ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.571
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.571 Rolnummer: A. 242840/IX-10534 Zaak: Arrest 260571 - Diploma'sen gelijkwaardigheid van diploma’s - 06/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-06 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-04 01:29 Fiche Arrest nr 260.571 van 6 september...
28 min de lecture · 6 127 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 06 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.571
Rolnummer:
A. 242840/IX-10534
Zaak:
Arrest 260571 – Diploma'sen gelijkwaardigheid van diploma’s – 06/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-09-06
Raadplegingen:
101 – laatst gezien 2026-06-04 01:29
Fiche
Arrest nr 260.571 van 6 september 2024 Onderwijs en cultuur – Diploma'sen
gelijkwaardigheid van diploma's Beslissing : Bevolen
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 260.571 van 6 september 2024
in de zaak A. 242.840/IX-10.534
In zake : S.A.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BRUSSEL
ANNUNTIATEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 29 augustus 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten van 22 augustus 2024 waarbij aan verzoeker het getuigschrift basisonderwijs wordt geweigerd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september 2024, om 11.00 uur.
IX-10.534-1/18
Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2023-2024 ingeschreven in het zesde leerjaar basisonderwijs aan het Instituut Maria Onbevlekt Ontvangen te Anderlecht, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is.
3.2. De klassenraad besluit op 19 juni 2024 aan verzoeker het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen.
Na overleg met de directie op 27 juni 2024 wordt de klassenraad opnieuw samengeroepen.
De op dezelfde dag opnieuw beraadslagende klassenraad handhaaft zijn beslissing om het getuigschrift basisonderwijs niet toe te kennen en overweegt daarbij wat volgt:
“- Rekening houdend met het welbevinden, de interesses en de talenten vinden wij als schoolteam het beste om [verzoeker] te laten doorstromen naar een B-klas daar hij de eindtermen van het basisonderwijs niet behaalt.
[Verzoeker] is pas in september 2023 bij ons op de imoschool gestart in het zesde leerjaar.
IX-10.534-2/18
We hebben steeds alles ingezet om hem intensief te ondersteunen in zijn totale ontwikkeling.
[Verzoeker] behaalde op zijn eerste rapport vrij zwakke resultaten. Dit werd tijdens het oudercontact met mama besproken. Om [verzoeker] de beste kansen te geven om zijn diploma te behalen, zetten we hem na de herfstvakantie op een minimumtraject. Dit voor taal, spelling, WO en wiskunde. Ook voor begrijpend lezen zal hij ondersteuning krijgen, met het oog een getuigschrift te kunnen behalen.
[Verzoeker] kreeg daarbij ook vereenvoudigde en aangepaste toetsen. Hij kreeg hiervoor ook de nodige hulpmiddelen aangereikt.
Ondanks de minimumdoelen blijven de resultaten ondermaats. Ook in de werkhouding merken we dat [verzoeker] weinig gemotiveerd is. We gaven in februari aan dat [verzoeker] zijn diploma niet zal behalen en naar 1B zal moeten volgend jaar.
Op 18 maart was er ook nog een individueel oudercontact i.v.m. de studiekeuze van [verzoeker] en gingen directie en klasleerkracht samen met mama op zoek naar scholen waar ze de finaliteit arbeidsmarkt hebben en die passen bij de noden van [verzoeker].
De eindtoetsen werden dan ook voor [verzoeker] aangepast in B-toetsen, deze werden in voldoende mate bereikt om een B-stroom te kunnen starten.
Dit alles werd steeds transparant met de ouders gecommuniceerd.
– [Verzoeker] behaalt de eindtermen van het basisonderwijs niet. Ook de vooropgestelde B-doelen door het CLB bereikt hij niet allemaal. Hij heeft nood aan onderwijs op maat. Hij heeft baat bij extra individuele ondersteuning op zijn niveau.
– Plannen is voor hem een zware uitdaging en hij mist structuur en doorzettingsvermogen.
Hij heeft ook een zwakke werk- en leerhouding.
– Hij was regelmatig niet in orde met zijn huiswerk en zal gemakkelijk een vage, onterechte reden opgeven. Hij zal het hoogst noodzakelijke doen en niets meer.
– Ouders werden ook op de hoogte gebracht dat [verzoeker] na 1B kan doorstromen naar 1A mits dat hij op dat moment de doelen in voldoende mate heeft bereikt.
Aangepaste maatregelen:
Minimumtraject voor wiskunde, taal en W.O.
Aangepaste en vereenvoudigde toetsen van september tot oudercontact oktober = gewone toetsen L6
van november tot eind mei = toetsen gebaseerd op minimumdoelen eindtoetsen juni = toetsen gebaseerd op de B-doelen (CLB)
Redelijke aanpassingen voor spelling Viersporenbeleid : Miniklas nood aan verlengde instructie +
redelijke aanpassingen.”
IX-10.534-3/18
3.3. Verzoeker stelt daarop met een e-mail van 27 juni 2024 bezwaar in, waarin het volgende wordt uiteengezet:
“Na onze afspraak op 27/06/2024 met mijn echtgenoot voor een interview om het besluit van het B-attest voor [verzoeker] aan te vechten, stuur ik u deze e-mail om schriftelijk te bevestigen wat precies wordt betwist, zodat we de juiste procedure volgen.
Wij hopen dat deze brief u in goede gezondheid en in een uitstekende stemming bereikt. Wij willen uw aandacht vestigen op het besluit van de klassenraad van 25 juni 2024 betreffende [verzoeker], aan wie een B-attest is toegekend, wat betekent dat hij naar een beroepsgerichte richting wordt doorverwezen. Wij willen onze bedenkingen uiten over dit besluit, omdat wij er sterk van overtuigd zijn dat [verzoeker] het potentieel heeft om zijn studies in het ASO voort te zetten. [Verzoeker] heeft opmerkelijke vooruitgang geboekt in verschillende vakken, met name in Wiskunde en W.O. (zie het rapport vanaf het eerste semester). Hoewel hij nog steeds achterstanden heeft in Nederlands, zijn wij ervan overtuigd dat deze moeilijkheden met de juiste ondersteuning overwonnen kunnen worden. Het is belangrijk om te vermelden dat [verzoeker] een uitzonderlijk zwaar schooljaar heeft gehad vanwege verschillende medische gebeurtenissen en het overlijden van zijn grootvader.
Ondanks deze uitdagingen heeft hij blijk gegeven van een opmerkelijke veerkracht en inzet (zie de medische attesten in de bijlagen). Gedurende een maand kon hij niet goed schrijven vanwege een ingegipste vinger. Kort daarna ontvingen wij een brief (zie ook in de bijlage) waarin werd voorgesteld [verzoeker] naar het BSO door te verwijzen. Wij vinden dat deze beslissing niet voldoende constructief is genomen, ondanks onze verzoeken aan het onderwijzend personeel en de schoolleiding. Wij denken dat het BSO
niet de beste oplossing is voor [verzoeker], aangezien het nog te vroeg is om zijn capaciteiten en vaardigheden volledig te beoordelen. Als de TSO-richting was voorgesteld, zouden wij daar niet tegen zijn geweest.
[Verzoeker] is geen praktisch ingesteld kind en een richting naar het BSO
zou negatieve psychologische effecten kunnen hebben. Bovendien verzoeken wij u rekening te houden met het advies van de psycholoog die [verzoeker] begeleidt en ons ondersteunt in deze bezwaarprocedure zodat hij naar het ASO kan gaan. Wij hebben de motivatie van deze beslissing niet gedetailleerd ontvangen: we verzoeken u vriendelijk ons deze schriftelijk toe te sturen. Wij laten u hierbij weten dat wij het niet eens zijn met dit besluit.
Ondanks de moeilijkheden dit jaar heeft [verzoeker] goede resultaten behaald voor het grootste deel van zijn toetsen. Wij verzoeken de klassenraad daarom om zijn besluit te heroverwegen zodat [verzoeker] zijn studies in het ASO kan voortzetten.”
IX-10.534-4/18
3.4. Met een aangetekend schrijven van 3 juli 2024, gericht aan de voorzitter van het schoolbestuur, zet verzoekers raadsman nog de volgende grieven uiteen:
“A. Schending van de motiveringsplicht, minstens van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel I.
Verzoekers kunnen zich niet vinden in de beslissing van de klassenraad. Zij zijn er van overtuigd dat [verzoeker] weldegelijk de nodige capaciteiten bezit om te functioneren in de A-stroom.
Verzoekers lezen nergens met zekerheid een antwoord op hun essentiële vraag namelijk, is er geen enkele kans voor [verzoeker] in de A-stroom?
Verzoekers vinden dat de motieven in de bestreden beslissing niet de vereiste zeer overtuigende motieven zijn die moeten aantonen dat deze kansen tot slagen quasi onmogelijk is in de A-stroom.
De bestreden beslissing toont met andere woorden niet aan op welke manier de opgesomde – niet behaalde – leerplandoelstellingen een – problematisch –
verband houden met deze van de A-stroom enerzijds, maar eveneens wordt helemaal niet aannemelijk gemaakt op welke wijze dit zou aantonen dat [verzoeker] voor het geheel van de richting niet zou kunnen slagen in dat bewuste jaar, temeer daar hij weldegelijk een getuigschrift behaalde en bijgevolg wel als geslaagd dient te worden beschouwd.
Verzoekers zijn in tegenstelling tot de klassenraad overtuigd dat [verzoeker]
weldegelijk slaagkansen heeft in de A-stroom. Zij zullen dan ook een deskundige onder de arm nemen die de nodige onderzoeken zal uitvoeren en aantonen dat […] niets [verzoeker] tegenhoudt zijn eerste jaar in de A-stroom met succes af te leggen.
II.
De vraag die na dit onderzoek gesteld zal worden en die ook dient beantwoord te worden, is of [verzoeker] op basis van deze resultaten volstrekt onbekwaam moet worden geacht om zijn studies te starten in de A-stroom.
Het gaat dus niet over een vorm van twijfel die men daarover heeft, maar wel een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hij absoluut geen kans op slagen heeft in het 1e jaar A-stroom – een zekerheid die men bovendien moet bewijzen.
Hiervoor kan verwezen worden naar de rechtspraak van de Raad van State in het kader van een B-attestering die parallel kan worden toegepast op [verzoeker] zijn situatie.
De Raad van State is hierin zeer duidelijk:
‘Van een beroepscommissie die een B-attest toekent, wordt een sterk doorgedreven motivering verwacht. Die eis volgt niet alleen uit het feit dat de beroepscommissie zich met hem beslissing als het ware in de plaats stelt van de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen, maar ook uit de omstandigheid
IX-10.534-5/18
dat de aan het B-attest verbonden clausulering de principiële vrijheid –
van de leerling of de ouders – van studiekeuze beperkt.
De beroepscommissie moet daarom met zeer overtuigende motieven aantonen dat de kansen van de betrokken leerling om te slagen in het volgende leerjaar zo miniem zijn, dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden dat volgende leerjaar in die studierichting aan te vatten…’ [verwijzing in voetnoot naar “RvS (9e k.) nr. é.573, 21 januari 2016”]
Die prospectieve afweging met overtuigende motieven ontbreekt volledig.
Is men bijgevolg absoluut zeker dat het eerste jaar van [verzoeker] in de A-stroom zal uitdraaien op een C-attest?
Het antwoord op de te stellen vraag is volmondig neen. [Verzoeker] is absoluut bekwaam zoals zal blijken uit het onderzoek. Zijn getuigschrift dient bijgevolg te worden aangepast.”
3.5. Van de hoorzitting van de beroepscommissie, die plaatsvindt op 22 augustus 2024, wordt het volgende verslag opgesteld:
“In dit beroep wordt de beslissing tot het niet-verlenen van het getuigschrift basisonderwijs besproken. [H.] licht de procedure toe alvorens Dhr. Vangeel het woord krijgt.
Dhr. Vangeel: Het is niet zo courant om de niet-uitreiking van het getuigschrift aan te vechten. In mijn verzoekschrift verwijs ik naar eerdere rechtspraak. Raad van State benoemt dit als delicaat, de school plaatst zich in de plaats van de ouders. De school kan dit doen, maar moet zeer overtuigende argumenten hebben om deze beslissing te nemen, het mag geen twijfelgeval zijn. Ik stel mij de vraag of dit in dit dossier het geval is.
We hebben [verzoeker] laten testen door een andere leerkracht, [C.H.]. Zij heeft op 02/08/2024 een aantal testen afgenomen, o.m. via een website waar alle OVSG-toetsen op te vinden zijn (WO, Begrijpend Lezen, Wiskunde).
‘Hij moest in het begin ondersteund worden, maar kon al snel zelfstandiger aan de slag gaan en kwam met goed onderbouwde antwoorden. Ik vermoed dat hij – mits de nodige begeleiding – in het secundair aan de slag kan gaan’.
Dhr. Vangeel besluit dat de stelligheid dat een A-stroomloopbaan onmogelijk is niet hard gemaakt kan worden. Het ‘vermoeden van onschuld’ in het strafrecht is een parallel die we naar deze procedure kunnen trekken.
Als er enige twijfel is, moeten we de leerling het voordeel van de twijfel geven.
[V.C.]: Bij twijfel geven we de leerling altijd het voordeel van de twijfel. Als er binnen de klassenraad iemand twijfelt, gaan we het getuigschrift niet weigeren. [Verzoeker] was dit jaar nieuw op onze school, we hebben geen contact gehad met de vorige school. Hij is een gevoelige jongen die heel goed werd opgenomen door de klasgroep. We waren blij dat zijn integratie goed verliep. Het is pas eind juni dat we de vorige school hebben gecontacteerd. Daar had hij ook al – eind 5de leerjaar – te horen gekregen dat er geen uitreiking van het getuigschrift mogelijk zou zijn omdat hij de minimumdoelen niet behaalt. Wij kunnen als school enkel een beoordeling
IX-10.534-6/18
maken op het jaar dat hij bij ons gevolgd heeft, de school die zijn schoolcarrière langer heeft kunnen volgen zou ook gehoord moeten worden.
We hebben in de loop van het schooljaar al doelen bijgesteld en naar het einde toe rond de doelen voor 1B gewerkt, zelfs dat was moeilijk voor [verzoeker]. Het is belangrijk voor hem dat we een school vinden die aansluit bij zijn talenten en capaciteiten, want ook met de handen werken is niet meteen zijn ding. Ik heb enkele aanbevelingen gedaan aan de mama (o.m.
[…]: dit zijn scholen met beide finaliteiten waar er ook extra zorg wordt voorzien in 1B).
Dhr. Vangeel: Hoe schatten we de mogelijkheden van [verzoeker] in vanuit de IDP-resultaten.
[V.C.]: de resultaten zijn niet zo goed op de IDP-testen. Ik vind het straf dat [verzoeker] op 2 augustus opeens goede resultaten zou behalen bij een leerkracht die testen afneemt in de vakantie, zijn hele schoolloopbaan verloopt reeds moeilijk.
Dhr. Vangeel: Ik hoor hier 2 verschillende resultaten. De beroepscommissie heeft vele mogelijkheden, zoals het afnemen van ‘uitgestelde toetsen’ (zoals OVSG-testen of andere testen) om een objectief zicht te krijgen op de mogelijkheden van [verzoeker]. Als er mogelijks twijfel bestaat over de mogelijkheden van [verzoeker], dan moet dit onderzocht worden.
In eerste instantie gaan we ervan uit dat de beslissing van het lerarenkorps correct is. Indien er echter bij een objectieve tegenexpertise een ander resultaat blijkt, moeten we dit verder onderzoeken. Daarom heb ik de ouders laten weten dat ze iemand met de nodige expertise moeten zoeken om een inschatting te maken. Deze persoon komt tot een andere conclusie. We moeten nu tot een objectieve inschatting komen.
[Intern lid]: De kennis en competenties die een leerling nodig heeft om te starten in het secundair onderwijs gaan ruimer dan wat we kunnen vatten in een test.
[V.C.]: Klopt. Ook samenwerken, zelfstandigheid,… is niet evident.
Dhr. Vangeel: zitten de gestandaardiseerde testresultaten in het dossier?
[V.C.]: Neen, ze zitten niet in het dossier en worden ook niet met de ouders doorgenomen. Daar dienen die testen niet voor.
[Intern lid]: Overwegen de ouders een opstroom-optie van 1B? Op zijn minst lijkt het dat de leerling een leerachterstand heeft, hij zou via 1B ook naar een 2A-richting kunnen gaan. Als de ouders geloven dat hij voldoende cognitieve vaardigheden heeft, kan dit een optie zijn via de klassenraad.
Dhr. Vangeel: Dit heb ik besproken met de ouders. De ouders hebben eerder al een verhaal gehad met een andere zoon en willen tot een objectieve inschatting komen in dit dossier.
Dhr. Vangeel: Ik zou willen vragen dat de resultaten van de gestandaardiseerde testen worden toegevoegd aan het dossier en de beslissing van de commissie.”
Op 22 augustus 2024 beslist de beroepscommissie om de beslissing van de delibererende klassenraad te bevestigen.
IX-10.534-7/18
Die beslissing is als volgt gemotiveerd:
“- In uw schrijven dd. 27/06/2024 werd aangehaald dat zijn resultaten voor bepaalde vakken in stijgende lijn zijn. Dit is echter toe te schrijven aan de beslissing van de school om na het eerste trimester de doelen aan te passen aan de voorbereiding op een 1B-loopbaan. Dit werd ook zo meegedeeld aan de ouders in een schriftelijk advies van de klassenraad in februari 2024:
‘minimumdoelen voor wiskunde, Nederlands en W.O.; leerstof 6de leerjaar wordt niet meer verdiept; indien de minimumdoelen niet behaald worden, wordt er overgeschakeld naar een B-traject wat betekent dat het getuigschrift niet behaald zal worden’.
– Er zijn onvoldoende nieuwe elementen die kunnen leiden tot een wijziging van de beslissing van de klassenraad.”
Dat is de bestreden beslissing.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing hem verhindert om zijn studieloopbaan aan te vatten in de A-stroom van het eerste leerjaar van het secundair onderwijs en dat zulks een nadeel uitmaakt dat zelfs binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden gekeerd.
Dat standpunt kan worden bijgevallen, wat de verwerende partij overigens niet betwist.
IX-10.534-8/18
6. Aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan.
VI. Ernst van het enige middel
Standpunt van de partijen
7.1. In een “eerste” en tevens enig middel beroept verzoeker zich op een schending van “de motiveringsplicht”, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
7.2. Verzoeker herneemt wat in de brief van zijn raadsman van 3 juli 2024 onder ‘I.’ – zoals hierboven aangehaald – is uiteengezet, met nadruk op het aangekondigde onderzoek van een deskundige. Daaromtrent stelt verzoeker dat hij op de hoorzitting van de beroepscommissie een verklaring heeft bijgebracht van een leerkracht die verzoeker “deze zomer heeft getest op de diverse onderdelen noodzakelijk voor de A-stroom”. Voorts brengt verzoeker in herinnering dat hij heeft beargumenteerd dat er geen stellige zekerheid bestaat dat hij geen kans op slagen heeft in de A-stroom.
7.3. Het is voor verzoeker in het licht daarvan onbegrijpelijk dat de bestreden beslissing beperkt is tot de twee punten die haar motivering vormen.
Wat de eerste overweging van de beroepscommissie betreft, stelt verzoeker zich de vraag met welke zorg het intern beroep werd behandeld. Ter zake betoogt hij:
“Vooreerst verwijst de beslissing naar een schrijven van 27 juni, terwijl het beroep van verzoekers dateert van 3 juli.
Men stelt dat in dit schrijven zou gemeld zijn dat de resultaten in stijgende lijn zouden gaan. Dat staat echter niet te lezen in dit beroep…
[…]
Het eerste punt slaat dus nergens op.”
IX-10.534-9/18
Wat het tweede motief van de beroepscommissie aangaat, voert verzoeker aan:
“In het tweede punt stelt men dat er onvoldoende nieuwe elementen zijn om de beslissing te wijzigen.
Vooreerst moeten er geen nieuwe elementen zijn, maar moet de commissie een eigen oordeel vormen, maar bovendien heeft verzoeker de leerling deze zomer uitgebreid laten testen en heeft men daar ter zitting ook de verklaring van de betrokken leerkracht van bijgebracht (cfr. stuk 3 proces verbaal zitting).”
Verzoeker stelt dat hij werd getest op wereldoriëntatie, wiskunde en begrijpend lezen en dat hij gemiddeld “7,5-8/10” behaalde. Met dat gegeven, zo stelt verzoeker, houdt de beroepscommissie op geen enkele wijze rekening.
Tot slot mist verzoeker in de bestreden beslissing de gevraagde “prospectieve oefening”.
8. In de nota met opmerkingen (die geen randnummers 23 en 24
bevat) antwoordt de verwerende partij als volgt (voetnoten zijn weggelaten):
“20. De motivering is afdoende indien de belanghebbende in staat gesteld wordt te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt.
Recentelijk oordeelt Uw Raad nog dat één van de voornaamste beginselen van de motiveringsplicht is dat de motivering van een rechtshandeling te vinden moet zijn in de beslissing zelf.
In casu is dit het geval. Dit blijkt uit het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekende partijen zelf.
Verzoekende partijen waren het immers dermate oneens met de door verwerende partij genomen beslissing en de daarin vermelde motivering, dat zij beroep aantekenden. Verzoekende partijen zouden hier niet toe in staat zijn moesten zij de motivering van verwerende partij niet kunnen begrijpen.
21. De verwerende partij herinnert aan de vaste rechtspraak van uw Raad dat de motivering van een attesteringsbeslissing in de eerste orde en in principe op voldoende wijze blijkt uit de punten van het rapport. Deze worden geacht op een competente en correcte wijze te zijn toegekend.
De punten van [verzoeker] zijn meer dan overtuigend; de rapporten met zijn resultaten spreken dan ook voor zich (stukken 3 t.e.m. 6). Bij zijn eerste rapport met herfst behaalde [verzoeker] zwakke resultaten. Dit werd besproken met de verzoekende partij en om die reden werd hij na de
IX-10.534-10/18
herfstvakantie op een minimumtraject gezet voor taal, spelling, W.O. en wiskunde. Daarbij kreeg hij vereenvoudigde en aangepaste toetsen met de nodige hulpmiddelen. Desondanks haalt [verzoeker] ook op de rapporten met herfst, lente en zomer zwakke resultaten op deze vakken hoewel dus slechts de minimumdoelen zouden moeten worden behaald. Zowel de resultaten als de werkhouding van [verzoeker] zijn duidelijk ondermaats.
Uit de rapporten van [verzoeker] blijkt afdoende en duidelijk dat de eindtermen van het basisonderwijs niet werden behaald, maar ook dat de vooropgestelde B-doelen niet allemaal worden bereikt door [verzoeker].
Uit het zorgdossier blijkt dat de school afdoende maatregelen heeft genomen om [verzoeker] alsnog te laten slagen op de minimale doelstellingen, echter zonder succes. Ook werd hieromtrent meermaals gecommuniceerd met de ouders. (stuk 8)
In juni 2024 contacteerde de verwerende partij ook de vorige school van [verzoeker] aangezien deze laatste enkel het 6de leerjaar bij de verwerende partij heeft afgewerkt. (stuk 8) Uit dit contact blijkt dat ook de vorige school reeds gewaarschuwd had voor het feit dat de eindtermen niet zouden behaald worden en er geen getuigschrift voor het basisonderwijs zou worden uitgereikt. De bestreden beslissing van de verwerende partij ligt dan ook volledig in lijn met hetgeen de school waar [verzoeker] 5 leerjaren heeft afgewerkt heeft geadviseerd. Het is dus een redelijke beslissing.
De verzoekende partij meent te moeten aanhalen dat niet bewezen is dat hij geen kans zou maken op slagen in het volgende jaar. Dit is nu net wat de verwerende partij deed.
22. De verwerende partij kan maar antwoorden op datgene dat men aanhaalt in het interne beroep doch zonder dat het vereist is dat elk argument afzonderlijk behandeld wordt. Er werden echter geen juridische argumenten ontwikkeld tijdens het intern beroep. De ontwikkelde argumenten waren eerder emotioneel van aard.
Samengevat stelde de verzoekende partij dat [verzoeker] een vooruitgang geboekt heeft in zijn resultaten. Alsook dat hij een zwaar schooljaar had omwille van medische gebeurtenissen en overlijden van zijn grootvader.
(stuk 11)
De uitnodiging voor de hoorzitting van de beroepscommissie werd verzonden op 2 juli 2024 en verwijst naar het interne beroep dat werd ontvangen op 1 juli 2024. (stuk 12)
De verzoekende partijen tekenden zelf reeds intern beroep aan op 27 juni 2024 hetgeen zij zowel via post als via e-mail aan de verwerende partij hebben overgemaakt. (stuk 11) Dit betreft een ontvankelijk intern beroep waarop de verwerende partij de interne beroepsprocedure heeft verder gezet en de beroepscommissie heeft samengesteld en een datum voor de hoorzitting heeft gepland.
In het verzoekschrift bij uw Raad verwijzen de verzoekende partijen naar een intern beroep dat op 3 juli 2024 zou zijn ingediend. Dit is echter een schrijven dat blijkbaar opgesteld werd door de advocaat van de verzoekende partijen nadat de verzoekende partijen zelf intern beroep aantekenden alsook nadat de uitnodiging voor de beroepscommissie reeds werd verzonden.
Echter is dit intern beroep onontvankelijk aangezien er reeds op 27 juni 2024
IX-10.534-11/18
een ontvankelijk intern beroep werd aangetekend en de procedure reeds werd opgestart in het kader van de interne beroepscommissie. (stukken 11 en 12)
Eveneens wordt in het verzoekschrift bij uw Raad gewag gemaakt van een verklaring van een leerkracht die [verzoeker] zou hebben getest. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat deze stukken nooit werden neergelegd bij de interne beroepscommissie, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen in het verzoekschrift bij uw Raad stellen. Bovendien betreft dit een leerkracht die door de verzoekende partijen werd gecontacteerd en betaald zodat dit alleszins geen objectieve en dienstige verklaring kan betreffen. De verzoekende partijen verwijzen naar het proces-verbaal van de hoorzitting van de beroepscommissie, doch dit stelt alleen dat de advocaat verwijst naar deze testen doch nergens wordt vermeld dat deze stukken ook effectief worden overhandigd en ter beschikking worden gesteld van de beroepscommissie, hetgeen niet gebeurd is. (stuk 14) De relevantie van een dergelijk eenzijdig stuk is al beperkt maar als men het niet eens overmaakt op een nuttig moment kan er helemaal geen waarde aan gehecht worden.
De verwerende partij heeft dan ook correct verwezen naar het beroepsschrift van 27 juni 2024 en op deze argumenten geantwoord in de bestreden beslissing. (stuk 1) Dit is wel degelijk een zorgvuldige beslissing dewelke correct werd gemotiveerd.
25. Het redelijkheidsbeginsel impliceert dat de inhoud van de beslissing naar redelijkheid verantwoord moet zijn. Er is alleen maar een kennelijk onredelijke beslissing wanneer de beslissing dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het ondenkbaar is dat een ander zorgvuldig handelende klassenraad in dezelfde omstandigheden dezelfde beslissing zou nemen.
De bestreden beslissing is zeer redelijk. Elke andere klassenraad kijkt in eerste instantie naar de door de leerling tijdens het schooljaar behaalde resultaten. Wanneer deze over de hele lijn ondermaats zijn, ondanks het minimumtraject, is het niet kennelijk onredelijk dat een klassenraad beslist het getuigschrift voor basisonderwijs niet uit te reiken.
Zoals ook blijkt uit het contact met de vorige school van [verzoeker] wijkt de bestreden beslissing niet dermate af van het normale beslissingspatroon aangezien zij, een jaar voordien, in dezelfde zin hebben geadviseerd aan [verzoeker] en zijn ouders. (stuk 8)
26. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat een beslissing op zorgvuldige wijze moet worden voorbereid. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
Zoals hoger reeds aangehaald steunt de beslissing van de verwerende partij op concrete feiten, met name de resultaten van [verzoeker] gedurende het schooljaar alsook de vele gesprekken die met de verzoekende partij hieromtrent werden gevoerd. Er werden de nodige inspanningen geleverd door de verwerende partij om [verzoeker] alsnog de mogelijkheid te geven om een getuigschrift te behalen op basis van de minimumdoelstellingen zodat hij in 1B kan functioneren. De beslissing steunt op het gehele dossier (resultaten rapporten, zorgdossier, Resultaten IDP testen) en houdt hiermee ook rekening zodat deze wel degelijk zorgvuldig tot stand is gekomen.”
IX-10.534-12/18
Ter terechtzitting betwist de verwerende partij nog dat op de hoorzitting van de beroepscommissie enig stuk met betrekking tot de bijkomende testen die zouden zijn afgenomen, werd neergelegd.
Beoordeling
A. Voorafgaand: aanduiding van het beroepschrift
9.1. Artikel 37/1 van het decreet basisonderwijs bepaalt met betrekking tot het beroep tegen het niet verkrijgen van het getuigschrift basisonderwijs, voor zover hier relevant, het volgende:
“Ouders die niet akkoord gaan met het niet toekennen van een getuigschrift basisonderwijs aan hun kind, hebben toegang tot een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het schoolreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling. Ouders kunnen evenwel slechts een beroep instellen na het overleg zoals bepaald in artikel 55.
[…]
De ouders stellen het beroep in bij het schoolbestuur. Het beroep wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van het beroep met beschrijving van de feiten en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij deze beschrijving kunnen overtuigingsstukken worden gevoegd.”
In randnummer 4.5.2 van het schoolreglement is voorgeschreven dat het beroep wordt ingediend bij de voorzitter van het schoolbestuur via een aangetekende brief, of tegen afgiftebewijs op de school. Aan dit vormvoorschrift koppelt het schoolreglement op het eerste gezicht geen sanctie.
Daarnaast is bepaald dat de beroepstermijn drie dagen bedraagt (zaterdagen, zondagen, wettelijke feestdagen en 11 juli niet meegerekend) en dat hij begint te lopen de dag nadat de aangetekende brief van de school wordt ontvangen. Een miskenning van die termijn verplicht de beroepscommissie ertoe het beroep onontvankelijk te verklaren.
IX-10.534-13/18
9.2. Te dezen lijken de ouders van verzoeker reeds op 27 juni 2024
op de hoogte te zijn gebracht van de strekking van de beslissing van de klassenraad nadat hij door de directeur op die dag opnieuw was samengeroepen. In een e-mail van diezelfde 27 juni 2024 (16.57 uur) stellen zij dat zij “de motivatie van deze beslissing niet gedetailleerd [hebben] ontvangen” en vragen zij om “deze schriftelijk toe te sturen”, maar hernemen zij ook hun kritiek op de weigering van het getuigschrift basisonderwijs.
Ofschoon die e-mail is gericht aan de directeur en prima facie niet aan de voorzitter van het schoolbestuur, wordt hij op het eerste gezicht niettemin als een ontvankelijk beroepschrift beschouwd. Zulks lijkt te volgen uit (i) het aangetekend schrijven van de voorzitter van de beroepscommissie van 2 juli 2024, waarin wordt meegedeeld dat het beroep door de voorzitter van het schoolbestuur in goede orde is ontvangen op 1 juli 2024, (ii) het feit dat de beroepscommissie geen opmerkingen inzake de ontvankelijkheid van het beroep formuleert en (iii) het gegeven dat de voormelde e-mail in de inventaris van het administratief dossier wordt aangemerkt als “intern beroep”.
Met wat verzoeker in dit stuk uiteenzet, lijkt de beroepscommissie derhalve rekening te moeten houden. Verzoeker zijnerzijds kan bezwaarlijk het bestaan ervan ontkennen.
9.3. Daarnaast heeft verzoekers raadsman met een aangetekend schrijven van 3 juli 2024 een beroep ingesteld bij de voorzitter van het schoolbestuur. Dit beroepschrift is, zo lijkt, aan de juiste instantie gericht en binnen de in het schoolreglement bepaalde beroepstermijn ingediend. Die beroepstermijn van drie dagen gaat immers pas in, zoals gezien, bij de ontvangst van de brief van de school en uit het onderzoek van de auditeur-verslaggever blijkt dat de nieuwe beslissing van de klassenraad op 1 juli 2024 door de postdiensten is afgeleverd.
Met de in dit ‘aanvullend beroep’ vervatte argumenten moest de beroepscommissie bijgevolg, zo lijkt, eveneens rekening houden. Zij kan bezwaarlijk stellen van dit stuk niet op de hoogte te zijn. Daargelaten dat de
IX-10.534-14/18
verwerende partij niet beweert dat dit schrijven niet werd ontvangen, heeft verzoekers raadsman ernaar verwezen op de hoorzitting.
De stelling van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen dat dit schrijven niet ontvankelijk is omdat het “blijkbaar opgesteld werd door de advocaat van de verzoekende partijen nadat de verzoekende partijen zelf intern beroep aantekenden alsook nadat de uitnodiging voor de beroeps-
commissie reeds werd verzonden”, kan prima facie niet worden bijgevallen.
B. Ten gronde
10. Terwijl de objectieve gegevens van het leerlingendossier, in voorkomend geval aangevuld middels de eigen onderzoeksmogelijkheden waarover de beroepscommissie beschikt, de materiële grondslag moeten vormen waarop de beroepscommissie haar overtuiging steunt – in casu dat de betrokken leerling geen redelijke slaagkansen heeft in de A-stroom van het eerste jaar van de eerste graad in het secundair onderwijs – dient de commissie die overtuiging ook uitdrukkelijk te motiveren.
Daarbij komt nog, aangezien de leerling gebruikmaakt van de door de decreetgever verleende verhaalmogelijkheid en hij aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, dat de formelemotiveringsplicht ten volle betekenis krijgt omdat de beroepscommissie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze moet beantwoorden.
Daarmee is niet gezegd dat de beroepscommissie noodzakelijk op elke grief apart moet antwoorden. Wel is vereist dat de formele motivering ervan blijk geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden.
IX-10.534-15/18
11. Toegepast op de thans bestreden beslissing, leert wat voorafgaat op het eerste gezicht het volgende.
12.1. Zoals sub 9.2 prima facie is vastgesteld, vermocht de beroepscommissie de door verzoekers ouders toegezonden e-mail van 27 juni 2024
te beschouwen als een (eerste) beroepschrift.
In die e-mail wordt onder meer geargumenteerd dat verzoeker “opmerkelijke vooruitgang [heeft] geboekt in verschillende vakken”. Het antwoord van de beroepscommissie dat dit is toe te schrijven aan de beslissing van de school om na het eerste trimester de doelen aan te passen aan de voorbereiding op een 1B-loopbaan, lijkt dus wel degelijk op verzoekers argumenten te slaan.
Verzoeker beweert prima facie niet, laat staan bewijst, dat dit antwoord van de beroepscommissie onjuist of ontoereikend zou zijn.
In dat opzicht is het enige middel niet ernstig.
12.2. Of de beroepscommissie andere grieven uit de e-mail van 27 juni 2024 – zoals medische problemen, het overlijden van verzoekers grootvader en de verklaring van de psycholoog – ten onrechte onbesproken heeft gelaten, behoeft op het eerste gezicht dan weer geen nader onderzoek, aangezien verzoeker daaromtrent geen schending van de “motiveringsplicht” inroept.
13.1. Verzoeker heeft daarnaast in de loop van de georganiseerde bezwaarprocedure te kennen gegeven dat de voorliggende resultaten niet toelaten met voldoende zekerheid te besluiten dat hij in de A-stroom onvoldoende slaagkansen heeft, hetgeen wordt bevestigd door de bijkomende testen die in het ‘aanvullend’ beroepschrift van 3 juli 2024 waren aangekondigd en waarop verzoeker tijdens de hoorzitting ook is ingegaan.
13.2. Onverminderd wat sub 9.3 is overwogen, blijkt uit het verslag van de hoorzitting van de beroepscommissie dat beide grieven ook tijdens die
IX-10.534-16/18
zitting aan bod zijn gekomen, waaromtrent de bestreden beslissing luidt dat zij tot stand is gekomen “[g]elet op het verhoor dat […] heeft plaatsgevonden en de aldaar aangebrachte argumenten”.
Omtrent die argumenten lijkt de beroepscommissie zich evenwel geen oordeel te hebben gevormd, alleszins blijkt zulks niet uit de bestreden beslissing. In het verslag van de hoorzitting is weliswaar te lezen dat de voorzitter van de klassenraad twijfels heeft bij de goede resultaten die in de zomervakantie plots zouden zijn behaald, maar in de bestreden beslissing valt niet te vernemen wat het oordeel van de gehele beroepscommissie ter zake is.
In die beslissing is ter zake enkel te lezen dat er “onvoldoende nieuwe elementen” zijn die tot een wijziging van de beslissing van de klassenraad kunnen leiden.
Dergelijke ‘motivering’ lijkt een passe-partout in de ware zin van het woord. Die zinsnede kan ieder bestuur in elk beroep hanteren, maar het levert de bestuurde in zijn concrete geval geen inzicht waarom die argumentatie dan niet overtuigend was en niet tot een ander oordeel kon leiden.
Dat verzoekers grieven niet dermate onduidelijk of onbeduidend zijn dat er niets over te zeggen valt, lijkt te mogen worden afgeleid uit de omstandige overwegingen die de verwerende partij in de nota met opmerkingen ter zake uiteenzet. Die overwegingen, ongeacht hoe overtuigend zij zouden kunnen voorkomen, kan de Raad evenwel niet beoordelen, aangezien ze niet in de bestreden beslissing te lezen zijn en dus niet aan de beroepscommissie kunnen worden toegerekend.
14. Het enige middel is in de aangegeven mate ernstig.
IX-10.534-17/18
BESLISSING
De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten van 22 augustus 2024
waarbij aan S.A. het getuigschrift basisonderwijs wordt geweigerd.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Jim Deridder
IX-10.534-18/18
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.571
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.594
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...