ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260408.2N.12
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260408.2N.12 Rolnummer: P.26.0337.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-10 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-05-18 20:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(en) nog niet...
5 min de lecture · 1 088 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 08 april 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260408.2N.12
Rolnummer:
P.26.0337.N
Zaak:
A.
Kamer:
2N – tweede kamer
Rechtsgebied:
Strafrecht
Invoerdatum:
2026-04-10
Raadplegingen:
287 – laatst gezien 2026-05-18 20:23
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiche
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
STRAFUITVOERING
Tekst van de beslissing
Nr. P.26.0337.N
K. A.,
veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd,
eiser,
met als raadsman mr. Samir Benhaddouche, advocaat bij de balie Gent.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 maart 2026.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Philippe de Koster heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middelen
1. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 5, 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: uit deze bepalingen en dit algemeen rechtsbeginsel volgt dat een veroordeelde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde proces; hij moet zijn proces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst; hij moet verklaringen kunnen afleggen en met de rechter in interactie treden over zijn aanvraag, de adviezen en zijn persoonlijkheid; uitzonderingen op dit grondrecht moeten strikt worden geïnterpreteerd; volgens artikel 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering heeft de veroordeelde het recht om bij een volgend verzoek tot toekenning van dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit te vragen om te worden gehoord; de eiser heeft gevraagd om te worden gehoord; dit blijkt uit een schrijven van zijn raadsman aan de griffie; het betrof een tweede verzoek om dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit.
Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis maakt geen melding van eisers verzoek en in het bijzonder de e-mail van de raadsman van 10 februari 2026; de strafuitvoeringsrechter motiveert onvoldoende waarom de eiser niet kan worden gehoord; dat is des te belangrijker omdat de eiser voor zijn strafeinde op 18 juni 2026 geen nieuw verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit kan indienen.
Het derde middel voert schending aan van artikel 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering: niettegenstaande de eiser een tweede verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft ingediend, nadat een eerste verzoek bij vonnis van 30 juli 2025 was geweigerd, en hij heeft gevraagd om te worden gehoord, weigert de strafuitvoeringsrechter hem te horen.
2. Het eerste middel preciseert niet waarin de schending van artikel 5 EVRM bestaat.
In zoverre is het eerste middel niet ontvankelijk.
3. De strafuitvoeringsrechter doet geen uitspraak over de gegrondheid van een strafvervolging. Hij doet ook geen uitspraak over een burgerlijk recht. Derhalve zijn de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.3.d IVBPR, alsook het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces niet van toepassing op de rechtspleging voor de strafuitvoeringsrechter.
In zoverre het eerste middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
4. Artikel 98/6, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het hoofdstuk I (De noodprocedure strafuitvoeringsrechter) van titel XIIquater (Tijdelijke bepalingen) van de Wet Strafuitvoering van toepassing is op de veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, ten aanzien van wie de bepalingen van deze wet overeenkomstig artikel 109/1 Wet Strafuitvoering niet van toepassing zijn.
5. Artikel 98/6, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter aan de in het eerste lid bedoelde veroordeelde de voorwaardelijke invrijheidstelling toekent op de in dit hoofdstuk bepaalde wijze en onder de daarin bepaalde voorwaarden en meer bepaald volgens de artikelen 98/10, 98/13, 98/15, 98/16, 98/18, 98/19, 98/20, 98/21, 98/22, 98/25 en 98/26. Die procedure voorziet niet in het horen van de veroordeelde door de strafuitvoeringsrechter.
6. Artikel 109/1, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat tot 1 juni 2030 onder meer artikel 37 Wet Strafuitvoering niet van toepassing is op veroordeelden die een of meer vrijheidsstraffen ondergaan waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen.
7. Daaruit volgt dat geen enkele bepaling de strafuitvoeringsrechter verplicht in te gaan op het verzoek van een veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, om te worden gehoord door de strafuitvoeringsrechter die moet beslissen over de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit volgens de voormelde bepalingen.
In zoverre het eerste en derde middel uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
8. Geen enkele bepaling verplicht de strafuitvoeringsrechter uitdrukkelijk melding te maken van het verzoek van een veroordeelde om te worden gehoord, of van het geschrift waarin dat verzoek wordt geformuleerd.
In zoverre het tweede middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
9. Het vonnis motiveert waarom niet kan worden ingegaan op het verzoek van de eiser, die een vrijheidsstraf ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, om te worden gehoord. Aldus beantwoordt en verwerpt het vonnis dit verzoek.
In zoverre mist het tweede middel feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek
10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 6,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Sabrina Noël, en in openbare rechtszitting van 8 april 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Philippe de Koster, met bijstand van griffier Ayse Birant.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260408.2N.12
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...