van ongeveer 250 m. Dit bouwwerk is door middel van palen bevestigd aan de bodem en ligt op de locatie met de gemeentelijke kadastrale aanduiding Lith, sectie H, nummer 537. Over de gehele lengte van het bouwwerk zijn kikkers aangebracht, bedoeld om boten aan te kunnen leggen.

202304947/1/R2.

Datum uitspraak: 26 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Lithoijen, en [appellant], wonend te Lithoijen, gemeente Oss, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 7 juli 2023 in zaken nrs. 22/590 en 23/687 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2021 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een 250 m lange golfbreker aan de Lithoijense Dijk te Lithoijen (hierna het perceel).

Bij besluit van 24 januari 2022 heeft het college het onder andere door [belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de verleende omgevingsvergunning herroepen en deze alsnog geweigerd.

Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college [appellante] onder het opleggen van een dwangsom van € 5.000,00 per week tot een maximum van € 30.000,00 gelast om binnen twee maanden na de verzenddatum een op het perceel gebouwde aanlegsteiger te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat 210 m van de aanlegsteiger moet worden verwijderd en verwijderd moet worden gehouden binnen twee maanden na de verzenddatum van deze brief.

Bij uitspraak van 7 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2025, waar [appellant] mede namens [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Oss, vertegenwoordigd door E.C.J. Janssen-Van der Heijden, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Ten aanzien van de beoordeling van de besluiten omtrent de aanvraag om een omgevingsvergunning geldt het volgende. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

2. Ten aanzien van de beoordeling van de besluiten waarbij een last onder dwangsom is opgelegd, geldt het volgende. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd.

Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

3. [belanghebbenden] wonen op het adres [locatie A] in Lithoijen. Hun woning ligt aan de dijk van de rivier de Maas, vlakbij de in een dode arm van de Maas gelegen jachthaven. In april 2021 heeft [appellante] in het water nabij de jachthaven, in het verlengde van een bestaande aanlegsteiger, een drijvend bouwwerk gerealiseerd met een lengte van ongeveer 250 m. Dit bouwwerk is door middel van palen bevestigd aan de bodem en ligt op de locatie met de gemeentelijke kadastrale aanduiding Lith, sectie H, nummer 537 (het perceel). Over de gehele lengte van het bouwwerk zijn kikkers aangebracht, bedoeld om boten aan te kunnen leggen.

Voorgeschiedenis gevraagde omgevingsvergunning

3.1. Tijdens een controle op 21 april 2021 aan de [locatie B] heeft een bouwinspecteur van de gemeente geconstateerd dat [appellante] op het perceel, zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan, een nieuwe aanlegsteiger aan het bouwen was en in verband hiermee aan [appellante] een bouwstop opgelegd.

3.2. Op 12 mei 2021 heeft [appellante] ter legalisering een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een golfbreker nabij de jachthaven. Met het besluit van 14 juni 2021 heeft het college met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 31.3 en artikel 38.135.3 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Oss 2020" de gevraagde omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend. Dit omdat volgens het college de belangen van de berging, afvoer en doorstroming van water, respectievelijk de belangen van de waterkering niet worden geschaad en omdat het waterschap Aa en Maas en Rijkswaterstaat vooraf hadden aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de golfbreker.

Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat geen sprake mag zijn van een gebruik als aanlegsteiger.

[belanghebbenden] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3.3. Met het besluit op bezwaar van 24 januari 2022 heeft het college zijn besluit van 14 juni 2021 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd, omdat volgens het college in bezwaar is vastgesteld dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan en in strijd met de afspraken daarover als aanlegsteiger fungeert.

Voorgeschiedenis opgelegde last onder dwangsom

3.4. [belanghebbenden] hebben vervolgens op 7 april 2022 een verzoek ingediend bij het college om handhavend op te treden met betrekking tot de illegale aanlegsteiger. Op 21 april 2022 heeft de bouwinspecteur een bezoek gebracht aan het perceel en onder meer geconstateerd dat de steiger onveranderd aanwezig was. Op 6 mei 2022 heeft het college aan [appellante] zijn voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden ten aanzien van de gerealiseerde aanlegsteiger, voor zover gelegen binnen de functieaanduiding "specifieke vorm van water – waterrecreatie". Daarbij is aangegeven dat voor de eerste meters van de aanlegsteiger, binnen de functieaanduiding "jachthaven", een omgevingsvergunning kan worden verleend, mits daartoe een omgevingsvergunning wordt aangevraagd.

3.5. Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college [appellante] gelast om de aanlegsteiger van 250 m te verwijderen en verwijderd te houden onder het opleggen van een dwangsom van € 5.000,00 per week tot een maximum van € 30.000,00. Hierbij is een begunstigingstermijn gegeven van twee maanden na verzending van dit besluit.

3.6. Op 23 juli 2022 heeft [appellante] alsnog een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een aanlegsteiger op gronden met de aanduiding "jachthaven". Deze vergunning is op 8 oktober 2022 verleend, met toepassing van de artikelen 31.3 en 38.135.3, van de planregels.

4. Met het besluit van 26 januari 2023 heeft het college de last onder dwangsom gehandhaafd, in die zin dat [appellante] binnen twee maanden na de verzenddatum van dit besluit nog 210 meter van de aanlegsteiger moet verwijderen en verwijderd moet houden. Voor de motivering daarvan heeft het college verwezen naar het advies van de commissie van 19 december 2022.

Wettelijk kader

5. Op de locatie van het bouwwerk is het bestemmingsplan "Buitengebied Oss 2020" van toepassing. Deze gronden hebben de enkelbestemming "Water' en de dubbelbestemming "Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed". Daarbij heeft die locatie grotendeels de functieaanduiding "specifieke vorm van water – waterrecreatie" en voor het overige deel de functieaanduidingen "jachthaven", "specifieke vorm van water Lithoijensedijk 46" en "Vrijwaringszone – dijk".

Het bouwen van een golfbreker is in strijd met de bestemming "Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed" en met de aanduiding "Vrijwaringszone – dijk". Verder is de bouw van een aanlegsteiger op de locatie van het bouwwerk alleen toegestaan binnen de functieaanduiding "jachthaven". Het bouwwerk is voor ongeveer 210 m gebouwd buiten deze functieaanduiding.

De hoger beroepsgronden

Zijn [belanghebbenden] belanghebbenden bij de besluiten over de gevraagde omgevingsvergunning?

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bezwaar van [belanghebbenden] niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 14 juni 2021 waarbij de omgevingsvergunning is verleend.

6.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

6.2. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

6.3. Niet in geschil is dat de afstand tussen de woning van [belanghebbenden] en het drijvende bouwwerk op het perceel ongeveer 257 m bedraagt. Tussen de woning en het bouwwerk ligt een onbebouwd en open polderlandschap met daarin een doorgaande weg en een rij knotwilgen. Volgens [belanghebbende] op de zitting in beroep kun je in de winter als de bomen hun blad hebben verloren het bouwwerk zien liggen, afhankelijk van de waterhoogte. Deze verklaring wordt ondersteund door de omstandigheid dat de woning van [belanghebbenden] op een dijk is gebouwd en door de zich in het dossier bevindende luchtfoto’s van 5 februari 2022, waarop tussen die woning en het bouwwerk een vlak en open onbebouwd landschap is te zien. Aldus heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [belanghebbenden] aannemelijk hebben gemaakt dat zij rechtstreeks feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden door het besluit van 14 juni 2021.

Daarbij is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:499) heeft overwogen dat ook als er twijfel mogelijk is over de vraag of de gevolgen voor betrokkenen van enige betekenis zijn, zij naar het oordeel van de Afdeling het voordeel van de twijfel moeten krijgen (overweging 5.4).

Het betoog faalt.

Is de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning deugdelijk onderbouwd?

7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college terecht heeft aangenomen dat het bij het primaire besluit van 14 juni 2021 een omgevingsvergunning had verleend op basis van een onvolledige informatie over de feiten.

[appellante] voert daartoe aan dat de golfbreker niet als aanlegsteiger kan worden gebruikt en ook niet als zodanig functioneert. Volgens de Groot had de rechtbank de aanvraag moeten beoordelen zoals die er ligt, inclusief een door hem aan het college gerichte brief van 10 juni 2022. In deze brief bevestigt [appellante] dat het bouwwerk dient om afkalving en bodemafslag te voorkomen en dat er geen sprake zal zijn van een gebruik als aanlegsteiger. Volgens [appellante] zijn er op de bouwtekeningen geen kikkers te zien om boten aan te leggen en ziet de verleende vergunning dus daar niet op. Dat toezichthouders van de gemeente hebben geconstateerd dat boten aan de golfbreker waren afgemeerd, heeft volgens [appellante] te maken met een tijdelijke situatie van overmacht waarbij er extreem hoog water in de Maas stond. Bovendien vond deze situatie plaats na de vergunningverlening en mag deze situatie daarom volgens [appellante] niet als argument dienen om aan te nemen dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan.

Verder voert [appellante] aan dat het feit dat Rijkswaterstaat bij besluit van 3 november 2021 voor het bouwwerk een vergunning heeft verleend voor een aanlegsteiger, geen argument kan zijn om aan te nemen dat dat bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens [appellante] is deze vergunning gebaseerd op een andere tekening en is het doel van de vergunningverlening door Rijkswaterstaat niet de vorm van gebruik, maar de mate van doorstroming.

Daarbij maakt het volgens [appellante] voor Rijkswaterstaat geen verschil of vergunning wordt gevraagd voor een golfbreker of voor een steiger.

Ook voert [appellante] aan dat de rechtbank bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gebruikt. Volgens [appellante] heeft de rechtbank kennelijk ten onrechte artikel 5.19 van de Wabo toegepast bij haar oordeel dat de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Dit artikel is volgens [appellante] in deze situatie niet van toepassing.

Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte het motiveringsgebrek van het college in het besluit op bezwaar heeft gepasseerd door toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

[appellante] voert daartoe aan dat dit motiveringsgebrek niet kan worden hersteld in het verweerschrift dat het college bij de rechtbank in beroep heeft ingediend.

7.1. De Afdeling overweegt als volgt. Op 12 mei 2021 heeft [appellante] een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een golfbreker nabij de jachthaven. Naar het oordeel van de Afdeling is deze aanvraag in strijd met de bestemming "Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed" en met de aanduiding "Vrijwaringszone – dijk".

Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. Al hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over dat het bouwwerk op het perceel niet is gebruikt of is bedoeld als aanlegsteiger, leidt niet tot een ander oordeel.

7.2. Met het besluit van 14 juni 2021 heeft het college met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 31.3 en artikel 38.135.3 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Oss 2020" de gevraagde omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend.

Dit omdat volgens het college de belangen van de berging, afvoer en doorstroming van water, respectievelijk de belangen van de waterkering niet worden geschaad en omdat het waterschap Aa en Maas en Rijkswaterstaat vooraf hadden aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de golfbreker.

Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift gekoppeld dat geen sprake mag zijn van een gebruik als aanlegsteiger.

Vervolgens heeft het college bij besluit op bezwaar alsnog de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Als motivering voor deze weigering heeft het college gegeven dat is geconstateerd dat de aanvraag dient om het bouwwerk op het perceel te legaliseren en dat dit bouwwerk op het perceel, tegen het aan het besluit van 14 juni 2021 verbonden voorschrift in, niet fungeert als golfbreker maar als aanlegsteiger. Het college heeft in zijn verweerschrift in beroep toegelicht dat de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat dat bouwwerk op het perceel uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor een ander doel dan die waarin de bestemming – de Afdeling begrijpt: de aanvraag – voorziet, namelijk als aanlegsteiger.

7.3. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat dat bouwwerk op het perceel uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor een ander doel dan die waarin de aanvraag voorziet, namelijk als aanlegsteiger.

Ten aanzien van dit betoog wordt het volgende overwogen.

7.4. Allereerst heeft het college bij die motivering een aan Rijkswaterstaat gerichte aanvraag voor een watervergunning van belang geacht, waarin [appellante] het bouwwerk op het perceel wil wijzigen van een golfbreker in een aanlegsteiger. In § 4.1 van deze bij besluit van 3 november 2021 verleende vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet voor het verrichten van handelingen in een watersysteem staat: "De golfbreker is in gebruik genomen als aanlegsteiger en thans zal de aanlegsteiger worden uitgebreid." Op de bijbehorende tekening wordt ook gesproken over een drijvende steiger.

[appellante] betoogt tevergeefs dat voormelde vergunning is gebaseerd op een andere tekening dan de bouwtekening. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in deze tekening, die behoort bij de door Rijkswaterstaat verleende watervergunning en waarop een steiger met kikkers is afgebeeld, een aanwijzing mogen zien dat het bouwwerk op het perceel is bedoeld om te worden gebruikt als aanlegsteiger en niet als golfbreker.

Ook kan de stelling van [appellante] haar niet baten dat bij de watervergunning van Rijkswaterstaat, anders dan bij de omgevingsvergunning, slechts de mate van doorstroming van belang is en dat het geen verschil maakt of vergunning wordt gevraagd voor een golfbreker of voor een aanlegsteiger. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de omstandigheid dat [appellante] bij Rijkswaterstaat juist een watervergunning heeft aangevraagd om een golfbreker te vervangen voor een aanlegsteiger, dat [appellante] uitdrukkelijk niet meer de intentie had om een golfbreker aanwezig te hebben, maar een aanlegsteiger.

7.5. Verder heeft het college bij zijn motivering dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk op het perceel uitsluitend of mede zal worden gebruikt als aanlegsteiger, de controles van belang geacht die de gemeentelijke toezichthouder ter plaatse van het bouwwerk heeft gehouden in juli, augustus en oktober 2021. De toezichthouder heeft hierbij geconstateerd dat er bij alle controles boten aan het bouwwerk waren aangelegd.

[appellante] betoogt tevergeefs dat het bouwwerk op het perceel vanwege een noodsituatie, bestaande uit een hoge waterstand van de Maas, slechts tijdelijk is gebruikt als aanlegsteiger. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college geen weet heeft van deze hoge waterstand en dat [appellante] geen feitelijke onderbouwing heeft gegeven van deze stelling, zoals bijvoorbeeld de periode waarin deze noodsituatie zich zou hebben voorgedaan en de gemeten waterstanden in die periode.

7.6. Voorts heeft het college van belang geacht dat het bouwwerk op het perceel eruit ziet als een aanlegsteiger waarop volgens door [belanghebbenden] overgelegde foto’s kikkers zijn gemonteerd om schepen te kunnen aanleggen en waaraan op die foto’s ook schepen zijn aangelegd.

Verder heeft het college de reclame die [appellante] enige tijd op zijn website had gemaakt van belang geacht. Op een door het college overgelegde kopie van een – inmiddels verwijderde – pagina op die website stond te lezen: "Naast de ligplaatsen voor onze vaste havenbezoekers, bestaat de mogelijkheid om aan te meren aan onze zogenaamde ‘passantenhaven’. Deze steiger is 250 m lang en speciaal aangelegd voor als u een dag of langer wilt aanmeren om de omgeving te verkennen."

7.7. Op grond van bovenstaande omstandigheden, – in onderlinge samenhang bezien – heeft het college naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk onderbouwd dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat dat bouwwerk op het perceel uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor een ander doel dan die waarin de aanvraag voorziet, namelijk als aanlegsteiger.

Dit gebruik is voor zover gelegen buiten de functieaanduiding "jachthaven" in strijd met het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet wilde afwijken van het ruimtelijk beleid dat is ten grondslag gelegd aan het bestemmingsplan.

Echter pas in het verweerschrift in de beroepsfase van 25 maart 2022 heeft het college gemotiveerd op basis van welke concrete informatie het tot de conclusie is gekomen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de aanvraag voorziet. Omdat [appellante] voldoende de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren en hierdoor niet in haar belangen is geschaad, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit motiveringsgebrek in het besluit op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kon worden gepasseerd.

7.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 7.4 tot en met 7.7 betoogt [appellante] dan ook tevergeefs dat ondanks de in het beroep gegeven toelichting in het verweerschrift, de weigering om omgevingsvergunning te verlenen nog steeds ondeugdelijk was gemotiveerd.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

Het betoog van [appellante] dat de rechtbank er in de aangevallen uitspraak ten onrechte vanuit is gegaan dat artikel 5.19 van de Wabo moet worden toegepast, kan hem niet baten al omdat de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak niet van die veronderstelling is uitgegaan.

De handhavingsprocedure

8. De in het besluit op bezwaar van 24 januari 2022 gehandhaafde last houdt in dat [appellante] 210 meter van de 250 meter lange aanlegsteiger moet verwijderen en verwijderd moet houden, omdat dit deel inmiddels zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning op het water aanwezig is. [appellante] moet binnen twee maanden na de verzenddatum van het bestreden besluit aan deze last voldoen.

Het college heeft ermee ingestemd dat [appellante] mag wachten met de uitvoering van de last totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan.

9. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Hij voert daartoe aan dat de kikkers van de aanlegsteiger zijn verwijderd en dat een deel van de loopplanken van het bouwwerk is verwijderd, zodat het bouwwerk dat is gesitueerd buiten de aanduiding "Jachthaven" niet vanaf land is te betreden. Volgens [appellante] is daarmee sprake van een golfbreker waarvoor hij al een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Volgens [appellante] heeft het geen zin om voor hetzelfde bouwwerk nogmaals een vergunning aan te vragen.

9.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

9.2. De Afdeling begrijpt dat [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de door hem in 9 beschreven aanpassingen er concreet zicht bestaat op legalisering van het bouwwerk op het perceel. Gezien hetgeen hiervoor is geoordeeld heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 24 januari 2022 waarbij de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd, terecht in stand gelaten. Gelet daarop bestaat er geen concreet zicht op legalisering. De door [appellante] bedoelde aanpassingen aan het bouwwerk op het perceel leiden niet tot een ander oordeel, omdat die er niet toe kunnen leiden dat in deze procedure de geweigerde omgevingsvergunning alsnog kan worden verleend.

Het betoog faalt.

Conclusie

9.3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

10. Gelet hierop blijft de bij besluit van 8 augustus 2022 opgelegde last onder dwangsom in stand. Hieruit en uit een met het college gemaakte afspraak vloeit voort dat op de dag dat deze uitspraak wordt gedaan de begunstigingstermijn van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 augustus 2022 is verstreken en [appellante] in overtreding is. De Afdeling ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de besluiten van 8 augustus 2022 en 26 januari 2023 te schorsen tot acht weken na de dag van de openbaarmaking van deze uitspraak.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. schorst de besluiten van 8 augustus 2022, kenmerk VTH/TH 54254, en 26 januari 2023, kenmerk VTH/J 62743, van het college van burgemeester en wethouders van Oss tot acht weken na de dag van de openbaarmaking van deze uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Leeuwen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025

543


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.