ECLI:NL:RVS:2025:5931 Raad van State , 05-12-2025 / 202406352/3/V2
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
3 min de lecture · 573 mots
Inhoudsindicatie. Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
202406352/3/V2.
Datum uitspraak: 5 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker] (hierna: verzoeker) om opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2024, gerectificeerd op 14 oktober 2024, in zaak nr. NL24.24861 in het geding tussen:
[verzoeker],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 oktober 2024, gerectificeerd op 14 oktober 2024, heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van 11 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4560, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend en de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de minister niet mag uitgaan van de door haar in het kader van de Dublinprocedure vastgestelde meerderjarige leeftijd, totdat de Afdeling heeft beslist op het hoger beroep. Volgens verzoeker wordt hij rechtstreeks in zijn belangen getroffen doordat de minister vasthoudt aan de door haar vastgestelde leeftijd, omdat hij daardoor onder meer problemen kan ondervinden bij het verkrijgen van een burgerservicenummer. Hij betoogt dat de minister moet uitgaan van de presumptie van minderjarigheid. De voorzieningenrechter vat dit verzoek op als een verzoek om wijziging of opheffing van de eerder getroffen voorlopige voorziening van 11 november 2024.
2. In de uitspraak van 11 november 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, gelet op de belangen die zij en verzoeker naar voren hebben gebracht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd volgt niet dat de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat, als wordt uitgegaan van de door verzoeker zelf gestelde leeftijd, hij inmiddels meerderjarig is.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025
915-1065
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...