ECLI:NL:RVS:2025:5923 Raad van State , 05-12-2025 / 202402972/2/A3
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972. De minister van Financiën heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het gaat om een besluit van 28 november 2022 over een inzagev...
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972. De minister van Financiën heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het gaat om een besluit van 28 november 2022 over een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming van een minderjarig kind. Volgens de minister is [appellant] niet de wettelijke vertegenwoordiger van het minderjarige kind. Daarom heeft hij geen recht op inzage van de persoonsgegevens van dat kind. De bescherming van de rechten en vrijheden van het minderjarige kind wegen volgens de minister zwaarder dan het belang van [appellant] om kennisname van gegevens over dat kind.
202402972/2/A3.
Datum beslissing: 5 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het gaat om een besluit van 28 november 2022 over een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming van een minderjarig kind.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. Volgens de minister is [appellant] niet de wettelijke vertegenwoordiger van het minderjarige kind. Daarom heeft hij geen recht op inzage van de persoonsgegevens van dat kind. De bescherming van de rechten en vrijheden van het minderjarige kind wegen volgens de minister zwaarder dan het belang van [appellant] om kennisname van gegevens over dat kind.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken. Zij stelt vast dat deze persoonsgegevens bevatten over een minderjarig kind. Dat het in dit geval gaat om een minderjarig kind, betekent dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat belang weegt naar het oordeel van de Afdeling in dit geval zwaarder dan het belang van [appellant] bij kennisname van de informatie. Bovendien heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zijn procespositie in het geding komt als hij geen kennis kan nemen van de gegevens.
4. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025
1071
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...