ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 Rolnummer: A. 242961/IX-10549 Zaak: Arrest 260823 - Examens (onderwijs) - 27/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-04 19:32 Fiche Arrest nr 260.823 van 27 september 2024 Onderwijs...

Source officielle

42 min de lecture 9 077 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 27 september 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823

Rolnummer:

A. 242961/IX-10549

Zaak:

Arrest 260823 – Examens (onderwijs) – 27/09/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-09-27

Raadplegingen:

90 – laatst gezien 2026-06-04 19:32

Fiche

Arrest nr 260.823 van 27 september 2024 Onderwijs en cultuur – Examens
(onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 no lien 278946 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 260.823 van 27 september 2024
in de zaak A. 242.961/IX-10.549
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 14 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 30 (versta:
27) augustus 2024, waarbij het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig wordt gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-10.549-1/32
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2024, om 10.30 uur.
Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Wendy Depester heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De Vlaamse regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)).
Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs).
Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en
IX-10.549-2/32
wis-kunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het organisatiebesluit).
Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken.
Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat, waardoor het startquotum overschreden kan worden (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs).
Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit).
3.2. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2024 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2024’ (“WER”).
Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG.
IX-10.549-3/32
CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deel-nemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”.
VAARDIG staat voor “Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren”. De kandidaten krijgen “examenvragen over een korte weten-schappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema”.
Voor sommige examenvragen kunnen de deelnemers het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere examenvragen moeten de deelnemers diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren.
3.3. Verzoekster neemt op 2 juli 2024 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. Zij behaalt 66 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 57 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 123 op 240 punten in het totaal.
Aangezien verzoekster een onvoldoende behaalt voor het onderdeel GC, waardoor zij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt zij niet in aanmerking voor rangschikking.
Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie.
IX-10.549-4/32
3.4. Op 27 augustus 2023 beslist de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts om het beroep van verzoekster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dat is de bestreden beslissing.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
5. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid.
VI. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
6. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, “dan wel” een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
In het kader van dit middel betwist zij de geldigheid van vier vragen van het examenonderdeel generieke competenties (GC) van het toelatingsexamen arts van 3 juli 2024, namelijk de vragen 5, 8 en 11 van de
IX-10.549-5/32
CLEAR-toets en vraag 6 van VAARDIG, die door de examencommissie werd geneutraliseerd. Verzoekster meent dat de beroepsinstantie niet in concreto reageert op de bezwaren die zij in haar intern beroep heeft geformuleerd en in de mate dat de beroepsinstantie wel een algemene motivering geeft waarom een bepaald antwoord als enig juiste antwoord dient te worden bestempeld, is deze motivering, althans volgens verzoekster, niet correct en onzorgvuldig.
Met betrekking tot vraag 5 zet verzoekster uiteen dat het door de beroepscommissie als juist aangeduide antwoord door het gebruik van de term ‘goedmaken’ een impliciete schuldtoewijzing bevat en dat haar argumentatie ter zake niet werd beantwoord, evenmin als de door verzoekster aangereikte alternatieve interpretaties van de vraag. Verzoekster bekritiseert voorts dat het ‘VIEWS-model’ door de beroepscommissie wordt aangehaald ter verantwoording van de bestreden beslissing, zonder dat dit model verder wordt uitgelegd in relatie tot verzoeksters bezwaar of de aanduiding van het (enige) juiste antwoord.
Verzoekster leest in de bestreden beslissing ook geen antwoord op haar verwijzing naar eerdere examenvragen en de arts-patiënt-context. Door vast te houden aan het uitgangspunt dat er slechts één correct antwoord is, geeft de beroepscommissie volgens verzoekster tot slot blijk van een gebrek aan objectiviteit.
Vraag 8 peilt naar de meest effectieve interventie om een gegeven situatie te de-escaleren. Verzoekster betoogt dat de beroepscommissie voorbijgaat aan het bezwaar dat het als juist beschouwde antwoord ongepast kan zijn in een professionele context, omwille van mogelijke culturele en gendernormen. De beroepscommissie legt in het licht van die bezwaren niet uit waarom de vraag cultureel en genderneutraal is. De vaststelling dat uit de itemanalyse geen significant verschil in antwoordpatronen tussen mannelijke en vrouwelijke deelnemers blijkt, gaat aan het culturele aspect geheel voorbij. Ook met betrekking tot deze vraag hekelt verzoekster de verwijzing naar het ‘VIEWS-model’ en het gemis aan antwoord op de alternatieve benaderingen die zij heeft aangereikt.
IX-10.549-6/32
Ook met betrekking tot vraag 11 doet verzoekster gelden dat de beroepscommissie niet uitlegt waarom alternatieve antwoorden niet eveneens correct kunnen zijn. In het bijzonder leest verzoekster geen antwoord op haar kritiek dat het als juist aangemerkte antwoord een egoïstische connotatie heeft.
Daarnaast schendt de beroepscommissie het zorgvuldigheidsbeginsel in de beoor-deling van de groepsdynamiek en biedt zij voor het vermelde Calgary Cambridge-model geen nadere toelichting hoe dit van toepassing is op verzoeksters bezwaren.
Vraag 6 van de VAARDIG-toets werd door de examen-commissie geneutraliseerd. Ten onrechte, zo zet verzoekster – te midden van het middel met betrekking tot vraag 11 – uiteen, want het door haar gegeven antwoord op deze vraag was correct en zij loopt nu vier punten mis (drie voor de vraag, één voor de giscorrectie). Dat verzoekster de vraag correct beantwoordde wordt volgens haar “door twee academische expert gevalideerd”.
7. In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij dat niet is ingegaan op de argumenten van verzoekster. Bij elke betwiste vraag werd bij élk antwoord vermeld waarom het juist of niet juist is. Bij elke betwiste vraag weet verzoekster dus waarom de door haar gekozen optie niet de correcte is en waarom de door de examencommissie als correct aangenomen optie weldegelijk de enige juiste is. In de mate dat verzoekster het niet eens is met dit antwoord, betreft dit hoogstens een schending van de materiële-, en niet van de formelemotiveringsplicht.
In het bijzonder wat vraag 5 betreft, stipt de verwerende partij aan dat de beroepscommissie bij alle drie de niet-juiste antwoorden verduidelijkt waarom ze als fout moeten worden beoordeeld. Daarmee is ook geantwoord op de alternatieve interpretatie die verzoekster heeft voorgelegd. De verwerende partij stelt voorts:
“De motiveringsplicht gaat niet zo ver. Nergens in de vraagstelling staat dat de koffiebar geen schuld mag bekennen. Trouwens, de vraag ‘Hoe kan ik dit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-7/32
goedmaken?’ impliceert helemaal niet dat de fout bij de ober of de barman ligt. Integendeel, de ober vertrekt van de vaststelling dat er iets misgelopen is ‘Ik merk inderdaad dat er een vergissing is gebeurd’, maar wijst niemand met de vinger aan. De ober doet met andere woorden geen uitspraak of de vergissing bij de klant, de barman of de ober ligt. Door geen beschuldiging jegens een specifieke persoon te uiten vermijdt de ober defensieve reacties van anderen en vermijdt zo verdere escalatie van de zaak. Dit is precies waarover de vraagstelling gaat die peilt naar de beste reactie ‘om deze situatie niet te laten escaleren’. Deze elementen komen expliciet aan bod in het antwoord van de beroepsinstantie.
Wat betreft het zgz. niet-reageren op de vergelijking met vorige examenvragen, moet vastgesteld worden dat in de bestreden beslissing op pg. 4 hier wel degelijk een antwoord op geboden wordt:
‘Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden, (nagenoeg) dezelfde zijn. Zo is het dus mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam, maar met een andere vraagstelling, een verschillend juist antwoord hebben omdat de vraagstelling peilt naar een andere uitkomst (bv. bereiken van een consensus beslissing versus duidelijk maken van eigen gevoelens) in de geschetste context of omdat de reactie betrekking heeft op een andere persoon die in de beschreven situatie betrokken is. Evenzeer is het mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam en eenzelfde vraagstelling, maar met (deels) andere antwoord-mogelijkheden, een ander juist antwoord hebben omdat één van de andere antwoordmogelijkheden nu beter aan de vraagstelling beantwoordt.
Om de validiteit van een CLEAR-vraag in het toelatingsexamen van 2024 op basis van een vraag uit vorige jaargangen te kunnen betwisten moet men dus expliciet aantonen dat de drie wezenlijke elementen van de vraag (stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden) identiek zijn. Zoniet gaat de vergelijking tussen beide vragen niet op en vervalt het argument.
In het kader van transparantie stelt de examencommissie de vragen van de voorbije toelatingsexamens inclusief de antwoorden publiek beschikbaar op de website. Dit geeft toekomstige deelnemers een beeld van dit onderdeel van het toelatingsexamen en stelt hen in staat zich voor te bereiden aan de hand van deze vragen. Een mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid is dat deelnemers aan ‘scenarioherkenning’ doen, d.w.z. dat zij scenario’s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn. Het spreekt voor zich dat de examencommissie niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor deze handelswijze. Integendeel, het behoort tot de essentie van CLEAR dat de deelnemers voor elke vraag de specifieke context, vraagstelling en antwoordmogelijkheden inhoudelijk beoordelen.’ Inderdaad moet vastgesteld worden dat verzoekende partij enkel verwijst naar vorige examenvragen, zonder dit concreet terug te koppelen naar deze examenvragen, noch betrekking tot de stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden. Verzoekende partij licht ook niet concreet toe over ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-8/32
welke ‘vorige examenvragen’ zij het heeft. De vergelijking kan zodoende moeilijk gemaakt worden. De interne beroepsgrief is op dit vlak vaag en onvoldoende concreet, zodat ook de interne beroepscommissie kon volstaan met een algemeen antwoord.
Verzoekende partij stelt bovendien ook ten onrechte dat in het door de examencommissie weerhouden antwoord een ‘neutrale tweede zin’ ontbreekt. De tweede zin luidt: ‘hoe kan ik het goed maken ?’ In de mate dat verzoekende partij verwijst naar het ‘VIEWS-model’ en stelt dat dit model toegelicht wordt, moet opgemerkt worden dat dit nieuw is, aangezien dit repliceert op een overweging van de bestreden beslissing. De motiveringsplicht reikt niet zo ver dat het gebruik van het model gemotiveerd moet worden (‘motieven van de motieven’).
Verwerende partij ziet ook niet in wat verzoekende partij aan repliek verlangt op haar opmerking dat ‘zowel antwoord 2 als antwoord 3 strategieën zijn die de situatie niet laten escaleren’. Zij duidde immers antwoord 4 aan. De vraag is juist ‘de-escaleren’. Uit het antwoord van de beroepsinstantie blijkt duidelijk dat antwoord 2 het meest de-escalerend werkt (cf supra) en ook dat antwoord 3 het risico van escaleren in zich draagt wegens de beschuldiging ten aanzien van de klant. De beroepsinstantie heeft dus wel degelijk geargumenteerd waarom er een onderscheid tussen antwoorden 2 en 3 kan gemaakt worden in de context van de specifieke vraagstelling.”
Inzake vraag 8, die betrekking heeft op conflicthantering in professionele context, verwijst de verwerende partij naar de overwegingen van de beroepscommissie. Het juiste antwoord wordt geduid door de toelichting dat de interventie de emotie bij Charles benoemt en de situatie de-escaleert door diens aandacht af te leiden van Julie. De beroepscommissie heeft uit de itemanalyse kunnen opmaken dat er van genderbias geen sprake is. Wat betreft verzoeksters grieven omtrent de culturele context verwijst de verwerende partij naar de beoordeling van de beroepscommissie in antwoord op verzoeksters algemene kritiek op de CLEAR-test:
“Verder argumenteert het verzoekschrift dat CLEAR voorbijgaat aan de ‘contextuele en culturele verschillen’, de ‘complexiteit van menselijke interacties’ en ‘individuele verschillen en persoonlijkheid’. Het is inderdaad zo dat communicatie gekleurd is door context en cultuur, specifiek dan de context en cultuur waarin onze gezondheidszorg zich afspeelt. Studenten en zorgverleners worden opgeleid in cultuursensitief zorgen en communiceren.
Ze behoren met andere woorden oog te hebben voor gewoonten en gedragingen die ingegeven zijn door culturele, etnische, religieuze of persoonlijke invloeden. Deze sensitiviteit houdt evenwel niet in dat er naargelang de culturele, etnische, religieuze of persoonlijke context andere of specifieke antwoorden zouden zijn. Uitgaande van de generieke en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-9/32
wetenschappelijk onderbouwde CLEAR dimensies wordt van de deelnemer aan het toelatingsexamen verwacht om gedragingen, gevoelens en uitspraken te observeren, te benoemen en te exploreren in de gegeven context van de vraag. In tegenstelling tot wat beweerd wordt, vereist dit geen specifieke benadering of aanpak.”
Aldus heeft de beroepscommissie volgens de verwerende partij duidelijk gemotiveerd waarom het ene antwoord correct is en de andere foutief en waarom verzoeksters opmerkingen inzake gender niet overtuigen. Voorts merkt de verwerende partij op dat de test niet peilt naar hoe de respondent zélf zou handelen in de gegeven situatie, maar wel naar welk antwoord het best past, waarbij moet worden uitgegaan van een “Belgische context”. Overigens, zo stipt de verwerende partij nog aan, toont verzoekster niet aan dat zij tot een andere cultuur behoort, zodat zij “weinig belang” heeft bij haar argumenten. In de mate dat verzoekster ook met betrekking tot deze vraag opmerkt dat het VIEWS-model onvoldoende antwoord zou bieden, herhaalt de verwerende partij dat dergelijke kritiek impliceert dat naar de ‘motieven van de motieven’ wordt gepeild wordt.
Met betrekking tot vraag 11 stelt de verwerende partij dat de beroepscommissie verzoeksters grieven, minstens de meest essentiële, heeft beantwoord.
Tot slot argumenteert de verwerende partij, wat vraag 6 van de VAARDIG-test betreft, dat de beroepscommissie uitvoerig heeft uiteengezet wat de gevolgen voor de deelnemers zijn bij een geneutraliseerde vraag en dat daaruit blijkt dat verzoekster door die neutralisatie niet kan zijn benadeeld. Verzoeksters verwijzing naar het oordeel van artsen omtrent de juistheid van haar antwoord gaat voorbij aan het gegeven dat het niet aan de Raad van State toevalt om dit af te wegen tegen het standpunt van de beroepscommissie. Voorts wijst de verwerende partij erop dat verzoekster enkel herneemt wat zij in de interne beroepsprocedure heeft uiteengezet.
IX-10.549-10/32
Beoordeling
a. algemeen
8. Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroeps-instantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelings-bevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
9. Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof of relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 27 januari 2023 en in het werkings- en examenreglement, slechts één correct antwoord kunnen krijgen.
In dat verband mag niet onvermeld blijven, dat de examen-commissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als “mogelijke probleem-vragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De
IX-10.549-11/32
examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
10. Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing:
“De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen.”
Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie.
11. De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord:
“Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.”
De beroepsinstantie stelt vervolgens dat “[v]oor elke vraag […]
dus specifiek [wordt] aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz.”:
IX-10.549-12/32
“Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag –
toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling. In toetstechnische termen en methodieken kunnen zulke antwoordopties als ‘confounders’ fungeren, dit wil zeggen antwoordopties die plausibel lijken maar niet correct zijn in de gegeven context. Deze confounders dragen bij aan het discriminatieve vermogen van een toets.”
De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examencommissie er niet om te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in hun dagelijks leven zelf op een bepaalde situatie reageert”:
“Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.”
Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de meeste vragen in CLEAR “een specifiek format” hebben:
“In de stam van de vraag wordt eerst een welbepaalde situatie geschetst, bv.
een voorval in familie- of vriendenkring. Dan volgt de specifieke vraagstelling die peilt naar de meest geschikte uitspraak of reactie om een bepaalde uitkomst binnen de eerder geschetste context te bereiken. Tot slot worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Het juiste antwoord wordt gedefinieerd als de uitspraak of reactie die het best beantwoordt aan de specifieke vraagstelling binnen de context (stam) van de vraag.
Hieruit volgt dat twee CLEAR-vragen slechts als identiek beschouwd kunnen worden indien de drie bouwstenen van de vraag, met name stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden, (nagenoeg) dezelfde zijn. Zo is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823 IX-10.549-13/32
het dus mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam, maar met een andere vraagstelling, een verschillend juist antwoord hebben omdat de vraagstelling peilt naar een andere uitkomst (bv. bereiken van een consensus beslissing versus duidelijk maken van eigen gevoelens) in de geschetste context of omdat de reactie betrekking heeft op een andere persoon die in de beschreven situatie betrokken is. Evenzeer is het mogelijk dat twee vragen met eenzelfde stam en eenzelfde vraagstelling, maar met (deels) andere antwoordmogelijkheden, een ander juist antwoord hebben omdat één van de andere antwoordmogelijkheden nu beter aan de vraagstelling beantwoordt.”
De beroepsinstantie wijst er voorts nog op dat “[e]en mogelijke keerzijde van de publieke beschikbaarheid [van de vragen van de voorbije toelatingsexamens] is dat deelnemers aan ‘scenarioherkenning’ doen, d.w.z. dat zij scenario’s en bijhorend juist antwoord van vorige jaargangen uit het hoofd leren en dit als het ware blind toepassen op het examen op basis van een vermeende identiteit tussen de vragen, zonder specifiek na te gaan of stam, vraagstelling en antwoordmogelijkheden effectief identiek zijn”.
b. Het VIEWS-model en het Calgary Cambridge model
12. Verzoekster stelt dat de beroepscommissie het VIEWS-model (bij vragen 5 en 8) en het Calgary Cambridge model (bij vraag 11) aanhaalt, maar geen gedetailleerde uitleg biedt over hoe dit model specifiek van toepassing is op haar bezwaren.
13. De verwijzing door de beroepsinstantie bij de bespreking van de door verzoekster bekritiseerde vragen 5, 8 en 11 van de CLEAR-toets naar het VIEWS-model, respectievelijk het Calgary Cambridge model of naar een welbepaald thema uit dat model – te dezen: ‘conflicthantering’ en ‘groepsdynamieken handhaven’ – lijkt niet méér te zijn dan een referentie. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt.
IX-10.549-14/32
Evenmin overtuigt verzoekster er in de huidige stand van de procedure van dat de beroepscommissie met deze verwijzingen het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.
14. In dat opzicht is het eerste middel niet ernstig.
c. vraag 5
15. Vraag 5 van de CLEAR-toets luidt als volgt (de Raad herneemt hier en bij de volgende vragen de weergave uit de bestreden beslissing):
“Je werkt als jobstudent in een koffiebar. Het is jouw taak om bestellingen op te nemen en klanten te bedienen. Je komt aan een tafel met de bestelling en één van de klanten merkt op dat hij een cappuccino heeft gekregen in plaats van de bestelde latte. Je bent er zeker van dat hij wel degelijk een cappuccino bestelde en het staat ook zo op jouw bestelbon. Vermoedelijk werd dit fout afgeleverd door de barman.
Hoe reageer je het best op deze opmerking om deze situatie niet te laten escaleren?
1. ‘Ik merk inderdaad dat er een vergissing is gebeurd. Hoe kan ik dit goedmaken?’ 2. ‘Sorry, mijn collega heeft het zeer druk en zal een fout gemaakt hebben. Ik los het op.’ 3. ‘Je had nochtans duidelijk een cappuccino besteld hoor. Ik zie het hier nog staan op mijn bestelbon.’ 4. ‘Je vergist je. Je had een cappuccino besteld hoor. Als je wil kan ik je bestelling aanpassen en een latte laten maken.’”
Verzoekster heeft op haar examen reactie 4 ingevuld als het juiste antwoord.
De examencommissie heeft antwoord 1 als enig juiste antwoord aangemerkt.
16. De beroepscommissie zet in de bestreden beslissing uiteen waarom reactie 1 het enige juiste antwoord is. Die reactie “[e]rkent dat er een vergissing is gebeurd vanuit de eigen persoon zonder te beschuldigen. Hierdoor
IX-10.549-15/32
vermijd je dat de andere een defensieve houding aanneemt. Vervolgens wordt geprobeerd om tot een oplossing te komen.”
Met betrekking tot het door verzoekster gegeven antwoord, duidt de beroepscommissie dat dit “opnieuw een beschuldiging [bevat], maar dan ten aanzien van de klant. Riskeert eerder te escaleren dan te de-escaleren.”
Waarom de andere twee opties niet zijn aangewezen, wordt eveneens toegelicht. Reactie 2 “[g]aat ervan uit dat er een fout is gemaakt, terwijl dit een vermoeden is, geen zekerheid. Bovendien beschuldig je je collega, terwijl je in een professionele context best neutraal blijft en niemand beschuldigt ten aanzien van derden” en reactie 3 om dezelfde reden waarom verzoeksters antwoord niet correct is.
17. Anders dan verzoekster het voorstelt, wordt op het eerste gezicht dus wel degelijk aangegeven waarom net dat ene antwoord als het meest passend binnen de vraagstelling moet worden beschouwd.
De Raad herinnert eraan dat gepeild wordt naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert.
Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat meer dan één geboden antwoord een eindweegs de richting uitgaat van de gewenste uitkomst. De kandidaat moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het “beste” antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige “juiste” antwoord.
Dat het gebruik van het woord ‘goedmaken’ impliceert dat de ober “schuld toegeeft”, wat volgens verzoekster “niet de bedoeling zou moeten zijn in een professionele situatie”, moge dan een inschatting van verzoekster zijn, dit neemt – daargelaten de bedenking dat die schuld prima facie niet uitdrukkelijk bij de barman dan wel de ober wordt gelegd – niet weg dat de beroepscommissie
IX-10.549-16/32
uitdrukkelijk lijkt te hebben aangegeven dat verzoeksters optie de schuld bij de klant legt – en dus het risico op escalatie inhoudt – terwijl het als correct aangewezen antwoord een dergelijk risico niét inhoudt.
Op het eerste gezicht komt verzoekster niet verder, wat haar kritiek op de beoordeling van vraag 5 betreft, dan het stellen van een eigen oordeel tegenover het oordeel van de beroepsinstantie.
18. Voorts geeft verzoekster aan de formelemotiveringswet een verkeerde draagwijdte, zo lijkt, als zij van de beroepsinstantie verlangt “gedetailleerd in te gaan” op verzoeksters redenering. Evenmin lijkt de opgelegde formelemotiveringsplicht zo ver te strekken dat uitdrukkelijk moet worden geantwoord op elke grief. Het volstaat, zo lijkt, dat de beroepsinstantie aangeeft waarom zij een bepaalde keuzemogelijkheid als de juiste beschouwt. Welnu, bij elke vraag zet de beroepsinstantie uiteen waarom één antwoord het meest geschikte antwoord is in de context van de vraagstelling en waarom de drie andere antwoorden – waaronder dus ook het antwoord van verzoekster – mogelijk ook geschikt, maar niet het méést geschikt zijn.
Ook in die mate is het middel niet ernstig.
d. vraag 8
19. Vraag 8 van de CLEAR-toets luidde:
“In de cafetaria van je school zie je twee personen die ruzie hebben. Julie, een klasgenote, was wat te uitbundig geweest en botste hierdoor tegen het dienblad van Charles waardoor zijn drankje omviel op zijn broek. Charles is boos en schreeuwt tegen Julie, die duidelijk geschrokken reageert.
Welke van de onderstaande interventies is de meest effectieve om dit conflict te de-escaleren?
1. Je gaat tussen Charles en Julie in staan en zegt tegen Charles: ‘Julie heeft dit niet zo bedoeld. Er is geen reden om je zo kwaad te maken.’ 2. Je gaat tussen Julie en Charles in staan en zegt tegen beiden: ‘Dit was een gewoon ongeluk. Laat ons alles opruimen.’
IX-10.549-17/32
3. Je neemt Julie bij de arm en zegt tegen Charles: ‘Zie je niet dat je haar bang maakt. Het is niet dat ze dit met opzet deed.’ 4. Je neemt Charles bij de arm en zegt tegen hem: ‘Ik merk dat je boos bent omdat Julie je drankje heeft omgegooid. Zullen we samen even naar de wc gaan om dit proberen proper te maken?’”
Verzoekster heeft op haar examen reactie 2 ingevuld als het juiste antwoord.
De examencommissie heeft antwoord 4 als enig juiste antwoord aangemerkt.
20. De beroepscommissie motiveert waarom reactie 4 het enige juiste antwoord is:
“Deze interventie benoemt de emotie bij Charles en de-escaleert de situatie door de aandacht van Charles af te leiden van Julie. Het ontmijnt de situatie door de persoon die boos is, aan te spreken en af te leiden. Het zorgt ervoor dat de situatie niet verder ontspoort.”
Het antwoord dat door verzoekster werd gegeven is volgens de beroepscommissie niet correct omdat die interventie de beleving van de situatie door Charles en Julie minimaliseert en er niet wordt ingegaan op hun beider gevoelens (boos dan wel geschrokken). De situatie wordt aldus, volgens de beroepscommissie, afgedaan als een ‘gewoon ongeluk’ terwijl het in de ogen van Charles duidelijk meer is dan dat. De niet-erkenning daarvan vermindert de kans om het conflict tussen beiden te reduceren.
De beroepscommissie zet voorts uiteen waarom ook de opties 1
en 3 niet de meest aangewezen antwoorden zijn.
21. Verzoekster werpt aan de beroepscommissie twee grieven tegen, namelijk (i) een ontoereikend antwoord op verzoeksters grieven in het algemeen en wat de keuze voor optie 4 betreft in het bijzonder (formelemotiveringsplicht) en (ii) een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
IX-10.549-18/32
De Raad van State merkt op dat het niet op zijn weg ligt, al zeker niet in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, om in het verzoekschrift op zoek te gaan naar mogelijke andere, door de verzoekende partij niet uitdrukkelijk benoemde grieven. In dat opzicht stelt de Raad op het eerste gezicht vast dat verzoekster, anders dan het geval is bij de vragen 5 en 11, ten overstaan van de beroepscommissie de validiteit van vraag 8 zelf niet ter discussie heeft gesteld en zulks ook in haar schorsingsverzoek niet doet.
Verzoeksters eerste middel wordt bijgevolg, ook wat vraag 8
betreft, beoordeeld binnen de contouren die zij in haar verzoekschrift heeft aangegeven.
22. Ten overstaan van de beroepscommissie heeft verzoekster vooreerst uiteengezet dat optie 4 problematisch is vanuit een genderperspectief, namelijk eensdeels omdat er voor wie zich als vrouw identificeert vanuit sociale gedragspatronen enige schroom is om met een jongen naar de toiletten te gaan en anderdeels omdat wie zich als man identificeert mogelijk niet meteen de reactie zou hebben om het kledingstuk van een andere man “proper te maken”.
Daarop heeft de beroepscommissie geantwoord wat volgt:
“Uit de itemanalyse van deze vraag blijkt ook niet dat er een genderbias zou zijn. Er wordt geopperd dat vrouwen niet voor het juiste antwoord zouden kiezen omdat er in dit antwoord sprake is van ‘samen even naar de wc om dit proberen proper te maken’. De antwoordpatronen voor deze vraag in functie van man/vrouw zijn (N = 4811; alle mannelijke of vrouwelijke deelnemers)
CLEAR vraag 8
totaal A B C D open %B %D
M 1412 129 788 19 424 52 56% 30%
V 3399 124 1719 15 1353 188 51% 40%
Deze cijfers staven niet de stelling dat vrouwen zouden afgeschrikt zijn door de vermelding van samen naar de wc gaan in het juiste antwoord (4). Het vermoeden van genderbias ten nadele van vrouwen kan dus niet hard gemaakt worden.”
IX-10.549-19/32
Verzoekster lijkt in de uiteenzetting van de grieven in de huidige procedure op een mogelijke genderbias met betrekking tot de mannelijke kandidaten niet meer terug te komen, zodat in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat verzoekster ter zake genoegen neemt met de door de beroepscommissie verstrekte cijfers.
Wat de genderbias in het algemeen betreft, heeft de beroepscommissie op het eerste gezicht geantwoord op verzoeksters grieven. Voor zover verzoekster méér verlangt, kan in deze stand van de procedure worden verwezen naar wat sub 18 is overwogen.
23. Daarnaast heeft verzoekster opgemerkt dat optie 4 ook vanuit cultureel aspect problematisch is. Met een verwijzing naar wetenschappelijke literatuur zet zij in haar intern beroep onder meer uiteen dat cultuur een significante invloed heeft op communicatie en conflicthantering, dat er in bepaalde culturen strikte normen en waarden zijn bij interacties tussen mannen en vrouwen – een moslima zal, zo stelt verzoekster, niet zomaar met een man naar het toilet gaan – en dat deze gedragsnormen diep geworteld zijn in religieuze overtuigingen en culturele praktijken die de persoonlijke en sociale grenzen tussen de geslachten waarborgen. Met die culturele gevoeligheden moet volgens verzoekster rekening worden gehouden bij het voorstellen van oplossingen in conflictde-escalatie.
Verzoekster noemt de vraag ook discriminatoir. Over de voorgestelde oplossing besluit zij dat die in strijd is met principes van gelijke genderbehandeling en respect voor culturele diversiteit.
De beroepscommissie gaat bij de beoordeling van verzoeksters grieven met betrekking tot vraag 8 niet in op de aangevoerde culturele of religieuze bias. In haar nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat dat aspect van het antwoord kan worden gelezen in de weerlegging van een meer algemene kritiek met betrekking tot de CLEAR-toets, namelijk waar de beroepscommissie het volgende overweegt:
IX-10.549-20/32
“Verder argumenteert het verzoekschrift dat CLEAR voorbijgaat aan de ‘contextuele en culturele verschillen’, de ‘complexiteit van menselijke interacties’ en ‘individuele verschillen en persoonlijkheid’. Het is inderdaad zo dat communicatie gekleurd is door context en cultuur, specifiek dan de context en cultuur waarin onze gezondheidszorg zich afspeelt. Studenten en zorgverleners worden opgeleid in cultuursensitief zorgen en communiceren.
Ze behoren met andere woorden oog te hebben voor gewoonten en gedragingen die ingegeven zijn door culturele, etnische, religieuze of persoonlijke invloeden. Deze sensitiviteit houdt evenwel niet in dat er naargelang de culturele, etnische, religieuze of persoonlijke context andere of specifieke antwoorden zouden zijn. Uitgaande van de generieke en wetenschappelijk onderbouwde CLEAR dimensies wordt van de deelnemer aan het toelatingsexamen verwacht om gedragingen, gevoelens en uitspraken te observeren, te benoemen en te exploreren in de gegeven context van de vraag. In tegenstelling tot wat beweerd wordt, vereist dit geen specifieke benadering of aanpak.”
Daarmee heeft de beroepscommissie, zo lijkt, geantwoord op verzoeksters voorafgaande algemene kritiek dat CLEAR an sich geen valabele testmethode is omdat het – onder meer – door subjectiviteit en bias onmogelijk is om te meten wat men beoogt.
De beroepscommissie gaat daarbij evenwel prima facie niet in op de grief die verzoekster inzake culturele en bias zeer concreet met betrekking tot vraag 8 heeft geformuleerd, namelijk dat de specifieke context van optie 4
ongepast kan zijn en cultureel of religieus geenszins neutraal is.
Het valt de Raad niet toe hierin een inhoudelijk standpunt te nemen. In de mate evenwel dat verzoekster aan de beroepsinstantie verwijt dat uit de bestreden beslissing zelfs niet blijkt dat die kritiek is onderzocht, moet zij prima facie worden bijgevallen.
Door het lezen in hun onderlinge samenhang van (de particulariteiten van) de vraag en optie 4 als antwoord lijkt verzoekster prima facie niet geheel zonder grond te kunnen betogen dat een context wordt geschetst die voor sommige deelnemers aan het toelatingsexamen vanuit hun culturele achtergrond kan leiden tot een afwijzing van optie 4 op andere gronden dan de
IX-10.549-21/32
inzichten die de vraag beoogt te toetsen, zodat zij van de beroepscommissie op deze grief een uitdrukkelijk antwoord mag verwachten.
Ook vanuit dat oogpunt derhalve, lijkt verzoekster met de door haar geuite concrete kritiek aanspraak te kunnen maken op een uitdrukkelijk onder woorden gebrachte beoordeling door de beroepscommissie, die prima facie vooralsnog ontbreekt.
24. In zoverre het eerste middel met betrekking tot vraag 8 steunt op de formelemotiveringsplicht, is het ernstig.
25. Verzoekster betrekt het door haar aangevoerde zorgvuldigheids-beginsel enerzijds op een gemis aan beoordeling van haar argumenten en anderzijds op het ontbreken van een specifieke uitleg over hoe het VIEWS-model met haar bezorgdheden rekening houdt.
In de eerste betekenis valt de grief samen met verzoeksters beroep op de formelemotiveringsplicht, dat hiervóór ernstig is bevonden, en behoeft hij geen bijkomend onderzoek. Wat het VIEWS-model op zich betreft, verwijst de Raad naar wat sub 13 is overwogen.
26. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig.
e. vraag 11
27. Vraag 11 van de CLEAR-toets luidde:
“Je bent aanvoerder van een voetbalploeg en je speelt de finale van een lokaal toernooi. Jouw ploeg staat achter met één doelpunt, maar in de laatste minuten van de wedstrijd wordt er een strafschop gefloten waardoor jouw ploeg nog op gelijke stand kan komen. De spits van jouw team staat erop om de strafschop te nemen, maar hij trapt de bal naast het doel. Je ploeg verliest de match.
Op welke wijze kun je na de match het best het groepsgevoel van de ploeg aanwakkeren?
IX-10.549-22/32
1. ‘Iedereen heeft goed gespeeld. Hadden we die penalty niet gemist, dan hadden we misschien wel gewonnen!’ 2. ‘Iedereen heeft goed gespeeld. De tegenstander was simpelweg sterker. Volgende keer winnen we zeker!’ 3. ‘We hebben als ploeg alles gegeven. We mogen trots zijn op dit resultaat. Volgende keer winnen we zeker!’ 4. ‘We hebben als ploeg alles gegeven. Jammer genoeg was dit niet genoeg om vandaag te winnen. Ik ben er trots op dat ik aanvoerder mag zijn van dit prachtige team!’”
Verzoekster heeft op haar examen reactie 3 ingevuld als het juiste antwoord.
De examencommissie heeft antwoord 4 als enig juiste antwoord aangemerkt.
28. De beroepscommissie motiveert waarom reactie 4 het enige juiste antwoord is: “[b]enoemt duidelijk het collectief en legt geen nadruk op individuele acties. Het benoemt ook de trots om deel uit te maken van het collectief.”
Het antwoord dat door verzoekster werd gegeven is volgens de beroepscommissie niet correct omdat “[d]e groepsdynamiek wordt verstoord door de nadruk te leggen op een volgende keer te winnen en [voorbijgaat] aan de geleverde prestatie van het eigen team.”
De beroepscommissie zet voorts uiteen waarom ook de opties 1
en 2 niet de meest aangewezen antwoorden zijn.
29. Ook wat deze vraag betreft, is de Raad van State prima facie van oordeel dat de beroepscommissie aangeeft waarom het door haar als correct aangegeven antwoord, en enkel dát antwoord, als het meest passend binnen de vraagstelling moet worden beschouwd.
IX-10.549-23/32
Wat hiervóór sub 17 (er wordt gepeild naar het meest plausibele antwoord) en 18 (de formelemotiveringsplicht noopt niet ertoe “gedetailleerd in te gaan” op verzoeksters redenering) is overwogen, geldt voorts mutatis mutandis ook hier.
30. Verzoeksters betoog dat optie 4 een egoïstische connotatie heeft en dat dit antwoord daardoor net niét aansluit bij het groepsgevoel, lijkt geen afbreuk te doen aan het motief dat de door verzoekster gekozen optie 3 de groeps-dynamiek verstoort om een andere reden, namelijk dat de huidige teamprestatie onder druk komt door een overwinning in de volgende wedstrijd voorop te stellen.
Op het eerste gezicht komt verzoekster ook hier niet verder, wat haar kritiek op de beoordeling van vraag 11 betreft, dan het stellen van een eigen oordeel tegenover het oordeel van de beroepsinstantie.
In dat opzicht is het eerste middel, betrokken op vraag 11, niet ernstig.
31. Verzoekster doet voorts gelden dat de beroepscommissie het Calgary Cambridge model aanhaalt, maar geen gedetailleerde uitleg biedt over hoe dit model specifiek van toepassing is op haar bezwaren.
32. De verwijzing door de beroepsinstantie bij de bespreking van de door verzoekster bekritiseerde vraag 11 van de CLEAR-toets naar het Calgary Cambridge model of naar een welbepaald thema uit dat model – te dezen:
groepsdynamieken handhaven – lijkt, zoals hiervóór met betrekking tot het aanstippen van het VIEWS-model is overwogen, niet méér te zijn dan een referentie. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, ook hier om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt.
IX-10.549-24/32
Ook in dat opzicht is het middel niet ernstig.
f. vraag 6 van de VAARDIG-test
33. In het midden van haar betoog over vraag 11 van de CLEAR-toets, kopieert verzoekster de grief die zij omtrent vraag 6 van de VAARDIG-test aan de beroepscommissie heeft voorgelegd.
Het zij opgemerkt dat van een verzoekende partij in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij uitstek mag worden verwacht dat zij haar middelen voldoende duidelijk en concreet uiteenzet, opdat zij voor een prima facie-beoordeling – dat wil zeggen: op het eerste gezicht, en zonder indringende tekstanalyse – in aanmerking komen. Daarmee verstaat zich niet dat de Raad van State in een paaseierenzoektocht in het ene middel, welhaast terloops, een ander middel moet ontwaren.
Dat gezegd hebbende, stelt de Raad vast dat de beroeps-commissie verzoeksters grief als volgt heeft beantwoord:
“U stelt dat indien vraag 6 van VAARDIG niet geneutraliseerd was, u vier extra punten zou hebben. Deze stelling klopt niet.
Artikels 17 en 18 van het Werkings- en examenreglement 2024 (WER), dat bij de inschrijving aan elke deelnemer ter kennis werd gebracht, bepaalt dat de examencommissie op de beraadslagingsvergadering kan beslissen om de vragen na inhoudelijke analyse te neutraliseren door aan iedere deelnemer het maximum te behalen aantal punten op die vragen toe te kennen.
Datzelfde artikel bepaalt verder wat de gevolgen zijn van de neutralisatie voor de deelnemers:
 Wie de vraag juist heeft beantwoord volgens de vooropgestelde correctiesleutel, behoudt de punten voor die vraag.
 Wie de vraag niet heeft beantwoord volgens de vooropgestelde correctiesleutel, krijgt drie punten voor die vraag.
 Wie de vraag fout heeft beantwoord volgens de vooropgestelde correctiesleutel, krijgt drie punten voor die vraag en het negatieve punt voor die vraag vervalt.
IX-10.549-25/32
Iedereen krijgt dus de positieve punten op die vraag, alsook de deelnemers die het vooropgestelde antwoord hebben gegeven. Het is dus niet correct om te stellen dat u zonder neutralisatie extra punten zou hebben gekregen.
Deze werkwijze van neutralisatie is voorzien door de Vlaamse Regering en uitgewerkt in artikel 17 van het werkingsreglement. Na het examen kan de examencommissie op basis van de itemresponsanalyse of opmerkingen van deelnemers of commissieleden én na inhoudelijke analyse besluiten dat een vraag niet-valide is. Een niet-valide vraag heeft ook geen juiste of foutieve antwoorden. Het enige dat de examencommissie dan kan doen, is de vraag neutraliseren. Zoals hoger vermeld krijgt iedereen bij een neutralisatie de positieve punten op die vraag. De examencommissie kan bij een geneutraliseerde vraag ook nooit een onderscheid maken tussen wie de vraag wel of niet heeft beantwoord. Ook deelnemers die de vraag niet hebben beantwoord, kunnen tijd gestoken hebben in de vraag, maar toch gekozen hebben om de vraag niet te beantwoorden.”
Op het eerste gezicht oefent verzoekster op de materiële grondslag of de pertinentie van dat antwoord niet de minste kritiek uit en zet zij evenmin uiteen waarom de bestreden beslissing op dit punt onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.
In dat opzicht mist het eerste middel ernst.
g. conclusie
34. Het eerste middel is ernstig voor wat vraag 8 betreft en in de aangegeven mate, en is voor het overige niet ernstig.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
35. In een tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van de materiëlemotiveringsplicht.
IX-10.549-26/32
Niettegenstaande het antwoord dat de beroepsinstantie gaf op haar kritiek op het CLEAR-gedeelte, blijven er volgens verzoekster “nog uiterst problematische elementen” in dit antwoord.
De vraag blijft of vijftien CLEAR-vragen voldoende zijn om alle beoogde competenties te meten, ongeacht het succespercentage van de opleiding.
De bewering dat er altijd één juist antwoord is dat het beste voldoet aan de vraagstelling is te simplistisch.
De bestreden beslissing negeert de mogelijkheid dat de beschikbare vragen en antwoorden op de website deelnemers kunnen aanzetten tot strategisch leren zonder de vraagcontext te begrijpen, wat een invloed kan hebben op de validiteit van de toetsresultaten.
Het argument dat de frequentie van foutieve antwoorden niet de wetenschappelijke basis van de toets invalideert, houdt geen rekening met het feit dat frequente foutieve antwoorden kunnen wijzen op problemen met de vraag of de interpretatie ervan.
Het argument dat culturele en contextuele variaties niet leiden tot verschillende correcte antwoorden is te vaag en algemeen. Zonder onderbouwing of onderzoek naar hoe culturele variaties daadwerkelijk invloed hebben gehad op communicatie in de praktijk en hoe dit in de toets is geïntegreerd of niet, is de stelling van de beroepsinstantie slechts een hypothese.
Ten slotte overloopt verzoekster de bladzijden 2 tot 6 van de bestreden beslissing en formuleert zij opmerkingen bij vijf overwegingen van de beroepsinstantie. Zij merkt op, vooral, dat de tijdsgeest is veranderd, dat haar generatie de eerste “geglobaliseerde generatie” is, waardoor de gehanteerde handboeken of modellen of uitgangspunten van de examencommissie achterhaald
IX-10.549-27/32
zijn. Met gender of culturele achtergrond wordt volgens verzoekster niet afdoende rekening gehouden.
IX-10.549-28/32
Beoordeling
36. Voor zover verzoekster in haar kritiek op wat op pagina 2 van de bestreden beslissing aan bod zou komen, doet gelden dat “vermelding [wordt]
gemaakt van het feit dat verzoeker-kandidaat ook geen goede score had op VAARDIG”, moet de Raad van State vaststellen dat die passage prima facie in de bestreden beslissing niet voorkomt, zodat het tweede middel in dat opzicht feitelijke grondslag lijkt te missen.
37. Wat de verkeerde opvatting van verzoekster betreft over de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht, mag worden verwezen naar hetgeen hiervóór is overwogen. De verwerende partij heeft op de bladzijden 2 tot 6 van de bestreden beslissing in genere geantwoord op de algemene opmerkingen van verzoekster over de validiteit van de CLEAR-toets en de plaats van die toets in het geheel van het toelatingsexamen. Zij heeft vervolgens vraag per vraag de kritiek van verzoekster ontmoet. Zij is niet verplicht, zo lijkt, om nóg uitvoeriger de wetenschappelijke onderbouwing van het toelatingsexamen aan te tonen aan verzoekster om de enkele reden dat hij er enkele vraagtekens bij plaatst en minder nog om de zogenaamde “motieven van de motieven” neer te schrijven. Vooralsnog lijkt het antwoord van de beroepsinstantie te volstaan.
38. Dat ontzegt verzoekster niet het recht om te pogen het wetenschappelijke karakter van de CLEAR-toets als zodanig te ontkrachten. De bewijslast lijkt evenwel bij verzoekster te liggen: het volstaat niet om iets louter in vraag te stellen of louter te wijzen op de veranderde tijdsgeest of grotere aandacht voor gender en culturele verscheidenheid, om vervolgens van de Raad van State een antwoord te mogen verwachten.
De (nog overblijvende) kritieken die verzoekster in de voorliggende vordering herhaalt omdat ze zogezegd door de beroepsinstantie niet zouden zijn behandeld of niet afdoende beantwoord zouden zijn, hangen deels samen met haar uiteenzetting van het eerste middel of kunnen deels worden
IX-10.549-29/32
beschouwd als loutere eigen beweringen en veronderstellingen die geenszins afdoende concreet onderbouwd zijn, waardoor ze dan ook op het eerste gezicht geen aanleiding kunnen geven tot het schorsen van de bestreden beslissing. In dat verband is het nog nuttig op te merken dat de motivering in zijn geheel moet worden bekeken; het gaat immers niet op dat verzoekster onderdelen van deze motivering apart bespreekt en zodoende volledig uit hun context haalt.
39. Verzoekster gaat eraan voorbij, zo lijkt, dat de verwerende partij wel degelijk rekening houdt met de mogelijkheid dat vragen dubbelzinnig, subjectief of anderszins niet valide kunnen zijn. Net daarom wordt de voorbereiding van de vragen niet overgelaten aan één enkele specialist en wordt naderhand door middel van de itemresponsanalyse nog een controle doorgevoerd, waarbij ook de eventuele opmerkingen van kandidaten tijdens of na het examen worden onderzocht.
Voor zover verzoekster kritiek geeft op vraag 8 en het erin opgenomen fysieke contact (“de aanraking (niet-verbaal) van Charles’ arm wordt meermaals vermeld”), stelt de Raad vooreerst vast dat verzoekster het aspect van de fysieke aanraking van Charles’ arm niet in haar intern beroep voor de beroepscommissie heeft vermeld – verzoekster lijkt wel een mysterieus inzicht te hebben in wat ándere kandidaten van het toelatingsexamen in hún beroep hebben doen gelden – en dat zij dat aspect voorts ook niet heeft betrokken in de grieven die zij in het eerste middel tegen vraag 8 heeft gericht – ofschoon zij wel de culturele context in het algemeen heeft ingeroepen. Hoe dan ook is het eerste middel met betrekking tot die vraag hiervóór reeds in de aangegeven mate ernstig bevonden en kan wat verzoekster in het tweede middel geheel terloops aanvoert niet tot een ruimere strekking van die schorsing leiden. In dat opzicht mist verzoeksters betoog feitelijke grondslag en ernst.
Voor het overige lijkt de beweerd onbeantwoord gebleven algemene kritiek onvoldoende draagkrachtig om thans de validiteit van het examen te ontkrachten. Overigens rijst de vraag naar het belang dat verzoekster heeft bij dit
IX-10.549-30/32
middel in de schorsingsprocedure. Deze procedure is er voor verzoekster op gericht haar een kans te geven haar studies arts zo spoedig mogelijk te kunnen aanvangen. Mocht zij kunnen aantonen dat de CLEAR-toets niét de goede methode is om de in de Codex Hoger Onderwijs opgenomen doelstelling ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ te beoordelen, dan zou het examen fundamenteel anders moeten worden uitgewerkt en het werkings- en examenreglement moeten worden aangepast. De vraag rijst of dit mogelijk is op de korte termijn die het met een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid nagestreefde rechtsherstel impliceert.
40. Het tweede middel is niet ernstig.
VII. Besluit
41. Uit wat voorafgaat blijkt dat de beide schorsingsvoorwaarden zijn vervuld.
BESLISSING
1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 27 augustus 2024, waarbij het beroep van XXXX
tegen de beslissing van de examencommissie, ingevolge waarvan zij niet gunstig wordt gerangschikt voor het toelatingsexamen arts, wordt verworpen.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
IX-10.549-31/32
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Jim Deridder
IX-10.549-32/32

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823

Gerelateerde publicatie(s)

gevolgd door:

ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.599

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.823

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.