ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 Rolnummer: A. 236252/XIV-39020 Zaak: Arrest 259047 - Tucht (openbaar ambt) - 06/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-11 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-10 23:42 Fiche Arrest nr 259.047 van 6 maart 2024...

Source officielle

23 min de lecture 4 955 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 06 maart 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047

Rolnummer:

A. 236252/XIV-39020

Zaak:

Arrest 259047 – Tucht (openbaar ambt) – 06/03/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-03-11

Raadplegingen:

99 – laatst gezien 2026-06-10 23:42

Fiche

Arrest nr 259.047 van 6 maart 2024 Openbaar ambt – Tucht (openbaar ambt)
Beslissing : Verwerping Depersonalisatie

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 no lien 276041 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 259.047 van 6 maart 2024
in de zaak A. 236.252/XIV-39.020
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jadzia Talboom kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezende bij de Federale Politie, DGR/JUR/CTX
Kroonlaan 145 A
1050 Brussel
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 25 februari 2022 waarbij het verzoek tot herziening van de beslissing waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, onontvankelijk wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.
XIV-39.020-1/16
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari 2024.
Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jadzia Talboom die verschijnt voor de verzoekende partij, en adviseur Nina Cauberghs die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker was beveiligingsassistent bij de Federale politie.
3.2. Op 12 juni 2020 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In deze beslissing worden de tuchtfeiten als volgt omschreven:
“Als beveiligingsassistent van de Federale Politie tekort te zijn gekomen aan zijn beroepsplichten, meer bepaald zijn voorbeeldfunctie, zijn beschikbaarheidsplicht en zijn verplichting om de wetten en reglementen na te leven, in casu de statutaire bepalingen inzake het rechtvaardigen van afwezigheden voor de voor de volgende periodes:
– 01.01.2019 t.e.m. 24.02.2019
– 14.06.2019 t.e.m. 17.11. 2019, uitgezonderd 05.07.2019 50% gewerkt;
08.07.2019 t.e.m. 19.07.2019 verlof; 05.08.2019 50% gewerkt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 XIV-39.020-2/16
– 20.12.2019 t.e.m. 22.12.2019
– 01.01.2020 t.e.m. 05.01.2020
– 11.01.2020 t.e.m. 12.02.2020.”
3.3. Verzoeker heeft tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring ingediend. De Raad van State heeft dit beroep verworpen bij arrest nr. 251.617 van 24 september 2021.
3.4. Op 25 oktober 2021 dient verzoeker een verzoek tot herziening van de tuchtstraf in. Dit verzoek is gesteund op twee gronden: enerzijds het feit dat verzoeker beschikte over de vereiste afwezigheidsattesten, anderzijds dat de feiten geen zware tuchtsanctie verantwoorden en het gevolg zijn van een toestand van medische overmacht.
3.5. Op 25 februari 2022 beslist de directeur-generaal van de Bestuurlijke politie dat het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan motieven of bewijzen. In de motivering wordt uiteengezet dat de twee aangevoerde gronden tot herziening geen nieuwe elementen betreffen.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van het enig middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 57bis van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991) “in samenhang gelezen” met de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker zet de draagwijdte van de geschonden geachte rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur uiteen en voert in essentie aan
XIV-39.020-3/16
dat het verzoek tot herziening ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De bestreden beslissing oordeelt ten onrechte dat verzoeker geen nieuwe elementen heeft aangevoerd, terwijl hij twee nieuwe elementen aanvoerde waarvan de hogere tuchtoverheid ten tijde van het nemen van de tuchtbeslissing geen kennis had en die haar in staat stelden minstens een herziening van de tuchtstraf te overwegen.
Ten eerste bracht verzoeker immers de afwezigheidsattesten van de ziekteperiodes bij en, ten tweede, voegde verzoeker bij zijn verzoek tot herziening nieuwe informatie in verband met zijn medische toestand.
Verzoeker acht de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht geschonden, daar de bestreden beslissing niet motiveert waarom de twee aangevoerde gronden tot herziening geen nieuwe elementen zouden zijn. Verzoekers medische toestand was juist van cruciaal belang voor de tuchtbeslissing, daar hij door die medische toestand niet aan zijn administratieve verplichtingen kon voldoen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verzoeker geschonden omdat de bestreden beslissing niet met kennis van zaken werd genomen. Hij leidt dit af uit het gegeven dat de bestreden beslissing is genomen op de allerlaatste dag van de beslissingstermijn van vier maanden en dan nog zeer summier is gemotiveerd, wat verzoeker doet besluiten dat de hogere tuchtoverheid “zich er makkelijk vanaf heeft gemaakt”. Er was immers geen tijd meer om het verzoek tot herziening grondig te bekijken. Mocht de hogere tuchtoverheid dat wel hebben gedaan, dan zou zij hebben vastgesteld dat de medische toestand van verzoeker tot een herziening van de tuchtbeslissing zou kunnen leiden en had zij het verzoek minstens ontvankelijk moeten verklaren.
Voorts zet verzoeker uiteen dat zijn specifieke medische conditie, die twijfel doet rijzen over het schuldelement, niet bekend was bij de hogere tuchtoverheid op het tijdstip waarop zij de tuchtbeslissing nam. In de bestreden beslissing wordt deze situatie van medische overmacht echter niet onderzocht. Het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel acht verzoeker geschonden, daar er een wanverhouding bestaat tussen de aangereikte motieven en de inhoud van de bestreden beslissing. Verzoeker herneemt in dat verband enerzijds de grief dat de aanvraag tot herziening in strijd met artikel 57bis van de tuchtwet niet-ontvankelijk werd verklaard, anderzijds de grief dat de motieven van de bestreden beslissing ontoereikend zijn om de inhoud ervan te dragen. Eender welke zorgvuldig en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 XIV-39.020-4/16
redelijk handelende tuchtoverheid zou het verzoek tot herziening ontvankelijk hebben verklaard. Ook het feit dat het dossier vier maanden heeft aangesleept, schendt het redelijkheidsbeginsel.
In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker naar wat hij reeds in het verzoekschrift aanvoerde. Aanvullend repliceert verzoeker op de memorie van antwoord. Hij beklemtoont dat hij wel degelijk een verzoek tot herziening gebaseerd op nieuwe elementen heeft ingediend en niet “een beroep”, zoals de verwerende partij opwerpt. Voorts voert verzoeker aan dat de verwerende partij artikel 57bis van de tuchtwet verkeerd interpreteert. Volgens verzoeker is het duidelijk dat de hogere tuchtoverheid ten tijde van het nemen van de tuchtbeslissing niet op de hoogte was van het feit dat hij met een burn-out kampte.
Het gegeven dat verzoeker daarvan zelf wél op de hoogte was, belet niet dat dit ten aanzien van de hogere tuchtoverheid wel degelijk een nieuw element is, dat bovendien twijfel doet ontstaan over het schuldelement. Dat verzoeker niet eerder naar buiten kwam met zijn burn-out hangt samen met het stigma daarrond en het gegeven dat de burn-out ontstaan is ingevolge de omstandigheden op het werk.
Daarom kan verzoeker niet worden verweten tijdens het tuchtonderzoek niet te hebben gewezen op de medische problematiek die ten grondslag lag aan zijn afwezigheden en aan het niet tijdig indienen van de medische attesten ter staving van die afwezigheden. Daarenboven had zijn burn-out tot gevolg dat hij volgens de arbeidsarts volledig arbeidsongeschikt was, wat volgens verzoeker de ongeschiktheid impliceert om administratieve verplichtingen te vervullen.
Verzoeker besluit dat gelet op zijn ziektebeeld niet van hem kon worden verwacht dat hij “zich zou bezighouden met het tijdig indienen van ziektebriefjes”. Hij wijst in dat verband op een arrest van de Raad van State waaruit hij afleidt dat indien het laattijdig versturen van medische attesten het gevolg is van een ziekte, de laattijdige indiening geen tuchtfeit is. Wat de schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, preciseert verzoeker dat hij geen schending van de redelijketermijneis aanvoert, maar wel dat de bestreden beslissing dermate summier en vaag is, dat hij niet inziet waarom het vier maanden duurde, tot de laatste dag van de wettelijke termijn, om een beslissing te nemen. Daar de hogere tuchtoverheid de bestreden beslissing ook op
XIV-39.020-5/16
enkele dagen tijd had kunnen nemen, blijkt volgens verzoeker dat zij niet de moeite heeft genomen het verzoek tot herziening in overweging te nemen.
In de laatste memorie herneemt verzoeker zijn eerdere argumentatie en bekritiseert hij het auditoraatsverslag. Hij zet uiteen dat niet het louter bijbrengen van de medische getuigschriften een nieuw element vormt, maar wel de inhoud ervan die aantoont dat hij met een burn-out kampte door pesterijen en discriminatie op de werkvloer. Het is volgens verzoeker onduidelijk waarom hem het niet eerder meedelen van de burn-out kan worden verweten. Hij schaamde zich hierover en voert aan dat niet kan worden betwist dat wie gaat klagen over het pestgedrag van collega’s nadien zwaar zal worden aangepakt door die collega’s.
Op de overweging in het auditoraatsverslag dat verzoeker toch in staat was om, ondanks zijn burn-out, een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen, antwoordt verzoeker dat dit door een advocaat gebeurde. Hij benadrukt voorts dat de toestand van medische overmacht wordt gestaafd door de medische attesten die duidelijk de burn-out vermelden, alsook dat verzoeker niet kan werken.
Beoordeling
Eerste grief: schending van artikel 57bis van de tuchtwet
5. Artikel 57bis van de tuchtwet luidt:
“Iedere betrokkene die bestraft wordt met een zware tuchtstraf kan tot de hogere tuchtoverheid die hem bestraft heeft een aanvraag tot herziening richten voor zover hij een nieuw element aantoont.
Iedere betrokkene die bestraft wordt met een lichte tuchtstraf kan tot de hogere tuchtoverheid een aanvraag tot herziening richten voor zover hij een nieuw element aantoont.
Betrokkene moet bij zijn aanvraag een volledig rapport voegen met de motiveringen en bewijzen die hij bezit om zijn aanvraag tot herziening van de genomen beslissing te staven.
De in het eerste of tweede lid bedoelde tuchtoverheid kan de aanvraag van betrokkene onontvankelijk verklaren wegens gebrek aan motieven of bewijzen zonder betrokkene voorafgaandelijk te horen.
Het tuchtorgaan dat op geldige wijze geadieerd wordt en dat oordeelt dat het verzoek van betrokkene gegrond is, zal een uitspraak doen na betrokkene gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben.
XIV-39.020-6/16
De met redenen omklede beslissing van het tuchtorgaan moet binnen vier maanden na de aanvraag genomen worden.
Tegen deze beslissing kan geen hoger beroep worden aangetekend. Betrokkene kan om de zes jaar een nieuwe aanvraag indienen.”
6. Artikel 57bis, eerste lid, van de tuchtwet laat de politieambtenaar, die bestraft is met een zware tuchtstraf, toe – zonder dat dit aan enige termijn gebonden is – een aanvraag tot herziening van de tuchtstraf in te dienen bij de hogere tuchtoverheid voor zover hij een nieuw element aantoont. Met deze procedure tot herziening heeft de wetgever beoogd het bestuur in de mogelijkheid te stellen voorbij te gaan aan het definitief karakter van een tuchtstraf “onder meer wanneer een nieuw feit plaatsvindt of een element aan het licht komt dat tot op de dag van de eindbeslissing niet gekend was door de tuchtoverheden en van die aard is twijfel te doen ontstaan omtrent de schuld van het gestrafte personeelslid” (Parl. St. Kamer, 2000-2001, nr. 50-1173/1, 16).
De procedure tot herziening is een uitzonderlijke procedure die het bestuur de mogelijkheid biedt terug te komen op tuchtbeslissingen, ook wanneer zij definitief geworden zijn. Het is geen nieuwe beroepsmogelijkheid tegen een opgelegde tuchtstraf maar een procedure die volledig losstaat van de genomen eindbeslissing.
Luidens artikel 57bis van de tuchtwet vereist het indienen van een aanvraag tot herziening dat de betrokkene “een nieuw element aantoont”. Om dat nieuw element aan te tonen moet verzoeker bij zijn aanvraag “een volledig rapport voegen met de motiveringen en bewijzen die hij bezit om zijn aanvraag tot herziening van de genomen beslissing te staven”. Bij gebrek aan dergelijke “motiveringen en bewijzen” kan de bevoegde tuchtoverheid de aanvraag “onontvankelijk” verklaren. Het aantonen van een nieuw element is bijgevolg een ontvankelijkheidsvereiste, waaraan moet worden voldaan vooraleer de bevoegde tuchtoverheid zich over de grond van de zaak kan buigen, met name of er reden is om de definitief geworden tuchtstraf te herzien.
Artikel 57bis van de tuchtwet, noch de parlementaire voorbereiding licht toe wat er onder “nieuw” moet worden verstaan. Volgens Van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 XIV-39.020-7/16
Dale’s Groot woordenboek van de Nederlandse taal betekent “nieuw”: “(van dingen) nog niet lang bestaand; pas gemaakt, pas verschenen enz.”, alsook “tot nog toe onbekend”. Uit deze beide betekenissen volgt dat een “nieuw element” zich alzo onderscheidt van een element dat wel reeds bestond, gemaakt of verschenen was, of wel al bekend was, te dezen op het ogenblik dat de tuchtbeslissing werd genomen. Een element waarvan het personeelslid kennis had of redelijkerwijze moest hebben voorafgaand aan het nemen van de tuchtbeslissing, maar waarvan het heeft nagelaten dit op te werpen wanneer het daartoe de gelegenheid had, is daarentegen geen nieuw element in de zin van artikel 57bis van de tuchtwet. Er anders over oordelen zou impliceren dat een tuchtbeslissing steeds zou kunnen worden herzien op basis van – al dan niet bewust of door toedoen van het personeelslid – achtergehouden elementen, wat niet strookt met de bedoeling van de wetgever en evenmin de rechtszekerheid dient.
Voorts komt het aan de hogere tuchtoverheid toe te oordelen of de door het personeelslid bijgebrachte motiveringen en bewijzen een nieuw element vormen in de zin van artikel 57bis van de tuchtwet. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
7. Te dezen voert verzoeker aan dat hij in zijn aanvraag tot herziening twee nieuwe elementen uiteenzette. Het eerste element is volgens het verzoek tot herziening: “Verzoekende partij beschikt over de vereiste afwezigheidsattesten”. Het tweede luidt: “De feiten verantwoorden geen zware tuchtsanctie en zijn het gevolg van een toestand van medische overmacht”.
Wat het eerste element betreft, antwoordt de bestreden beslissing: “Het beschikken over de vereiste afwezigheidsattesten is geen nieuw element. De tuchtsanctie had betrekking op het gebrek aan het vervullen van de vereiste administratieve verplichtingen naar aanleiding van de afwezigheden, gelet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 XIV-39.020-8/16
dat deze dienden te gebeuren binnen 24 uur;”. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid met deze beoordeling de grenzen van haar discretionaire beoordelingsruimte te buiten is gegaan. Verzoeker voegt immers “duplicaten” van de door de behandelende arts ten tijde van zijn ziekte uitgereikte medische getuigschriften als bewijs bij zijn aanvraag tot herziening. Niet alleen bestonden die medische attesten dus op het ogenblik dat de tuchtprocedure werd gestart, verzoeker moet ook worden geacht daarvan in het bezit te zijn geweest.
Verzoeker betwist dit immers niet; hij voert daarentegen aan dat hij om medische redenen de medische attesten niet tijdig kon indienen.
Wat het tweede element betreft, de medische overmacht die verzoeker steunt op zijn burn-out, antwoordt de bestreden beslissing: “Ik neem akte van de moeilijke situatie waarin u zich verklaarde te bevinden. Dit kan niet als nieuw element worden aanzien dat van aard is een ander licht te werpen op uw eerdere tuchtrechtelijke beoordeling door mij.” Ook wat de beoordeling van dit tweede element betreft, maakt verzoeker niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid daarmee de grenzen van haar discretionaire beoordelingsruimte te buiten is gegaan. De diagnose van burn-out wordt, zoals verzoeker zelf opmerkt, immers vermeld op de duplicaten van de medische getuigschriften die hij bij zijn verzoek tot herziening voegde. De diagnose bestond dus reeds voor de tuchtprocedure werd gestart en kon door verzoeker aan de hand aan die medische getuigschriften worden bewezen. Dat de hogere tuchtoverheid niet op de hoogte zou zijn geweest van de burn-out doet niet ter zake, daar dit niet bepalend is voor de vraag of er al dan niet sprake is van een “nieuw element” in de zin van artikel 57bis van de tuchtwet (supra, nr. 6). Bijgevolg doen de redenen waarom de hogere tuchtoverheid door verzoeker niet op de hoogte werd gebracht van zijn burn-out te dezen evenmin ter zake. De conclusie die verzoeker uit de diagnose van burn-out trekt, met name dat er sprake is van medische overmacht wat volgens verzoeker twijfel zaait over zijn schuld, wordt door geen enkel medisch attest gestaafd. Uit de door verzoeker neergelegde medische getuigschriften blijkt weliswaar dat hij ziek was en dat de diagnose luidde dat hij met een burn-out kampte, doch deze attesten, die er louter toe strekken zijn afwezigheid op het werk te rechtvaardigen, tonen geenszins aan dat verzoeker zich door die burn-out in een toestand van medische overmacht zou hebben bevonden. Zoals verzoeker terecht ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 XIV-39.020-9/16
opmerkt in de laatste memorie, komt het niet aan “niet-artsen” toe om de ernst van de burn-out te beoordelen, zodat hij het bewijs van de beweerde medische overmacht niet levert door te verwijzen naar algemene literatuur over burn-out en evenmin aan de hand van zijn eigen gevolgtrekkingen desbetreffend.
Verzoeker geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de door hem aangevoerde elementen tot herziening, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid bij de beoordeling daarvan, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar discretionaire beoordelingsruimte te buiten zou gaan.
De vraag of de door verzoeker aangebrachte gronden tot herziening twijfel doen ontstaan over zijn schuld mag onbeantwoord blijven, nu die vraag pas aan de orde is mocht zijn aanvraag tot herziening ontvankelijk zijn, wat, zoals blijkt, niet het geval is.
8. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond.
Tweede grief: schending van de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht
9. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
XIV-39.020-10/16
Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meer onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
10. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
11. Het auditoraatsverslag besluit tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen:
“Vanuit het oogpunt van de formele motiveringsplicht volstaat het dat een verzoeker de redenen kan achterhalen die het bestuur tot zijn oordeel hebben gebracht opdat hij zich op het vlak van de motieven ertegen kan verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt (o.a. RvS, 23 juni 2022, nr.
254.082).
In het licht van deze rechtspraak wordt vastgesteld dat verzoeker zich, blijkens het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, op het vlak van de motieven alvast heeft kunnen verweren aangezien hij inhoudelijke kritiek formuleert op de in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven.
Deze motieven lijken mij ook afdoende te zijn: enerzijds wordt inzake de afwezigheidsattesten verduidelijkt dat de tuchtsanctie [werd] opgelegd omwille van het niet vervullen van de vereiste administratieve verplichtingen, en anderzijds wordt van de ‘burn-out’ akte genomen en meegedeeld dat dit geen nieuw element is dat een ander licht kan werpen op de tuchtrechtelijke beoordeling. Aldus wordt de verzoeker in staat gesteld zich te verweren tegen de motieven op grond waarvan verwerende partij het verzoek tot herziening onontvankelijk heeft verklaard. In zoverre uit het middel moet begrepen worden dat deze motieven niet voldoende draagkrachtig zijn lijkt dit eerder de schending van de materiëlemotiveringsplicht te betreffen. Uit de beoordeling [van het eerste middelonderdeel] is gebleken dat de verwerende partij wel degelijk deugdelijke redenen had die het besluit dat er geen nieuwe elementen in de zin van artikel 57bis van de tuchtwet aangebracht werden, in feite en in rechte deugdelijk verantwoorden, zodat de materiëlemotiveringsplicht niet geschonden werd.”
12. Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het volharden in wat hij in eerdere processtukken heeft aangevoerd. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke)
argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat.
XIV-39.020-11/16
In die omstandigheden en na eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dit middelonderdeel ongegrond.
13. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond.
Derde grief: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
14. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
15. Verzoeker acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, omdat de bestreden beslissing werd genomen op de allerlaatste dag van de termijn van vier maanden waarover de hogere tuchtoverheid beschikt, terwijl een dergelijk summier gemotiveerde beslissing op enkele dagen tijd had kunnen worden genomen.
Uit de vaststelling, zoals te dezen, dat de bestreden beslissing werd genomen op de laatste dag van de termijn bepaald in artikel 57bis van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047 XIV-39.020-12/16
tuchtwet, kan niet zonder meer worden afgeleid dat het bestuur onzorgvuldig of onredelijk zou hebben gehandeld. Het gegeven dat het een summiere beslissing betreft die volgens verzoeker “op enkele dagen tijd” kan worden genomen, belet niet dat een dergelijke beslissing ook op de laatste dag van de daarvoor door de wet bepaalde termijn kan worden genomen, te meer verzoeker, zoals hij uitdrukkelijk aangeeft in de memorie van wederantwoord, niet de schending van de redelijke termijn aanvoert.
Verzoekers argument dat de bestreden beslissing werd uitgesteld “tot het niet meer anders kon” en dat er geen tijd meer was om het verzoek tot herziening grondig te bekijken, zodat het verzoek tot herziening dan maar wegens tijdsgebrek niet-ontvankelijk werd verklaard, faalt in rechte. Daar artikel 57bis van de tuchtwet een termijn van orde omvat, zou de miskenning ervan op zich niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden. De tijdsdruk waardoor de hogere tuchtoverheid zich zou hebben laten leiden, bestaat dus niet, zodat er evenmin een onzorgvuldig handelen uit kan worden afgeleid.
Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is evenmin sprake omdat de hogere tuchtoverheid zou hebben nagelaten het verzoek tot herziening grondig te onderzoeken, wat tot de conclusie had moeten leiden dat de medische toestand van verzoeker tot een herziening kon leiden. Hiervoor werd immers vastgesteld dat het middelonderdeel waarin de schending van artikel 57bis van de tuchtwet wordt aangevoerd ongegrond is (supra, nrs. 5-8).
16. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond.
Vierde grief: schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel
17. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.
XIV-39.020-13/16
Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid.
De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de proportionaliteit van de bestreden beslissingen uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissingen het redelijkheids-
of evenredigheidsbeginsel miskennen.
18. Verzoeker herneemt allereerst de grief dat het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag tot herziening in strijd is met artikel 57bis van de tuchtwet. Verzoeker voert aan dat een zorgvuldig en redelijk handelend bestuur de aanvraag tot herziening wel ontvankelijk zou hebben verklaard. Daar de hogere tuchtoverheid dit heeft nagelaten, schendt zij volgens verzoeker het redelijkheidsbeginsel.
Hiervoor werd vastgesteld dat het middelonderdeel waarin de schending van artikel 57bis van de tuchtwet wordt aangevoerd ongegrond is (supra, nrs. 5-8). Verzoekers standpunt steunt, wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, bijgevolg op een verkeerd uitgangspunt. Dit volstaat om vast te stellen dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel niet schendt.
XIV-39.020-14/16
19. Wat de grief betreft dat de motieven van de bestreden beslissing ontoereikend zijn om de inhoud ervan te dragen, wordt vastgesteld dat het middelonderdeel waarin de schending van de formelemotiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht werd aangevoerd eveneens ongegrond werd bevonden (supra, nrs. 9-13). In de mate het middelonderdeel uitgaat van een gebrekkige motivering van de bestreden beslissing, steunt het eveneens op een verkeerd uitgangspunt. Dit volstaat om vast te stellen dat het redelijkheidsbeginsel niet geschonden is.
20. Ook in de mate verzoeker een schending van het redelijkheidsbeginsel ontwaart in het gegeven dat het dossier vier maanden heeft “aangesleept”, wordt vastgesteld dat deze grief reeds werd onderzocht en ongegrond bevonden (supra, nrs. 14-16). Bijgevolg kan de loutere vaststelling dat de hogere tuchtoverheid de volledige beslissingstermijn heeft aangewend om de bestreden beslissing te nemen, op zich niet tot een schending van het redelijkheidsbeginsel doen besluiten.
21. Het middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond.
Conclusie
22. Het enig middel is ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
XIV-39.020-15/16
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-39.020-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.047

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.