ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356 Rolnummer: A. 234997/XIV-38863 Zaak: Arrest 261356 - Varia (economische zaken) - 14/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-20 Raadplegingen: 243 - laatst gezien 2026-06-03 16:51 Fiche Arrest nr 261.356 van 14 november 2024...
21 min de lecture · 4,557 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 14 november 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356
Rolnummer:
A. 234997/XIV-38863
Zaak:
Arrest 261356 – Varia (economische zaken) – 14/11/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-11-20
Raadplegingen:
243 – laatst gezien 2026-06-03 16:51
Fiche
Arrest nr 261.356 van 14 november 2024 Economische zaken – Varia (economische
zaken) Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356 no lien 279960 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 261.356 van 14 november 2024
in de zaak A. 234.997/XIV-38.863
In zake : de BV T.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Muriel Van Herreweghe kantoor houdend te 9900 Eeklo Koningin Astridplein 12
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francine Lemaire kantoor houdend te 1070 Brussel René Berrewaertslaan 34
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 10 november 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van “de definitieve beslissing tot terugvordering van een ‘coronahinderpremie’ dd. 14.06.21”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 259.166 van 19 maart 2024 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld.
XIV-38.863-1/15
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Kurt Demeester, die loco advocaat Muriel Van Herreweghe verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Francine Lemaire die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. In het tussenarrest nr. 259.166 van 19 maart 2024 worden de feiten uiteengezet. Er wordt naar verwezen.
IV. Rechtsmacht van de Raad van State
Exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht
4. In het hiervoor in punt 3 genoemde tussenarrest zijn ook de standpunten van de partijen weergegeven (cfr. de punten 4 en 5 van dat tussenarrest). Er wordt naar verwezen.
XIV-38.863-2/15
5. Hieraan dient nog toegevoegd dat de verzoekende partij er in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag op wijst dat nog steeds moet worden geoordeeld over de tweede connexe voorwaarde, met name de aangevoerde middelen en ingeroepen onwettigheden. Zij volhardt hieromtrent in de door haar in het verzoekschrift aangevoerde middelen en verwijst in het bijzonder “naar [haar] eerste middel, partim ‘schending van de formele motiveringsplicht’.”
Volgens de verzoekende partij beantwoordt de bestreden beslissing enkel de argumenten van de verzoekende partij met betrekking tot de ‘grillhouse’ en de ‘foodtruck’. De argumenten met betrekking tot de ‘demokeuken’ en de ‘(openlucht)toonzaal’ worden in de bestreden beslissing ontmoet, noch beantwoord waardoor de formelemotiveringsplicht is geschonden. De uiteenzetting die de verwerende partij ter zake nog geeft in de voorliggende procedure is laattijdig. De verzoekende partij vermeldt nog dat uit de door haar bijgebrachte foto’s blijkt dat minstens de demokeuken een gesloten entiteit is waarop de coronamaatregelen van toepassing waren. Zij stelt dat “[d]oor na te gaan of de coronahinderpremie kan worden toegekend voor de grillhouse, de foodtruck, de (openlucht)toonzaal en de demokeuken (de inspecteurs van) verweerders de fysieke locatie ervan [beoordelen] en zij op dat ogenblik met zekerheid een beoordelingsbevoegdheid uit[oefenen]. Er wordt immers discretionair geoordeeld of de feitelijke omstandigheden van de aanvrager voldoen aan de voorwaarden voor het behouden van de corona hinderpremie”. De verzoekende partij besluit dat zij derhalve wel degelijk gerechtigd is op de coronahinderpremie, hetgeen door de verwerende partij niet met gemotiveerde argumenten werd weerlegd.
6. De verwerende partij merkt in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag nog op dat de verzoekende partij er zich toe beperkt om te verwijzen naar het eerste middel, voor zover het is gesteund op de schending van de formelemotiveringsplicht en dat deze daarin nog stelt dat volgens haar de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing een beoordelingsbevoegdheid heeft, nu zij discretionair oordeelt of de feitelijke omstandigheden van de steunaanvraag voldoen aan de voorwaarden voor het ontvangen en behouden van de premie. De verwerende partij stelt dat dat standpunt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356 XIV-38.863-3/15
in strijd is met het gezag van gewijsde van het tussenarrest nr. 259.166 van 19
maart 2024, waar werd geoordeeld, wat het voorwerp van de vordering (de eerste connexe voorwaarde in het onderzoek van de rechtsmacht van de Raad van State)
betreft, het VLAIO bij het nemen van de bestreden beslissing beschikt over een volledig gebonden bevoegdheid. De verzoekende partij verwart ook de begrippen “appreciëren” en “interpreteren”. Het VLAIO doet niets anders dan de wettelijke regel, zoals het deze interpreteert, toepassen op de feitelijke omstandigheden van de steunaanvraag van de verzoekende partij.
Bovendien, aldus de verwerende partij, indien de formelemotiveringsplicht zou zijn geschonden, wat volgens haar niet het geval is, zou dit niet automatisch tot gevolg hebben dat de verzoekende partij recht heeft op de betwiste premies. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing van terugvordering op grond van de schending van de formelemotiveringsplicht zou de verwerende partij er toe brengen om een nieuwe beslissing te nemen, rekening houdend met het gezag van het vernietigingsarrest. De belangvereiste bij een middel impliceert dat de verzoekende partij voordeel haalt uit de vernietiging en dus aantoont dat de verwerende partij een andere – voor haar gunstige beslissing –
zou kunnen nemen, dit wil zeggen dat haar recht op de betwiste premies wordt vastgesteld. Echter, wanneer de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is en de verwerende partij, na een vernietiging, opnieuw dezelfde beslissing zou moeten nemen, ontbreekt het rechtens vereiste belang. Dit onderzoek veronderstelt noodzakelijkerwijze een oordeel over het bestaan en de omvang van het subjectief recht waarop de verzoekende partij beweert recht te hebben.
Beoordeling
7. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot
XIV-38.863-4/15
nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.
De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass.
(verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N)
(ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8).
8. In het tussenarrest nr. 259.166 van 19 maart 2024 is gewezen op de arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 waarin de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak heeft bevestigd dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (i) een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (ii) het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers)
27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R.
Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th.
Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8).
Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418
XIV-38.863-5/15
(ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).
De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).
Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass.
(verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9
(ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9) en van eerste advocaat-generaal R.
Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2) .
Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 (ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10) en C.06.0596.F
(ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11)). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een
XIV-38.863-6/15
discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9).
Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leidt ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat in de eerste plaats moet worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts echter moet bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering eveneens acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi).
A. Wat de eerste connexe voorwaarde (het petitum) betreft
10. In het eerdergenoemde tussenarrest nr. 259.166 van 19 maart 2024 heeft de Raad van State geoordeeld, wat het voorwerp van de vordering betreft, dat “het VLAIO bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren”, wat betekent dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en, derhalve, de eerste connexe voorwaarde te dezen is vervuld.
11. In datzelfde arrest is nog geoordeeld dat in de mate de verzoekende partij nog aanvoert dat zij de bestreden terugvorderingsbeslissing ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356 XIV-38.863-7/15
vernietigd wil zien omwille van, eensdeels, een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel samen met de formelemotiveringsplicht en, anderdeels, een verkeerde interpretatie van de criteria en noties van het toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 2020 ‘tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus’ (hierna: het besluit van 20 maart 2020), wat volgens haar aangelegenheden van objectief recht betreffen, de verzoekende partij in wezen verwijst naar de door haar ingeroepen middelen, wat evenwel de tweede connexe voorwaarde betreft.
Met het oog op de beoordeling van het al dan niet vervuld zijn van de tweede connexe voorwaarde werd bij het genoemde tussenarrest het debat heropend.
Hierna wordt derhalve – alvorens te kunnen besluiten of de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht kan worden ingewilligd – nog nagegaan of ook de tweede connexe voorwaarde is vervuld.
B. Wat de tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) betreft
B.1 Vooraf
12. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd.
Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen de verwerende partij oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft.
XIV-38.863-8/15
Uit de hiervoor in punt 8 aangehaalde arresten van de algemene vergadering volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt.
13. Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt daarentegen mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen.
Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht.
14. Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht.
Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State.
B.2. Uiteenzetting van de annulatiemiddelen (de causa petendi)
15. Te dezen voert de verzoekende partij in het verzoekschrift vier middelen aan, die zij in de memorie van wederantwoord herneemt.
XIV-38.863-9/15
Het eerste middel wordt ontleend aan een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de formelemotiveringsplicht. Zij stelt dat zij in haar bezwaarschrift in de administratieve procedure heeft betoogd dat zij in de openluchttoonzaal én demokeuken waarover zij beschikt, klanten kon ontvangen om barbecuetoestellen te bezichtigen en te verkopen, waarvan zij bewijstukken voorlegt. Volgens haar gaat het om “publiek toegankelijke ruimtes” die zij noodgedwongen moest sluiten omwille van de sanitaire crisis. Het betreft dus “fysieke, verplicht gesloten locaties” in de zin van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 2020 ‘tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus’ (hierna:
het besluit van 20 maart 2020). De verwerende partij heeft daarop niet geantwoord, noch aangegeven waarom de betrokken ruimtes niet zouden voldoen aan de criteria van het besluit van 20 maart 2020. Zij heeft dan ook niet alle determinerende feitelijke en juridische elementen beoordeeld noch vermeld in de bestreden beslissing, die derhalve niet is gesteund op een zorgvuldige voorbereiding en gebrekkig is gemotiveerd.
Het tweede middel wordt ontleend aan een schending van het genoemde artikel 4, in zoverre er, ondanks de onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering, uit zou moeten worden afgeleid dat de verwerende partij oordeelt dat de openluchttoonzaal en demokeuken geen fysieke locaties van de onderneming zijn in de zin van die bepaling.
In het derde middel wordt een schending aangevoerd van het redelijkheidsbeginsel in de mate uit de bestreden beslissing moet worden afgeleid dat de betrokken locaties niet verplicht gesloten zijn of moesten worden in de zin van datzelfde artikel 4. Geen enkele “normale, gematigd en redelijk handelende overheid in dezelfde omstandigheden zou [tot de conclusie] zijn gekomen dat die openbare ruimtes wel in gebruik konden (blijven) genomen zijn ten gevolge van de toentertijd van kracht zijnde maatregelen en beperkingen”.
In een vierde middel, tot slot, voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 4 van het besluit van 20 maart 2020, wat het uitbaten van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356 XIV-38.863-10/15
een foodtruck betreft. Zij meent dat ten onrechte is geoordeeld dat de foodtruck geen publiek toegankelijke locatie was waar men in normale omstandigheden producten verkoopt of diensten verleent en dagelijks klanten ontvangt. Door de coronamaatregelen kon zij haar foodtruck immers niet langer plaatsen op publieke evenementen of publiek toegankelijke locaties om daar haar waren te verkopen en kon zij haar cateringactiviteiten niet meer op de gebruikelijke wijze benaarstigen, wat leidde tot een aanzienlijk omzetverlies. Deze omstandigheid moet worden beschouwd of gelijkgeschakeld met een “verplicht gesloten locatie”, wat de verzoekende partij vervolgens verder toelicht. In haar uiteenzetting stelt zij nog dat aan het genoemde artikel 4 een grondwetsconforme uitleg moet worden gegeven op straffe van een schending van het gelijkheidsbeginsel dat ligt vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De gevraagde subsidie wordt immers ook toegekend aan ambulante handelaars en foorkramers die geconfronteerd worden met een door de coronavirusmaatregelen gesloten reguliere openbare markt of openbare kermis. Het betwiste onderscheid tussen categorieën van personen die zich in eenzelfde of vergelijkbare situatie bevinden, is niet gerechtvaardigd, wat zij eveneens verder toelicht. Er bestaat volgens haar geen objectieve en redelijke verantwoording om op basis van het criterium “indirecte economische schade ten gevolge van de sluiting of toegankelijkheid van publieke ruimtes” enkel marktkramers een subsidie toe te kennen. Een andersluidende interpretatie van artikel 4 zou, aldus de verzoekende partij, het gelijkheidsbeginsel schenden.
In haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag stelt de verzoekende partij nog, wat de tweede connexe voorwaarde in het licht van de ingeroepen exceptie van onwettigheid betreft (zie supra, punt 5), dat zij volhardt in de middelen en in het bijzonder verwijst naar haar eerste middel, partim schending van de formelemotiveringsplicht. Er wordt volgens haar immers discretionair geoordeeld of de feitelijke omstandigheden van de aanvrager voldoen aan de voorwaarden voor het behouden van de coronahinderpremie. De verzoekende partij besluit dat zij derhalve wel degelijk gerechtigd is op de coronahinderpremie, wat door de bestreden beslissing niet met gemotiveerde argumenten werd weerlegd.
XIV-38.863-11/15
B.3. Beoordeling van de tweede connexe voorwaarde
16. Het te dezen toepasselijke artikel 4 van het besluit van 20 april 2020 waarnaar de verzoekende partij verwijst, bepaalt:
“Een forfaitaire subsidie van 4000 euro wordt toegekend aan ondernemingen die alle dagen verplicht gesloten zijn ten gevolge van de coronavirusmaatregelen, en waarbij hun locatie gesloten is.
Voor ondernemingen actief in de horecasector is het voldoende dat de gelagzaal verplicht is gesloten.
De forfaitaire subsidie wordt ook toegekend aan ambulante handelaars en foorkramers die geconfronteerd worden met een door de coronavirusmaatregelen gesloten reguliere openbare markt of openbare kermis in het Vlaamse Gewest waarop zij normaal aanwezig zijn.”
In het tussenarrest nr. 259.166 van 19 maart 2024 heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat het VLAIO “bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren”. Eenzelfde volledig gebonden bevoegdheid in hoofde van de tot beslissen bevoegde overheid werd in dat arrest vastgesteld wat de bestreden beslissing tot terugvordering betreft.
Aldus heeft het genoemde tussenarrest reeds met gezag van gewijsde vastgesteld dat de eerste connexe voorwaarde is vervuld.
17. In de mate de verzoekende partij in haar laatste memorie nog in het bijzonder verwijst naar haar eerste middel, partim schending van de formelemotiveringsplicht en daarin stelt dat volgens haar de verwerende partij “discretionair” heeft geoordeeld of de feitelijke omstandigheden van de aanvrager voldoen aan de voorwaarden voor het behouden van de coronahinderpremie, verwart zij niet alleen de begrippen “appreciatie” en “interpretatie” doch gaat zij daarenboven in tegen het gezag van gewijsde van dat arrest. De bevoegdheid om te appreciëren veronderstelt een discretionaire beoordelingsruimte waarbinnen de tot beslissen bevoegde overheid keuzes kan maken, beoordelingsruimte die te dezen ontbreekt.
XIV-38.863-12/15
18. Voorts, in de mate de verzoekende partij een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het redelijkheidsbeginsel (eerste en derde middel) als beginselen van behoorlijk bestuur inroept, dient vastgesteld dat een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur niet kan worden aangenomen indien de overheid bij het nemen van een beslissing niet over een discretionaire bevoegdheid doch slechts over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt, zoals te dezen het geval is.
19. De overige door de verzoekende partij in haar tweede en vierde middel aangevoerde schendingen hebben elk rechtstreeks betrekking op of worden rechtstreeks afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus de daarmee overeenstemmende subjectieve rechten van de verzoekende partij vestigen. Zij hebben rechtstreeks betrekking op de vraag hoe in het hiervoor aangehaalde artikel 4 van het besluit van 20 maart 2020 de zinsnede (en de daarin gehanteerde begrippen) “verplicht gesloten zijn ten gevolge van de coronavirusmaatregelen, en waarbij hun locatie gesloten is”, moet worden geïnterpreteerd en, vervolgens, toegepast.
Aldus geconstrueerd, zijn deze middelen afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die een verplichting (om aan de verzoekende partij de gevraagde premie toe te kennen) in het leven roept en die het geschil inhoudelijk bepaalt. De verzoekende partij voert bij zowel het tweede als het derde middel aan dat indien deze bepaling wordt geïnterpreteerd in en toegepast op de, naar haar oordeel, correcte wijze, zou moeten worden vastgesteld dat zij wel degelijk aanspraak maakt op de gevraagde premie. Het verkrijgen van die premie, na de door de verzoekende partij voorgehouden (grondwetsconforme)
interpretatie van de toe te passen reglementaire voorschriften, is en blijft het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van haar vordering en het voordeel dat zij met het voorliggende beroep nastreeft, waarvoor de Raad van State echter geen rechtsmacht heeft.
XIV-38.863-13/15
Besluit
20. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep betreft bijgevolg een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid en 145, van de Grondwet zonder rechtsmacht is.
Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Of de verwerende partij van oordeel mocht zijn dat de verzoekende partij de premie niet mocht worden toegekend, de juiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan en de toepasselijke reglementaire voorschriften (al dan niet grondwetsconform) correct heeft geïnterpreteerd en toegepast, staat ter beoordeling van de bevoegde justitiële rechter, evenals de vraag of – daargelaten nog de vaststelling dat de verzoekende partij geen schending van artikel 159 van de Grondwet inroept – door die toepassing gebeurlijk een schending voorligt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel of het verbod van discriminatie alsook de vraag of de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van on(grond)wettige reglementaire voorschriften.
21. In het licht van het voorgaande dient te worden besloten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om het vernietigingsberoep te behandelen.
De exceptie is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XIV-38.863-14/15
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-38.863-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356
Gerelateerde publicatie(s)
voorafgegaan door:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.166
citeert:
ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10
ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11
ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10
ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6
ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6
ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8
ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9
ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9
ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8
ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...