ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.4
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.4 Rolnummer: F.25.0008.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 307 - laatst gezien 2026-05-18 12:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche...
6 min de lecture · 1 210 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 16 april 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.4
Rolnummer:
F.25.0008.N
Zaak:
D. contra BELGISCHE STAAT
Kamer:
1N – eerste kamer
Rechtsgebied:
Belastingrecht
Invoerdatum:
2026-05-07
Raadplegingen:
307 – laatst gezien 2026-05-18 12:54
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiche
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
INKOMSTENBELASTINGEN – AANSLAGPROCEDURE – Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen
Tekst van de beslissing
Nr. F.25.0008.N
D. D.W.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat, 3, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 oktober 2024.
Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 305 WIB92, zoals van toepassing, zijn belastingplichtigen die aan de personenbelasting zijn onderworpen gehouden ieder jaar aan de administratie der directe belastingen een aangifte over te leggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311.
Krachtens artikel 308, § 1, WIB92, zoals van toepassing, moeten de belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden van belastbaarheid inzake personenbelasting aanwezig zijn, hun aangifte aan de dienst die op het formulier is vermeld doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de verzending ervan.
Krachtens artikel 308, § 3, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing, moeten de in § 1 bedoelde belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen uiterlijk op 1 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar is genoemd bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren een aangifteformulier aanvragen.
Krachtens artikel 444 WIB92, zoals van toepassing, worden bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen.
Krachtens artikel 225 KB WIB92, zoals van toepassing, wordt de schaal van de belastingverhogingen bij niet-aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing als volgt vastgesteld:
“(…)
C. Niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken :
– 1ste overtreding 50 pct.
– 2de overtreding 100 pct.
– 3de overtreding en volgende overtredingen 200 pct.”
Krachtens artikel 229 KB WIB92, zoals van toepassing, is voor de vaststelling van het krachtens artikel 225, 226 en 228 toe te passen percent van de belastingverhogingen, een tweede of een volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de verhoging die de vorige overtreding heeft bestraft.
2. Voor het bepalen van de rang van de overtreding bij niet-aangifte moet het moment van de overtreding worden gesitueerd op het ogenblik dat de belastingplichtige nalaat zijn aangifte in te dienen binnen de wettelijk voorziene aangiftetermijn, in voorkomend geval nadat hij met toepassing van artikel 308, § 3, WIB92 een aangifteformulier heeft aangevraagd. Het feit dat de fiscale administratie na het verstrijken van de aangiftetermijnen bij wijze van ‘administratieve gunst’ aan de belastingplichtige de kans geeft om alsnog een aangifte in te dienen, heeft niet tot gevolg dat de belastingplichtige dan een overtreding begaat door daaraan geen gevolg te geven.
3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:
– de eiser aanvoert dat voor aanslagjaar 2011 geen sprake is van een tweede overtreding, maar slechts van een eerste overtreding;
– de taxatiedienst zich sowieso kan plaatsen op het moment van het vestigen van de aanslag en rekening kan houden met de gegevens waarover hij beschikt;
– om de herhaling te beoordelen, moet worden nagegaan of de eiser al in overtreding was voor vorige jaren op het moment dat hij zijn aangifte moest indienen;
– in dat verband de taxatiedienst in de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft gemotiveerd dat de eiser, bij wijze van administratieve gunst op 4 april 2017 de kans heeft gekregen om voor de aanslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2016 alsnog een aangifte in de personenbelasting in te dienen, zodat een nieuwe indieningstermijn werd verleend;
– de eiser heeft geweigerd daarop in te gaan;
– deze niet-aangifte voor het aanslagjaar 2011 zich dus voordeed in 2017;
– op dat moment al herhaaldelijk inbreuken waren vastgesteld voor andere aanslagjaren, waarvoor de verweerder belastingverhogingen wegens fraude heeft opgelegd;
– de opbouw van de motivering in de kennisgeving van aanslag van ambtswege logisch is en afgestemd op de chronologie;
– het volstaat de motivering te lezen om te beseffen dat de taxatiedienst zijn oordeel dat sprake was van een tweede overtreding heeft afgestemd op het gegeven dat in april-mei 2017 niet werd ingegaan op de ultieme mogelijkheid om een aangifte in te dienen en dat daaraan voorafgaand al een sanctie voor niet-aangifte aan de eiser was opgelegd;
– in die omstandigheden onmiskenbaar sprake is van een tweede inbreuk wegens fraude die een tarief van 100 pct. verantwoordt.
4. De appelrechter die zodoende, voor het bepalen van de rang van de overtreding wegens de niet-aangifte voor het aanslagjaar 2011, de overtreding situeert in 2017, wanneer de belastingplichtige weigert gevolg te geven aan de gunstmaatregel om voor dat aanslagjaar 2011 alsnog een aangifte in te dienen, verantwoordt zijn beslissing tot belastingverhoging van 100 pct. niet naar recht.
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het een belastingverhoging oplegt van 100 pct. en het uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Sven Mosselmans, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Myriam Ghyselen, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 16 april 2026 uitgesproken door waarnemend voorzitter Sven Mosselmans, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.4
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...