ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.531

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.531 Rolnummer: A. 242772/XII-9744 Zaak: Arrest 260531 - Voedselveiligheid (FAVV) - 27/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-29 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-03 20:59 Fiche Arrest nr 260.531 van 27 augustus 2024 Sociale...

Source officielle

13 min de lecture 2 768 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 27 augustus 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.531

Rolnummer:

A. 242772/XII-9744

Zaak:

Arrest 260531 – Voedselveiligheid (FAVV) – 27/08/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-08-29

Raadplegingen:

98 – laatst gezien 2026-06-03 20:59

Fiche

Arrest nr 260.531 van 27 augustus 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 260.531 van 27 augustus 2024
in de zaak A. 242.772/XII-9744
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs kantoor houdend te 2980 Zoersel Handelslei 60
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel Van Manderstraat 123
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 20 augustus 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing “tot intrekking van de erkenningen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.4 verkregen met nummers E2023 voor de activiteiten slachten en uitslachten van pluimvee (PL1
AC2 PR180), uitsnijderij pluimvee (PLD AC24 PR72), uitsnijderij wild (PL5
AC24 PR72) en wildbewerkingsinrichting (PL37 AC59 PR 76) van [verzoeker]”.
XII-9744-1/11
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2024, om 14 uur.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Dirk De Keuster, die verschijnt voor verzoeker, en advocaten Frédéric Valcke en Laura Roose, die loco advocaat Rik Depla verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker baat een eenmanszaak uit. Voor zijn vestigingseenheid is hij houder van:
– erkenning 1.1.1. – E2023 -slachten en uitslachten van pluimvee (PL1 AC2
PR180);
– erkenning 1.1.2 – E2023 – uitsnijderij pluimvee (PL5 AC24 PR72) en uitsnijderij wild (PL5 AC24 PR72);
-erkenning 1.1.4. – E2023 – wildbewerkingsinrichting vrij wild (PL37 AC59 PR
76);
XII-9744-2/11
– toelating 1.1. – AER/OVB/020724 – groothandelaar in levensmiddelen (PL47
AC97 PR 52).
3.2. Op 13 augustus 2024 trekt de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, de drie in punt 3.1 als eerste genoemde erkenningen in en stelt dat “vanaf heden […] ingevolge art. 15, § 2 van het […] KB van 16
januari 2006 [‘tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen’] geen enkele operator de betreffende activiteit nog [mag] uitoefenen in of vanuit [verzoekers] inrichting.”
Dit is de bestreden beslissing
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Wat de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, stelt verzoeker in het verzoekschrift dat hij ingevolge de bestreden beslissing zijn professionele activiteiten onmiddellijk moet stopzetten. Verzoeker,
XII-9744-3/11
die deze uitbaat als privépersoon, verliest hierdoor zijn persoonlijk inkomen. Hij voegt een attest toe van een externe boekhouder waaruit volgens verzoeker aan de hand van cijfermateriaal blijkt dat hij door de bestreden beslissing in faillissement dreigt te gaan. Dit is een persoonlijk faillissement, waarbij zijn ganse persoonlijke vermogen dreigt verloren te gaan. Verzoeker wijst er voorts op dat de najaarsperiode bovendien voor hem cruciaal is.
Voorts stelt verzoeker dat hij imagoschade zal oplopen en klanten zal verliezen. Hij heeft goede contacten met zijn klanten en dat kan worden behouden indien de bestreden beslissing wordt geschorst bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Voorts wijst hij erop dat hij diligent heeft gehandeld en de Raad van State ingeval van de intrekking van een erkenning, reeds in eerdere rechtspraak het spoedeisend karakter in het raam van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid erkende.
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in
XII-9744-4/11
kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad.
Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
7. Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden
XII-9744-5/11
ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat zoals hierna zal blijken, verzoeker te dezen nalaat te doen.
8. Hoewel de Raad van State geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat verzoeker niet met gepaste spoed en diligentie zijn vordering heeft ingesteld eenmaal hij van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen.
Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
In de mate dat verzoeker ter adstructie van zijn standpunt wijst naar vroegere rechtspraak van de Raad van State, volstaat zulks niet om te besluiten dat te dezen is voldaan aan de eis van uiterst dringende noodzakelijkheid.
Los van de vaststelling dat het Belgische recht geen precedentenwerking kent zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen, maakt hij niet aannemelijk dat de door hem aangehaalde precedenten doen blijken van gelijke feitelijke omstandigheden als in zijn zaak.
9. Verzoeker voert vooreerst aan dat hij, als zaakvoerder van een eenmanszaak, door de bestreden beslissing persoonlijk failliet dreigt te gaan, waarvan de gevolgen zeer verregaand zijn. Hij beroept zich derhalve op een financieel nadeel.
XII-9744-6/11
Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden intrekkingen voor verzoeker, als zaakvoerder van een eenmanszaak, ingrijpende gevolgen hebben op financieel vlak, dan nog is vereist dat hij, wil hij spoedeisendheid en te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van verzoeker veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid -laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid- tenzij verzoeker concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat hij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten; bewijs dat zoals hierna zal blijken door verzoeker niet wordt geleverd.
10. Ter staving van zijn standpunt dat hij dreigt persoonlijk failliet te gaan met de erbij gaande verregaande gevolgen, voert verzoeker vooreerst aan dat hij, als natuurlijke persoon, door de bestreden beslissing zijn professionele activiteiten moet stopzetten.
Dit standpunt overtuigt niet.
Vooreerst doet de verwerende partij terecht gelden dat verzoeker, naast de ingetrokken erkenningen, nog beschikt over een toelating 1.1.
voor de activiteit “groothandel levensmiddelen.” Zulks wordt ter terechtzitting door verzoeker niet tegengesproken en vindt overigens steun in zowel de stukken van het administratief dossier als in de door verzoeker overgelegde stukken.
Verzoeker gaat aan deze onbetwiste vaststelling volkomen voorbij, wat maakt dat de Raad van State, op grond van de voorliggende stukken, verzoekers standpunt dat die zijn gehele professionele activiteiten onmiddellijk stopzetten, niet op zijn merites kan toetsen. Aldus volgt hieruit dat verzoeker zijn uitgangspremisse dat hij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn professionele
XII-9744-7/11
activiteiten zou moeten stopzetten niet aannemelijk maakt. Evenmin laten de overgelegde stukken -die volgens de inventaris van verzoeker twee stukken vormen maar volgens wat is neergelegd één stuk is- toe op een verifieerbare wijze te bepalen welk aandeel de ingetrokken activiteiten in de omzet en kosten van de onderneming hebben. Aangezien verzoeker niet op transparante wijze aan de hand van concrete, verifieerbare cijfergegevens een globaal inzicht verschaft in zijn werkelijke professionele activiteiten, toont hij aldus niet aan dat het onmiddellijk stopzetten van de door de bestreden beslissing ingetrokken erkende activiteiten, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, op zich zeer nadelige of onherroepelijke gevolgen teweeg zou brengen.
Daarenboven, wat ook de bewijs- en overtuigingswaarde betreft van de overgelegde stukken wat de “passiva”-kant van verzoeker betreft, komt het bovendien hoe dan ook verzoeker toe, wanneer hij zich zoals te dezen, beroept op het feit dat hij zonder professionele inkomsten valt -wat als natuurlijke persoon op het eerste gezicht niet hetzelfde lijkt te zijn als zonder inkomsten vallen – om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in zijn bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State met kennis van zaken dit kan beoordelen. Te dezen verwijst verzoeker naar het “attest”
van de boekhouder, dat zich in wezen beperkt tot een vergelijking op 20 augustus 2024 tussen de schulden op korte en middellange termijn en de nog openstaande facturen (of nog te factureren prestaties) en het BTW-tegoed langs de inkomenszijde en tot het weergeven van een “winstberekening 2023”. Verzoeker, die de betrokken onderneming uitbaat als eenmanszaak –die dus geen afgescheiden vermogen heeft- verzuimt ter zake evenwel enig inzicht te geven in zijn financiële en vermogenstoestand op het ogenblik van de bestreden beslissing. Zulks klemt te dezen des te meer, nu de boekhouder in datzelfde “attest” verklaart dat “mits het realiseren van een overbruggingskrediet van maximaal 18 maanden of de aanvraag van een gerechtelijke reorganisatie (concordaat) […] dit faillissement [kan]
worden vermeden vermits de pensioenleeftijd in januari 2026 volgende bedragen zullen uitbetaald worden […]. Dit betekent bij voortzetting bedrijf op termijn
XII-9744-8/11
praktisch een break-even […]. Verschil dat kan opgevangen worden via de bedrijfswinst.” Verzoeker verzuimt evenwel de aldus door zijn boekhouder gesuggereerde oplossing om een dreigend faillissement te vermijden – waar de Raad van State geen uitspraak over doet – te betrekken bij zijn standpunt en in het bijzonder dat toe te lichten in het raam van zijn persoonlijke financiële en vermogenstoestand.
Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat hij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt niet zal kunnen dragen en die zou verantwoorden dat zijn vordering bij voorrang dient te worden behandeld.
11. Verzoeker voert tot slot ook nog aan dat het voor zich spreekt dat hij imagoschadde zal oplopen en dat hij klanten zal verliezen, terwijl hij goede contacten heeft met zijn klanten en dit behouden kan worden indien wordt overgegaan tot de schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Dit argument overtuigt evenmin.
Imagoschade betreft vooreerst in wezen een moreel nadeel in hoofde van verzoeker als zaakvoerder van de eenmanszaak. Verzoeker maakt te dezen evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, hem in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan inhouden dat het goede contact met zijn klanten behouden blijft. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van
XII-9744-9/11
de zaak uitspraak wordt gedaan. Los van het feit dat uit het overgelegde stuk veeleer steunbetuigingen van klanten aan verzoeker blijken en niet zozeer imagoschade, maakt het overgelegde stuk dit niet aannemelijk.
In de mate de imagoschade wordt gekoppeld aan de omstandigheid dat dit zal leiden tot inkrimping van het klantenbestand, betreft het daarenboven een financieel nadeel dat in beginsel ook herstelbaar is, zodat het samenvalt met wat hiervoor is gesteld inzake het financieel-economisch nadeel.
12. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond.
VI. Conclusie
13. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
XII-9744-10/11
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Geert Debersaques
XII-9744-11/11

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.531

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.531

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.