ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.5
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Rechterlijke beslissing van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.5 Rolnummer: COH A.R. 610.N Zaak: J. contra MINISTER VAN JUSTITIE Kamer: COH Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-05-18 13:22 Fiche Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONWETTIGE...
13 min de lecture · 2 672 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Rechterlijke beslissing van 23 april 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.5
Rolnummer:
COH A.R. 610.N
Zaak:
J. contra MINISTER VAN JUSTITIE
Kamer:
COH
Rechtsgebied:
Strafrecht
Invoerdatum:
2026-05-08
Raadplegingen:
102 – laatst gezien 2026-05-18 03:48
Fiche
Thesaurus CAS:
VOORLOPIGE HECHTENIS – ONWETTIGE EN ONWERKZAME HECHTENIS – Schadeloosstelling
Tekst van de beslissing
In de zaak
COH. A.R. 610.N
van
J,
verzoeker,
met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Haantjeslei 69/A, waar de verzoeker woonplaats kiest,
tegen
MINISTER VAN JUSTITIE, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115.
I. Bestreden uitspraak
1. De minister van Justitie heeft op 14 november 2025 de bestreden beslissing genomen.
II. Feiten
2. Op 10 februari 2022 wordt de verzoeker van zijn vrijheid beroofd en de dag nadien beveelt de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, zijn aanhouding wegens deelname aan de activiteiten van een terroristische groep.
3. De verzoeker kwam in beeld in een omvangrijk dossier betreffende een groep die zich structureel inschreef in het gewelddadig jihadistisch salafisme, geleid door een medeverdachte. De verzoeker was regelmatig aanwezig bij de activiteiten van deze groep jongeren.
4. Bij beschikking van de raadkamer van 27 juni 2022 wordt de voorlopige hechtenis omgezet naar de modaliteit van het elektronisch toezicht. Het openbaar ministerie tekent op dezelfde dag hoger beroep aan. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 juli 2022 wordt de bestreden beschikking bevestigd. Het elektronisch toezicht gaat effectief in op 25 juli 2022.
5. De onderzoeksrechter beslist op 18 november 2022 dat de verzoeker onder voorwaarden wordt vrijgelaten. Hij wordt dezelfde dag effectief vrijgelaten.
6. De raadkamer verwijst bij beschikking van 22 mei 2023 de verzoeker naar de correctionele rechtbank voor de hem ten laste gelegde feiten.
7. Bij vonnis van 24 oktober 2023 van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, wordt de verzoeker vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten. Het openbaar ministerie tekent hiertegen op 22 november 2023 hoger beroep aan.
8. Bij arrest van 19 september 2024 spreekt het hof van beroep te Antwerpen de verzoeker vrij voor de hem ten laste gelegde feiten. Dit arrest heeft kracht van gewijsde.
9. De hechtenis heeft in totaal 282 dagen geduurd, waarvan 116 dagen onder elektronisch toezicht.
III. Rechtspleging
A. Voor de minister van Justitie
10. De verzoeker heeft een verzoek tot vergoeding ingediend, ontvangen op 2 juni 2025, strekkende tot toekenning van een materiële en morele schadevergoeding van in totaal 73.517,00 euro wegens een onwerkzame hechtenis gedurende 280 dagen. Voor de morele schade wordt een vergoeding gevorderd van 100,00 euro per dag voor 280 dagen hechtenis, hetzij 28.000,00 euro.
De post materiële schadevergoeding is samengesteld als volgt:
– 50,00 euro per dag dagvergoeding voor 280 dagen hechtenis, hetzij 14.000,00 euro;
– gederfde netto-inkomsten voor een periode van 9 maanden aan gemiddeld 2.477,00 euro per maand, hetzij 22.293,00 euro;
– honoraria advocaten, hetzij 9.224,00 euro.
11. Op 14 november 2025 heeft de minister dat verzoek afgewezen.
B. Voor de Commissie
12. De verzoeker heeft bij de Commissie een verzoekschrift ingediend, ontvangen op 13 januari 2026, waarin hij zijn oorspronkelijke aanspraak heeft hernomen.
13. De minister van Justitie heeft een memorie van antwoord ingediend die op het secretariaat van de Commissie is ontvangen op 28 januari 2026. Hierin verzoekt de minister in hoofdorde het verzoekschrift tot beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. Ondergeschikt vraagt de minister om de vergoeding voor de morele schade te beperken tot 40,00 euro per dag onwerkzame hechtenis en stelt zich voor wat betreft de materiële schade te gedragen naar de wijsheid van de Commissie.
14. Op de rechtszitting van 23 april 2026 heeft de voorzitter van het Hof van Cassatie verslag uitgebracht.
15. Mr. Arnaud Louwette loco mr. Christian Clement heeft namens de verzoeker gepleit.
16. Philip Brughmans, attaché bij de federale overheidsdienst Justitie, is gehoord namens de minister van Justitie.
17. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft advies uitgebracht.
18. De raadsman van de verzoeker heeft het laatste woord gekregen.
IV. Beslissing van de Commissie
19. Het verzoekschrift en de memorie van antwoord werden ingediend binnen de bij de wet bepaalde termijnen en zijn ontvankelijk.
20. Volgens artikel 28, § 1, Wet Onwerkzame Hechtenis mag elke persoon die in voorlopige hechtenis werd genomen gedurende meer dan acht dagen, zonder dat deze hechtenis of de handhaving ervan te wijten is aan zijn persoonlijke gedraging, aanspraak maken op een vergoeding, indien hij een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling heeft verkregen, dan wel bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing buiten de zaak is gesteld.
21. Volgens artikel 28, § 2, eerste en tweede lid, Wet Onwerkzame Hechtenis wordt het bedrag van deze vergoeding vastgesteld naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en privaat belang. Indien evenwel de persoon nog lopende vrijheidsstraffen heeft, worden de dagen van de voorlopige hechtenis die in aanmerking komen eerst toegerekend op de nog lopende vrijheidsstraffen.
22. De afbakening van de voor vergoeding of toerekening in aanmerking te nemen periode van onwerkzame hechtenis veronderstelt een voorafgaand onderzoek naar het al dan niet voorhanden zijn van persoonlijke gedragingen.
23. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van persoonlijke gedragingen van de verzoeker waaraan de hechtenis of de handhaving te wijten is, dient men zich te plaatsen op het tijdstip van de hechtenis of de handhaving ervan.
24. De verzoeker voert ten onrechte aan dat hij in de procedure bij de minister zijn verdediging ten gronde voor een derde maal heeft moeten voeren. De ministeriële beslissing beoordeelt enkel de gedragingen van de verzoeker in het kader van de procedure betreffende een vergoeding voor de onwerkzame voorlopige hechtenis en doet geen uitspraak over de grond van de zaak. Er wordt geen uitspraak gedaan over de schuld van de verzoeker, noch bevat de beslissing een redengeving waaruit blijkt dat de zaak opnieuw wordt beoordeeld en de verzoeker schuldig wordt bevonden. De beoordeling van de persoonlijke gedragingen van de verzoeker heeft enkel betrekking op de oorzaak van de hechtenis en de handhaving ervan en die oorzaak wordt afgeleid uit het strafdossier.
25. Bij de beoordeling van de persoonlijke gedragingen beperkt de Commissie zich niet uitsluitend tot opzettelijke gedragingen. Zoals eerder aangegeven, omvatten persoonlijke gedragingen elke oorzaak van de hechtenis en de handhaving ervan die betrekking heeft op de verzoeker en die blijkt uit het strafdossier.
26. Als dergelijke persoonlijke gedragingen die de vergoeding wegens onwerkzame hechtenis beletten, worden onder meer aangenomen, de gedragingen, handelingen of omstandigheden, die rechtstreeks of onrechtstreeks vragen oproepen en op dat moment verder onderzoek noodzaken of kunnen noodzaken en die, in de context van de feiten, moeilijk of bezwaarlijk als onverdacht kunnen doorgaan.
27. Als persoonlijke gedragingen van de verzoeker, in de voormelde zin, van aard de vergoeding wegens onwerkzame hechtenis te beletten, dienen in deze zaak te worden aangenomen:
– het onderhouden van verdachte contacten door de verzoeker, namelijk:
o de regelmatige contacten, zowel in de vorm van het samen optrekken als via telefoongesprekken en Whatsapp-communicatie, met één van de sleutelfiguren van de extremistische – in de zin van het rekruteren en opleiden van mensen in het jihadistisch salafisme – groepering uit het onderzoek, zijnde medeverdachte A.A., die uiteindelijk door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 24 oktober 2023 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaar voor de feiten van de telastleggingen A (diefstal met geweld), C1 (leidend persoon van een terroristische groep) en E (voorbereiden van een terroristische aanslag), zoals bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 september 2024; gedurende deze contacten spraken zij onder meer over:
– de ‘(d)jama’a’s’ (wat betekent « een verbond van gelijkgezinde moslims dat in opstand wil komen tegen de politieke islamitische leiders en door dat te doen, het koranisch gebod om het Goede te bevelen en het Kwade te verbieden wil gehoorzamen”) te Antwerpen, hetgeen lokale religieuze islamitische groeperingen zijn, waarvan zij deel uitmaken;
– de lessen ‘da’wa(h)’ (hetgeen rekrutering betekent) en ‘taraweeh’ (ramadangebed) die zij volgen;
– hun ‘ustad’, hetgeen ‘(leer)meester’ betekent, en waarbij A.A. stelt deze gespreken liever te voeren via Whatsapp (waarvan gesprekken moeilijker te onderscheppen zijn door de politie) en niet via de reguliere telefoon;
o het uiteindelijk toegegeven contact met de Nederlandse O.D. en het voeren van huwelijksbemiddeling bij A.A. ten behoeve van O.D., die in het huidige dossier weliswaar geen medeverdachte was, doch wel het voorwerp uitmaakte van lopend onderzoek in Nederland naar het voorbereiden van terroristische misdrijven en welke ook aanwezig was tijdens een gebedsmoment op het Krugerplein;
o de uiteindelijk toegegeven contacten met andere ‘Nederlandse broeders’ zoals A.M.I., met ‘kunya’ of bijnaam A. Q., die in het huidige dossier evenmin een medeverdachte was doch wel in Nederland gekend was binnen het jihadistisch milieu en die hij van A.A. bijvoorbeeld moest gaan ophalen;
o de toegegeven vriendschappelijke contacten, vanaf het moment waarop de verzoeker in België was toegekomen, met medeverdachte Z.E.A., die uiteindelijk door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 24 oktober 2023 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor de feiten van de telastlegging D5 (deelname aan de activiteiten van een terroristische groep), zoals bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 september 2024;
o de toegegeven contacten met medeverdachten A.A.B. en B.M., als zijnde kennissen, door middel van het carpoolen naar de (…) Moskee te Vilvoorde voor lessen en het met B.M. onderhouden van contact via Whatsapp-, persoonlijk, en in het kader van de Krugergroep, waarbij A.A.B. en B.M. uiteindelijk ook door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 24 oktober 2023 werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van ieder 8 jaar voor de feiten van de telastlegging C (leidend persoon van een terroristische groep), zoals bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 september 2024;
– de deelname van de verzoeker aan verdachte activiteiten in het kader van religieus extremisme, namelijk:
o de toegegeven deelname aan gebedsmomenten, waaronder op 20 juli 2021 op het Krugerplein te Antwerpen waarbij medeverdachte A.A. het gebed voorging en waartoe was opgeroepen via Whatsapp;
o de deelname aan de religieuze en salafistisch geïnspireerde lessen georganiseerd door medeverdachte A.A. en dit reeds meerdere jaren voorafgaand aan de feiten, die onder meer plaatsvonden in de garagebox in de Deken de Winterstraat te Berchem;
o het volgen van een lezing te Hilversum (Nederland) van de omstreden en reeds veroordeelde prediker A. H., op 2 mei 2021, tezamen met medeverdachten A.A., A.A.B. en B.M.;
– het afleggen van onduidelijke en leugenachtige verklaringen tijdens zijn verhoren omtrent:
o zijn alias: zo stelde de verzoeker tijdens zijn eerste verhoor geen bijnaam of ‘kunya’ te hebben, terwijl uit verder onderzoek wel degelijk bleek dat hij er een had, namelijk A. J., en dit in een later verhoor ook diende toe te geven;
o zijn band met medeverdachte A.A.: de verzoeker stelde tijdens zijn verhoren hem louter ‘van ziens’ te kennen, terwijl uit verder onderzoek bleek dat hun contact verregaander was en dat de verzoeker regelmatig met hem converseerde en afsprak en dat ze zelfs samen naar Marseille reisden voor ‘ontspanning’;
o het al dan niet volgen van religieuze lessen: de verzoeker stelde tijdens eerste verhoor nog nooit lessen in die zin te hebben gevolgd, terwijl uit verder onderzoek bleek, en hij ook tijdens een later verhoor diende toe te geven, dat hij onder andere lessen volgde bij medeverdachte A.A. in de garage in de (…) te Berchem en in een moskee te Vilvoorde;
o zijn aanwezigheid in een moskee te Vilvoorde: in zijn eerste verhoor verklaarde de verzoeker hier nog nooit geweest te zijn, terwijl hij later moest toegeven dat hij hier wel was geweest voor lessen over de koran;
o zijn oproepnummers: zo stelde de verzoeker tijdens zijn eerste verhoor slechts één oproepnummer te hebben (namelijk 0…), terwijl uit verder onderzoek bleek dat hij ook een ander oproepnummer had;
o zijn Nederlandse contacten: de verzoeker verklaarde tijdens zijn eerste verhoor enkel met zijn vriendin naar Nederland te gaan om te shoppen en geen verdere contacten te onderhouden in Nederland, terwijl uit verder onderzoek bleek dat hij contacten had met ‘Nederlandse broeders’ zoals A.M.I., met ‘kunya’ A. Q., en D.O., voor wie hij huwelijksbemiddeling deed via A.A.;
o zijn aanwezigheid in de garagebox in de (…) te Berchem: zo verklaarde de verzoeker tijdens zijn eerste verhoor al van die plaats gehoord te hebben doch er niet te zijn geweest, terwijl hij bij de onderzoeksrechter deze verklaring moest aanpassen na voorlegging van een foto van de verzoeker in de desbetreffende garage aan een lessenaar, waarbij hij dan pas verduidelijkte dat daar ook koranlessen door medeverdachte A.A. werden gegeven;
o zijn lidmaatschap van een ‘jama’at’ te Antwerpen: zo stelde de verzoeker, ook nog tijdens zijn herverhoor, geen lid te zijn van een ‘jama’at’, terwijl uit een telefoongesprek met medeverdachte A.A. bleek dat zij zichzelf beschouwden als leden van een Antwerpse ‘jama’at’;
– het gebruik van de alias ‘A. J.’ als ‘kunya’;
– het reeds voordien politioneel gekend zijn wegens feiten inzake veiligheid van de staat en verdachte handelingen.
28. Anders dan waarvan de verzoeker uitgaat, beperken de persoonlijke gedragingen van de verzoeker zich aldus niet tot het louter bijwonen van gebeden, het converseren met geloofsgenoten over religie en het volgen van een lezing die vallen onder de religievrijheid. Zo heeft de verzoeker onduidelijke en leugenachtige verklaringen afgelegd en was hij reeds politioneel gekend. Daarnaast dient erop te worden gewezen dat bepaalde persoonlijke gedragingen kaderen in een gerechtelijk onderzoek dat betrekking had op terrorismemisdrijven in een milieu van religieus extremisme. Dit betreft misdrijven die geenszins bescherming genieten in het kader van de vrijheid van eredienst zoals gewaarborgd door artikel 9.2 EVRM, artikel 18.3 IVBPR en artikel 19 Grondwet. Zo onderhield de verzoeker verdachte contacten met personen die effectief in dit dossier werden veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen wegens religieus geïnspireerde terroristische misdrijven en woonde hij in dit kader ook lessen bij waarbij uit het onderzoek bleek dat zij kaderden in extremistische religieuze ideologieën die geweld prediken.
29. Al deze elementen samen hebben tot een diepgaand onderzoek verplicht over het aandeel van de verzoeker in de feiten, waarvoor hij werd aangehouden en in hechtenis is gebleven tot en met 18 november 2022.
30. Het staat bijgevolg vast dat de hechtenis van de verzoeker op 10 februari 2022 en de handhaving daarvan tot en met 18 november 2022 aan zijn persoonlijke gedragingen te wijten zijn. In zoverre de verzoeker een vergoeding vraagt voor deze periode, voldoet hij derhalve niet aan de voorwaarden van artikel 28, § 1, Wet Onwerkzame Hechtenis.
Het verzoek is ongegrond.
DICTUM
De Commissie,
uitspraak doende in openbare zitting na behandeling met gesloten deuren,
verklaart het verzoek ontvankelijk maar niet gegrond.
Aldus door de Commissie van beroep inzake onwerkzame hechtenis uitgesproken in openbare rechtszitting 23 april 2026, waar aanwezig zijn de voorzitter van het Hof van Cassatie Filip Van Volsem, voorzitter, de eerste voorzitter van de Raad van State Wilfried Van Vaerenbergh, lid, de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies Peter Callens, lid, plaatsvervangend magistraat Alain Winants en de griffier Ayse Birant, secretaris.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.5
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...