ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260423.1N.4
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260423.1N.4 Rolnummer: C.24.0360.N-C.24.0467.N Zaak: WILHELMSEN PORT SERVICES BELGIUM nv c. BRUINSMA FRERIKS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2026-05-11 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-05-18...
15 min de lecture · 3 135 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 23 april 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260423.1N.4
Rolnummer:
C.24.0360.N-C.24.0467.N
Zaak:
WILHELMSEN PORT SERVICES BELGIUM nv c. BRUINSMA FRERIKS
Kamer:
1N – eerste kamer
Rechtsgebied:
Handelsrecht – Burgerlijk recht – Overige
Invoerdatum:
2026-05-11
Raadplegingen:
197 – laatst gezien 2026-05-18 10:04
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiches 1 – 4
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
VERVOER – GOEDERENVERVOER – Rivier- en zeevervoer
BEWIJS – BURGERLIJKE ZAKEN – Algemeen
INTERESTEN – MORATOIRE INTERESTEN
RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Tekst van de beslissing
Nr. C.24.0360.N
W. PORT SERVICES BELGIUM nv, voorheen W. Ships Service,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
1. B. F. TRANSPORT bv,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest,
2. CARPE DIEM SCHEEPVAART bv, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 5331 KD Kerkdriel (Nederland), Maasbandijk 38,
3. ALPINIST sa, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 6670 Mertert (Groot-Hertogdom Luxemburg), Rue Basse 2C,
verweersters,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweersters woonplaats kiezen.
II
Nr. C.24.0467.N
1. CARPE DIEM SCHEEPVAART bv, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 5331 KD Kerkdriel (Nederland), Maasbandijk 38,
2. ALPINIST sa, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 6670 Mertert (Groot-Hertogdom Luxemburg), Rue Basse 2C,
eiseressen,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woonplaats kiezen,
tegen
1. HELVETIA ASSURANCES sa, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 76600 Le Havre (Frankrijk), Quai Lamandé 25,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de verweerster woonplaats kiest,
2. W. PORT SERVICES BELGIUM nv, voorheen W. Ships Service,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen C.24.0360.N en C.24.0467.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 mei 2024.
Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 20 maart 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
In de zaak C.24.0360.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.
In de zaak C.24.0467.N voeren de eiseressen in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. Voeging
1. De cassatieberoepen in de zaken gekend onder algemeen rolnummer C.24.0360.N en C.24.0467.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest.
Ze dienen te worden gevoegd.
B. Zaak C.24.0360.N
Eerste middel
2. Krachtens artikel 3.1 van het Verdrag van 22 juni 2001 inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren, goedgekeurd bij wet van 29 juni 2008, hierna CMNI, is de vervoerder verplicht de goederen binnen de gestelde termijn naar de plaats van aflevering te vervoeren en deze bij de geadresseerde af te leveren in dezelfde staat als waarin hij ze heeft overhandigd gekregen.
Krachtens artikel 3.3 CMNI bepaalt de vervoerder welk schip moet worden gebruikt en is hij verplicht, voorafgaand aan de aanvang van de reis, naar behoren erop toe te zien dat het schip, rekening houdend met de te vervoeren goederen, geschikt is om de lading in te nemen, geschikt is om te varen en voorzien is van de ingevolge de geldende regelgeving vereiste uitrusting en bemanning en dat de voor het vervoer van de betrokken goederen vereiste nationale en internationale vergunningen aanwezig zijn.
Krachtens artikel 4.1 CMNI dient de overeenkomst die beantwoordt aan de begripsomschrijving van artikel 1, eerste lid, gesloten tussen een vervoerder en een ondervervoerder te worden beschouwd als een vervoerovereenkomst in de zin van dit verdrag en zijn met betrekking tot deze overeenkomst alle bepalingen van dit verdrag die betrekking hebben op de afzender van toepassing op de vervoerder en alle bepalingen van dit verdrag die betrekking hebben op de vervoerder op de ondervervoerder.
Krachtens artikel 4.2 CMNI blijft de vervoerder, wanneer de vervoerder de uitvoering van het vervoer geheel of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een ondervervoerder, ongeacht of dit gebeurt ter uitvoering van een hem in de vervoerovereenkomst toegekend recht of niet, overeenkomstig de bepalingen van dit verdrag aansprakelijk voor het gehele vervoer. Alle bepalingen van dit verdrag die betrekking hebben op de aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook van toepassing op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met betrekking tot het door deze laatste verrichte vervoer.
Artikel 16.1 CMNI bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen ten vervoer en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering, voor zover hij niet bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen.
Krachtens artikel 18.1 CMNI zijn de vervoerder en de ondervervoerder ontheven van aansprakelijkheid, indien het verlies, de schade of de vertraging het gevolg is van één van de hierna opgesomde omstandigheden: a) het handelen of nalaten van de afzender, van de geadresseerde of van de persoon die beschikkingsbevoegd is.
Krachtens artikel 18.2 CMNI wordt, wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, schade een gevolg heeft kunnen zijn van één van de in het eerste lid genoemde omstandigheden of risico’s, vermoed dat de schade is ontstaan door deze omstandigheid of dit risico en vervalt dit vermoeden indien de benadeelde bewijst dat de schade niet of niet uitsluitend voortvloeit uit één van de in het eerste lid van dit artikel genoemde omstandigheden of risico’s.
Artikel 25.1 CMNI bepaalt dat elk beding dat strekt tot uitsluiting, beperking of onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 20, vierde lid, uitbreiding van de aansprakelijkheid in de zin van dit verdrag van de vervoerder, de ondervervoerder of van hun ondergeschikten of lasthebbers, of die strekt tot omkering van de bewijslast of tot verkorting van de in de artikelen 23 en 24 bedoelde vorderings- en verjaringstermijnen, nietig is. Elk beding dat aanspraken uit hoofde van de verzekering van de goederen toewijst aan de vervoerder is eveneens nietig.
3. Uit voormelde verdragsbepalingen volgt dat de bepalingen van het CMNI die op de vervoerder van toepassing zijn ook van toepassing zijn op de ondervervoerder en elke overeenkomst die de ondervervoerder ontheft van zijn aansprakelijkheid voor ladingschade wegens niet-naleving van zijn verplichting een voor het vervoer ladingsgeschikt schip ter beschikking te stellen, nietig is.
4. Wanneer de ondervervoerder de hoofdvervoerder die in de verhouding tot de ondervervoerder als afzender fungeert, op een mogelijke ongeschiktheid van het schip om de lading in te nemen wijst en de hoofdvervoerder toch ervoor opteert om het schip te laten inzetten, kan dit een handelen zijn van de hoofdvervoerder als afzender in de zin van artikel 18.1, a), CMNI dat leidt tot ontheffing van aansprakelijkheid van de ondervervoerder zonder dat dit kan leiden tot een nietigheid zoals bedoeld in artikel 25.1 CMNI.
In zoverre het middel ervan uitgaat dat de wilsovereenstemming tussen de hoofdvervoerder als afzender en de ondervervoerder met betrekking tot het gebruik van een schip waarvan de tanks niet gereinigd zijn maar goed geventileerd, een beding uitmaakt dat de aansprakelijkheid van de ondervervoerder wat betreft het ter beschikking stellen van een ladinggeschikt schip beperkt of uitsluit, faalt het naar recht.
5. Anders dan waarvan het middel uitgaat, houdt de instemming van de hoofdvervoerder als afzender met de mededeling van de ondervervoerder dat het schip niet werd gereinigd maar geventileerd geen afwenteling in van de in artikel 3.3 CMNI op de vervoerder rustende verplichting te voorzien in een ladinggeschikt schip.
Het middel faalt in zoverre naar recht.
6. Het gegeven dat ladingschade het gevolg is van contaminatie door de aanwezigheid van ladingrestanten sluit niet uit dat de vervoerder met toepassing van artikel 18.1, a), CMNI van aansprakelijkheid in de zin van artikel 16 van dat verdrag is ontheven indien de afzender een weloverwogen keuze maakt voor gebruik van het schip nadat de vervoerder hem uitdrukkelijk heeft gewezen op een mogelijke ladingongeschiktheid van dat schip.
7. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
– ten genoegen van recht is aangetoond dat de verontreiniging voortvloeit uit de reactie van de ureum-ammoniumnitraatoplossing met de beperkt aanwezige residu’s van vorige lading;
– de aantasting van het product is ontstaan aan boord van het binnenschip;
– de eiseres bij toepassing van de artikelen 3.3, 4.2, 16.1 en 17 CMNI gehouden is tot betaling van de vergoeding van de beschadigde lading aan de in de rechten van AREA gesubrogeerde verzekeraar;
– de eerste verweerster enkel een schip kon aanbieden waarvan de scheepstanks niet gereinigd waren maar wel goed geventileerd en dat de drie vorige keren ammoniumsulfaatoplossingen had vervoerd;
– dit kennelijk zo voor contractsluiting werd gecommuniceerd en daarna opnieuw in duidelijke drukletters werd weergegeven in beide mails;
– het aan de eiseres was om uit te maken of zij dat ongereinigde schip geschikt achtte voor de beoogde vervoeropdracht van de betrokken meststof of niet;
– de eiseres als specialist in binnenvervoer wetens en willens ervoor heeft geopteerd om het schip waarvan de tanks enkel geventileerd waren maar niet gewassen en nagelensd en die voordien ammoniumsulfaatoplossingen hadden bevat, in te zetten voor het vervoer van een ureum-ammoniumnitraatoplossing zonder dit te communiceren aan haar eigen opdrachtgever;
– door zelf nadrukkelijk in het kader van de onderhandelingen die aanleiding zouden geven tot contractsluiting te hebben meegedeeld dat het een schip betrof waarvan de tanks niet gereinigd waren, maar enkel geventileerd met opgave van het tijdens de drie eerdere reizen vervoerde product, de eerste verweerster zich ten overstaan van de eiseres alleszins kan beroepen op de weloverwogen keuze van de goed geïnformeerde eiseres.
De appelrechters die met deze redenen oordelen dat de ladingschade in “de hoger omschreven omstandigheden” het gevolg is van het handelen of nalaten van de eiseres in de zin van artikel 18.1, a), CMNI, verantwoorden naar recht hun beslissing dat de eerste verweerster ten overstaan van de eiseres daarvoor niet aansprakelijk is.
In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 16.1 en 18.1, a), CMNI, kan het niet worden aangenomen.
8. Het is mogelijk om enerzijds met een redelijke mate van zekerheid op grond van overtuigingsstukken te beslissen dat ladingschade is ontstaan door contaminatie met residu’s van een vorige lading en dat die schade door de vervoerder had kunnen worden vermeden door de tanks te reinigen en anderzijds te oordelen dat de ladingschade ontstaan is door het handelen of nalaten van de afzender.
In zoverre het middel aanvoert dat, na vaststelling dat de schade bestaat in contaminatie van de lading ontstaan in de scheepstanks van het schip, de schade niet het gevolg kan zijn van een handeling of nalaten van de afzender en artikel 18.1, a), CMNI geen toepassing kan vinden, kan het niet worden aangenomen.
9. De appelrechters stellen de eiseres niet aansprakelijk voor de ladingschade op grond van artikel 18.2 CMNI.
In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters de eiseres aansprakelijk stellen voor de ladingschade op grond van de artikelen 18.1, a) en 18.2 CMNI, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
10. Een verval van het in artikel 18.2 CMNI bedoelde vermoeden indien de benadeelde bewijst dat de schade niet of niet uitsluitend voortvloeit uit het handelen of nalaten van de afzender, is enkel van toepassing wanneer de schade het gevolg “heeft kunnen zijn” van één van de in artikel 18.1 genoemde omstandigheden of risico’s.
In zoverre het middel aanvoert dat uit artikel 18.1, a), CMNI volgt dat, wanneer de schade het gevolg kan zijn van het handelen of nalaten van de afzender, de benadeelde het bewijs kan leveren van een andere oorzaak, faalt het naar recht.
11. De in het middel vergeefs bekritiseerde reden dat de weloverwogen keuze van de eiseres voor het niet-gereinigde schip aan haar zijde een handelen of nalaten vormt in de zin van artikel 18.1, a), CMNI zodat de eerste verweerster ten aanzien van de eiseres daarvoor niet aansprakelijk is, draagt de beslissing tot afwijzing van de vrijwaringsvordering van de eiseres tegen de eerste verweerster.
In zoverre het middel opkomt tegen de reden dat geen verplichting van dwingend recht of van openbare orde bestaat tot het wassen en nalenzen van scheepstanks na elk vervoer of voor iedere nieuwe transportopdracht, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
(…)
Vierde middel
Eerste onderdeel
16. Krachtens artikel 18, eerste lid, van de wet van 5 mei 1936 op de binnenbevrachting, zoals van toepassing, is, indien de afzender of de geadresseerde niet laadt of lost binnen de termijn in het vorige artikel bedoeld, aan de schipper een vergoeding verschuldigd, die overliggeld wordt genoemd.
Het in deze wetsbepaling bedoelde overliggeld is een schadevergoeding die verschuldigd is voor het verstrijken van de overeengekomen lig-, laad- of lostijd.
Krachtens artikel 25, Wetboek van Koophandel, zoals van toepassing, kunnen, behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan, behoudens de uitzonderingen bepaald voor bijzondere gevallen. Koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten.
17. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de vordering tot betaling van overliggeld buiten het toepassingsgebied van artikel 25 Wetboek van Koophandel valt. Een contractuele schadevergoeding geeft geen aanleiding tot het opmaken van facturen.
18. De appelrechters die, rekening houdend met het feit dat de facturen van de eerste verweerster niet door de ontvanger werden betwist binnen een redelijke termijn, oordelen dat deze facturen door de eiseres werden aanvaard en met deze redenen de vordering van de eerste verweerster tegen de eiseres tot betaling van 99.890,63 euro overliggeld gegrond verklaren, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.
(…)
C. Zaak C.24.0467.N
(…)
Tweede middel
(…)
Gegrondheid
29. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij zelfs ambtshalve in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij.
In uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
Krachtens artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd per gerechtelijke band.
Artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voorziet in indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen.
Het gaat telkens om basis-, minimum- en maximumbedragen.
30. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding is krachtens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding 5.000 euro voor vorderingen van 100.000,01 tot 250.000 euro. Na indexatie vanaf 1 juni 2016 is dit bedrag 6.000 euro en vanaf 1 november 2022 7.500 euro.
31. Een vordering tot tussenkomst en vrijwaring creëert een nieuwe procesverhouding tussen de eiser in vrijwaring en de verweerder in vrijwaring. De partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring.
32. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de vordering van de tweede verweerster tegen de eiseressen strekte tot vrijwaring voor elke veroordeling die op vordering van de eerste verweerster tegen haar zou uitgesproken worden en de hoofdvordering van de eerste verweerster tegen de tweede verweerster strekte tot betaling van 247.234 euro in hoofdsom.
De vordering tot vrijwaring betrof aldus een in geld waardeerbare vordering waarvan het basisbedrag overeenkomstig artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding vanaf 1 juni 2016 6.000 euro en vanaf 1 november 2022 7.500 euro bedraagt.
33. De appelrechters die de door de tweede verweerster verschuldigde rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van de eiseressen vereffenen op 4.000 euro in eerste aanleg en 5.000 euro in hoger beroep schenden de voormelde wetsbepalingen.
Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Voegt de zaken C.24.0360.N en C.24.0467.N.
In de zaak C.24.0360.N:
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vrijwaringsvordering van de eiseres tegen de derde verweerster, de eiseres veroordeelt tot betaling aan de eerste verweerster van 99.830,63 euro, meer interest, en de eerste verweerster veroordeelt tot betaling aan de nv Lalemant Liquid van 4.250 euro, meer gerechtelijke interest, en uitspraak doet over de hieraan verbonden kosten.
In de zaak C.24.0467.N:
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de rechtsplegingsvergoeding in de procesverhouding tussen de tweede verweerster en de eiseressen.
In de zaken C.24.0360.N en C.24.0467.N:
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260423.1N.4
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...