ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 Rolnummer: Zaak: Arrest 260876 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-04 07:12 Fiche Arrest nr 260.876 van 1 oktober 2024 Ruimtelijke...

Source officielle

28 min de lecture 5 984 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 01 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876

Rolnummer:

Zaak:

Arrest 260876 – Bouwvergunningen en gemengde vergunningen – 01/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-10

Raadplegingen:

87 – laatst gezien 2026-06-04 07:12

Fiche

Arrest nr 260.876 van 1 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Bouwvergunningen en gemengde
vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 no lien 279076 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 260.876 van 1 oktober 2024
in de zaken I. A. 238.978/VII-42.012
II. A. 239.460/VII-42.098
In zake : I. + II.
L.V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean-Baptiste Nowélei 13
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
I. + II.
de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT
Tussenkomende partij :
I. + II.
T.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de beroepen
1. De cassatieberoepen, ingesteld op 27 april 2023 en 28 juni 2023, strekken tot de nietigverklaring van de arresten nrs. RvVb-A-2223-0697 en RvVb-A-2223-0954 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 29 maart 2023 en 8 juni 2023 in de zaak 2223-RvVb-0262-A.
VII-42.012 & VII-42.098-1/18
II. Verloop van de rechtsplegingen
2. De cassatieberoepen zijn toelaatbaar verklaard bij beschikkingen van 3 juli 2023 en 10 augustus 2023.
De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft telkens een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft in beide zaken een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van 17 augustus 2023 en 15 september 2023. De tussenkomende partij heeft in beide zaken een memorie ingediend.
Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 30 oktober 2023 en 1 maart 2024 verslagen opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit).
Verzoeker heeft in de zaak sub II een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni 2024.
Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat John Toury, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
VII-42.012 & VII-42.098-2/18
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Samenvoeging
3. De cassatieberoepen worden gericht tegen een tussenarrest en een eindarrest in dezelfde zaak. Het is gepast beide zaken samen te voegen.
IV. Feiten
4.1. Op 20 oktober 2022 verleent de verwerende partij aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning.
Verzoeker dient op 21 december 2022 tegen die beslissing een vernietigingsberoep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
4.2. De voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt met een beschikking van 31 januari 2023 vast dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist en wijst de zaak toe aan de zevende kamer, voorgezeten door rechter X, voor behandeling op de zitting van 21 maart 2023.
4.3. Verzoeker dient op 2 maart 2023 een nota in waarin hij vraagt dat het dossier behandeld zou worden door “een anders samengestelde kamerzetel”. De voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen legt deze vraag voor aan rechter X, die met een beschikking van 13 maart 2023 antwoordt dat er geen mogelijkheid bestaat om in te gaan op de vraag van verzoeker, en dat er geen redenen zijn tot “(zelf)wraking”.
4.4. Na ontvangst van deze beschikking van 13 maart 2023 dient verzoeker op 20 maart 2023 een nota in waarin hij stelt te volharden in het wrakingsverzoek, en zich te beroepen op artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens wettige verdenking.
VII-42.012 & VII-42.098-3/18
4.5. De voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen behandelt het wrakingsverzoek op een openbare zitting van 21 maart 2023. Met het tussenarrest van 29 maart 2023 verwerpt de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen het verzoek tot wraking, en wordt de zaak voor behandeling vastgesteld voor de zevende kamer, voorgezeten door rechter X, op de zitting van 4 april 2023. Dit tussenarrest is het voorwerp van het eerste cassatieberoep.
4.6. Het vernietigingsberoep dat verzoeker had ingesteld tegen de omgevingsvergunning die aan de tussenkomende partij werd verleend, wordt verworpen bij arrest van 8 juni 2023 van de zevende kamer, voorgezeten door rechter X. Dit eindarrest is het voorwerp van het tweede cassatieberoep.
V. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het tussenarrest
5. Het tussenarrest van 29 maart 2023 verwerpt het verzoek tot wraking van rechter X. Het eindarrest van 8 juni 2023, uitgesproken door rechter X, verwerpt het beroep van verzoeker.
6. In het cassatieberoep tegen het eindarrest werpt verzoeker geen middel op tegen de omstandigheid dat zijn beroep door rechter X werd beoordeeld, een rechter die – volgens de uiteenzetting in het cassatieberoep tegen het tussenarrest – had moeten worden gewraakt na het volgen van een correcte wrakingsprocedure. Bij gebreke aan dergelijk middel kan de eventuele gegrondheid van het cassatieberoep tegen het tussenarrest dat het wrakingsverzoek verwerpt, niet leiden tot de vernietiging van het eindarrest.
7. Op de terechtzitting van 6 juni 2024 werpt verzoeker op dat het middel waarin wordt aangevoerd dat geen correcte wrakingsprocedure werd gevolgd, de openbare orde aanbelangt, zodat de cassatie van het tussenarrest op grond van dat middel ook moet leiden tot de cassatie van het eindarrest op grond van hetzelfde middel.
VII-42.012 & VII-42.098-4/18
Cassatiemiddelen moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid worden opgeworpen in het cassatieberoep. Het middel tegen het eindarrest dat pas op de terechtzitting mondeling wordt opgeworpen, wordt door de Raad van State niet onderzocht, ook al zou het de openbare orde aanbelangen.
8. Uit het gebrek aan een middel tegen het eindarrest waarin wordt aangevoerd dat het werd uitgesproken door een rechter die had moeten gewraakt worden na het volgen van een correcte wrakingsprocedure, volgt dat verzoeker geen belang heeft bij het cassatieberoep tegen het tussenarrest dat het wrakingsverzoek verwerpt. In geval van verzending van de zaak na vernietiging van het eindarrest, zal het hoe dan ook een andere rechter zijn dan rechter X die de zaak opnieuw dient te beoordelen. Zo het cassatieberoep tegen het eindarrest wordt verworpen, kan de eventuele bevinding dat rechter X had moeten gewraakt worden na het volgen van een correcte wrakingsprocedure, niet meer ertoe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan dat eindarrest.
Het cassatieberoep tegen het tussenarrest van 29 maart 2023 is dan ook onontvankelijk.
VI. Gegrondheid van het cassatieberoep tegen het eindarrest
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
9. Verzoeker voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 59 en 59/2 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014
‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, “en de toepassing van artikel 159 [van de Grondwet]”:
“Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest, zonder enige motivering of verwijzing naar enige juridische basis stelt dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-5/18
het feit dat de verzoekende partij in het kader van de korte debatten niet beschikt over de mogelijkheid om, zoals in de gewone procedure ten gronde, schriftelijk te kunnen reageren op de antwoordnota of de schriftelijke uiteenzetting van de andere procespartij, geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel noch van de wapengelijkheid, Terwijl de mogelijkheid om schriftelijk tegenspraak te voeren evenwel de essentie is in een procedure die hoofdzakelijk ‘schriftelijk’ wordt gevoerd, En terwijl het in het licht van de artikelen 6 [van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens] en 10 en 11 Grondwet – teneinde de wapengelijkheid en tegensprekelijkheid te garanderen – niet volstaat dat er een mogelijkheid is om ‘een nota’ aan te leveren voor de verzoekende partij bij de kennisgeving van de beschikking inzake ‘korte debatten’ daar de verzoekende partij op dat ogenblik geenszins kennis heeft van enig tegenargument of bijkomende informatie aangaande de bestreden beslissing en een dergelijke nota dan ook van geen enkel nut is, En terwijl de verwerende partij en de tussenkomende partij daarentegen wél een tegensprekelijk verweer kunnen voeren op het ogenblik dat een beslissing mbt het voeren van korte debatten wordt betekend daar beide partijen op dat ogenblik kunnen antwoorden op de argumentatie ten gronde zoals door een verzoekende partij ontwikkeld in zijn inleidend verzoekschrift, En terwijl als dusdanig wordt vastgesteld dat een beslissing tot het voeren van korte debatten voor een verwerende partij of tussenkomende partij niet als nadelig op haar procesvoering kan worden beschouwd gezien deze partijen nog steeds in de mogelijkheid [zijn] om schriftelijk een tegenverweer te voeren, En terwijl een dergelijke mogelijkheid voor een verzoekende partij in het geval van een beslissing tot korte debatten niet bestaat en een verzoekende partij als dusdanig niet in de mogelijkheid is om schriftelijk een tegenrepliek te geven, Zodat er vastgesteld dient te worden dat de artikelen 59 en 59/2 van het besluit van de Vlaamse regering ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ – in de mate dat een zaak ‘ten gronde’ d.m.v. korte debatten kan worden behandeld [-] alleszins onwettig zijn en in toepassing van artikel 159 [van de Grondwet] buiten toepassing dienen te worden gelaten en er sprake is van een schending van de wapengelijkheid en de eerlijke procesvoering in de zin van artikel 6 [van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens] in het gedrang komt, alsook dat er geenszins sprake is van een gelijke behandeling tussen de verschillende procespartijen in éénzelfde procedure (schending van de artikelen 10 en 11
[van de Grondwet]), noch er sprake is van een gelijke behandeling van een verzoekende partij in een procedure die ‘met korte debatten’ wordt behandeld, dan wel in een procedure die de ‘gewone procedure volgt’.”
VII-42.012 & VII-42.098-6/18
Beoordeling
10. Op grond van artikel 59, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ kan de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen of de door hem aangewezen bestuursrechter ambtshalve onderzoeken of het beroep alleen een kort debat vereist. Artikel 59/2 van dat besluit zet uiteen hoe de rechtspleging verloopt wanneer de voorzitter of de door hem aangewezen bestuursrechter oordeelt dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist:
“Artikel 59/2. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast:
1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist;
2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden;
3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen;
5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen.
De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.
Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.
§ 2. Na het horen van de partijen en de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad.
Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.”
11. Het middel komt op tegen de verwerping door de Raad voor Vergunningsbetwistingen van de vraag van verzoeker om de voormelde artikelen 59 en 59/2 met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-7/18
laten wegens schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zodat de zaak niet kan worden behandeld met een kort debat.
Volgens verzoeker miskennen de voormelde artikelen 59 en 59/2 het principe van de wapengelijkheid en behandelen deze bepalingen de partijen op een verboden ongelijke wijze doordat zij aan de verzoekende partij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen geen mogelijkheid laten om, in het kader van een kortedebattenprocedure, een schriftelijke repliek in te dienen op de nota’s die door de verwerende partij en de tussenkomende partij worden ingediend.
12. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt eenieder het recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht wordt begrepen op wapengelijkheid, dat een billijk evenwicht vereist tussen de partijen en inhoudt dat aan elke partij de redelijke mogelijkheid moet worden geboden om zijn zaak aan de rechter voor te leggen in omstandigheden die haar niet in een duidelijk meer nadelige situatie plaatsen dan haar tegenpartij.
De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Dat beginsel sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen miskent niet de draagwijdte van de voormelde artikelen 59 en 59/2, noch van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en/of van de artikelen 10 en 11
van de Grondwet wanneer hij de vraag van verzoeker om de artikelen 59 en 59/2
buiten toepassing te laten, op grond van volgende redenen verwerpt:
“Een zaak is redelijkerwijze maar vatbaar voor behandeling in korte debatten, als de gegevens zo duidelijk zijn dat het bij de eerste lezing meteen aannemelijk is dat de zaak kan worden beslecht zonder dat een diepgaand of omstandig onderzoek noodzakelijk is. De toepassing van de korte debatten is dus verbonden aan de relatief gemakkelijke beslechting ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-8/18
van een geschil, maar staat niettemin volledig los van de noodzakelijke grondige beoordeling van […] de middelen van de verzoekende partij.
[Verzoeker] voert niet aan dat de twee middelen in [zijn] inleidend verzoekschrift niet van die aard zou[den] zijn dat het niet in korte debatten kan worden behandeld. Evenmin voert [hij] aan dat het standpunt van de verwerende partij en de tussenkomende partij, zoals uiteengezet in hun nota, aan verdere tegenspraak moet onderworpen worden. Er zijn dus geen redenen, minstens toont [verzoeker] dit niet aan, om de Raad te doen overwegen dat korte debatten niet kunnen volstaan en dat de procedure moet worden voortgezet volgens de gewone rechtspleging.
Het loutere feit dat [verzoeker] in het kader van de korte debatten niet beschikt over de mogelijkheid zoals in de gewone procedure om schriftelijk te reageren op de antwoordnota of schriftelijke uiteenzetting van de andere procespartijen, houdt op zich geen schending in van de wapengelijkheid tussen de partijen, noch van het gelijkheidsbeginsel. […]
Gelet op het gegeven dat alle partijen via een nota de mogelijkheid hebben om hun standpunten te uiten, zowel ten aanzien van de vaststelling dat de zaak voor korte debatten in aanmerking komt, als ten aanzien van de middelen, alsook de mogelijkheid hebben om op een zitting hun standpunten mondeling toe te lichten met kennis van de nota’s die zijn ingediend door de (andere) partijen, worden hun rechten gevrijwaard. Niets belet een partij immers ter zitting om nog aan te geven dat de ingediende nota’s nopen tot een verwijzing van de zaak naar de behandeling via de gewone rechtspleging.
De zaak kan in korte debatten worden behandeld.”
14. Het middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
15. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 10, 11 en 149
van de Grondwet, artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet):
VII-42.012 & VII-42.098-9/18
“Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest het in artikel 4.3.1 § 2 VCRO aangegeven wettelijk begrip ‘in de omgeving bestaande toestand’ miskent, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn arrest stelt dat de beoordeling van de in de omgeving bestaande toestand onder de discretionaire beoordelingsruimte van de Deputatie valt en afhankelijk van het voorwerp van de aanvraag al dan niet ruimer zal worden bekeken.
En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt dat de ‘in de omgeving bestaande toestand’ begrepen dient te worden als de voor het dossier ‘relevante’ in de omgeving bestaande toestand zonder dat de onmiddellijke omgeving primeert, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitdrukkelijk stelt dat het niet zo is dat de onmiddellijke omgeving steeds voorrang heeft op de ruimtelijke omgeving, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt dat artikel 4.3.1 § 2
VCRO het vergunningsverlenend orgaan niet verplicht om zowel de onmiddellijke als de ruimere omgeving op gelijke wijze in haar beoordeling te betrekken, maar uit artikel 4.3.1 § 2 VCRO wel volgt dat het vergunningsverlenend orgaan enkel de ‘relevante’ omgeving in haar beoordeling dient te betrekken, En terwijl de Raad er in het bestreden arrest van uitgaat dat de bebouwing in de ‘ruimere omgeving’ in casu dient te primeren op de bebouwing in de onmiddellijke omgeving en de Raad hiermee een foutieve invulling geeft aan artikel 4.3.1 § 2 VCRO.
Zodat vastgesteld dient te worden dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen artikel 4.3.1 § 2 VCRO heeft miskend.”
In de “toelichting bij het middel” bekritiseert verzoeker de beoordeling die het bestreden arrest heeft gemaakt van het eerste middel dat hij had voorgelegd tot nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij, en waarin hij aanvoerde dat de verwerende partij ten onrechte de ruimtelijke ordening in de ruimere omgeving liet primeren op de door residentiële bebouwing gekenmerkte ordening in de onmiddellijke omgeving. Het bestreden arrest zou de foutieve motivering van de verwerende partij over het hoofd hebben gezien, en aldus artikel 4.3.1, § 2, VCRO en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet miskennen. Met het motief in het bestreden arrest dat “het in ieder geval niet zo is dat de onmiddellijke omgeving steeds voorrang heeft op de ruimere omgeving” zou de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet passend hebben geantwoord op zijn middel, zodat het arrest niet regelmatig met redenen omkleed zou zijn in de zin van artikel 149
van de Grondwet. Door in het bestreden arrest ervan uit te gaan dat de bebouwing
VII-42.012 & VII-42.098-10/18
in de ‘ruimere omgeving’ in deze zaak dient te primeren op de bebouwing in de onmiddellijke omgeving, zou de Raad voor Vergunningsbetwistingen een foutieve invulling hebben gegeven aan artikel 4.3.1, § 2, VCRO. Het bestreden arrest zou ook niet regelmatig met redenen omkleed zijn in de zin van artikel 149 van de Grondwet en strijdig zijn met artikel 32 van het decreet van 4 april 2014
‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, doordat het onterecht voorbij is gegaan aan de door verzoeker opgeworpen schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet.
Beoordeling
16. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
Het middel zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en is in zoverre niet ontvankelijk.
17. Artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, d), VCRO bepaalt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet geweigerd worden indien het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van de beginselen die worden vermeld in artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO, waaronder de onder punt 2° van deze bepaling vermelde “in de omgeving bestaande toestand”.
VII-42.012 & VII-42.098-11/18
De toetsing aan de in ‘de omgeving’ bestaande toestand kan een ruimer beoordelingsperspectief inhouden dan de in ‘de onmiddellijke omgeving’ bestaande toestand.
De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet schrijven voor dat de individuele bestuurshandelingen formeel en op afdoende wijze moeten gemotiveerd zijn.
18. Het bestreden arrest beoordeelt als volgt de grief van verzoeker dat de verwerende partij de vergunningsaanvraag niet correct heeft getoetst aan de ‘in de omgeving bestaande toestand’ en haar beslissing hierover niet afdoende heeft gemotiveerd:
“Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij, net zoals de provinciale omgevingsambtenaar, de schaal van het project beoordeelt als ruimtelijk aanvaardbaar, en dit wegens de principiële overeenstemming met het woongebied én de in de omgeving bestaande bebouwing.
[Verzoeker] meent echter dat niet kan worden voorbijgegaan aan de aanpalende bebouwing (waaronder [zijn] eigen woning), die bestaat uit woningen met één bouwlaag en zadeldak, zodat niet kan worden besloten dat de aangevraagde woning met twee bouwlagen (en een maximale kroonlijsthoogte van 6,5 meter) afgedekt met een plat dak en een terras op de eerste verdieping inpasbaar is. [Hij] meent dat de verwerende partij geen rekening mocht houden met de woningen en gebouwen gelegen op een ruimere afstand (langs de steenweg) van het project, minstens dat de aanpalende bebouwing primeert op die bebouwing. Hoewel [hij] het bestaan en de schaal van die (andere) gebouwen niet betwist, meent [hij]
dat deze niet relevant zijn voor de beoordeling en dat de aanvraag in strijd is met de bebouwing zoals aanwezig op de nevenliggende percelen.
De beoordeling van wat behoort tot de ‘in de omgeving bestaande toestand’ valt onder de discretionaire beoordelingsruimte van de verwerende partij.
Met de VCRO werd aan de vergunningverlenende overheid een toetsingskader verschaft om te toetsen of een aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Artikel 4.3.1, § 2 VCRO voorziet niet alleen een aantal aandachtspunten en criteria die, voor zover relevant, moeten getoetst worden, maar artikel 4.3.1, § 2, 2° voorziet uitdrukkelijk dat bij deze beoordeling rekening moet gehouden worden ‘met de in de omgeving bestaande toestand’.
Afhankelijk van het voorwerp van de aanvraag zal ‘de omgeving’ al dan niet ruimer worden bekeken. De ‘in de omgeving bestaande toestand’ is immers de voor het dossier ‘relevante’ in de omgeving bestaande toestand, rekening houdende met de specifieke gegevens van het dossier en met de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-12/18
aandachtspunten en criteria uit artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO die voor zover noodzakelijk of relevant, voor het aangevraagde dienen onderzocht te worden. In ieder geval is het niet zo dat de onmiddellijke omgeving steeds voorrang heeft op de ruimere omgeving of omgekeerd […]. Anders dan wat [verzoeker] voorhoudt, verplicht artikel 4.3.1, § 2
VCRO het vergunningverlenend bestuursorgaan niet om zowel de onmiddellijke als de ruimere omgeving op gelijke wijze in haar beoordeling te betrekken. De aard van het te onderzoeken aandachtspunt, in relatie met de bestaande omgeving, speelt hierin een belangrijke rol.
4.
De verwerende partij besluit dat de aanvraag inpasbaar is op die locatie en die omgeving op basis van (onder meer) de volgende overwegingen:
– de inplanting van de nieuwe woning vormt een overgang tussen de beide aanliggende percelen, waarvan de ene woning aan de straatkant staat en de andere iets dieper staat ingeplant;
– de bebouwing langs de steenweg is divers en bestaat ter hoogte van de aanvraag hoofdzakelijk uit gebouwen met twee bouwlagen en een zadeldak, variërend in kroonlijst- en nokhoogte;
– de aanvraag heeft een vergelijkbare schaal omdat het een woning betreft met twee volwaardige bovengrondse bouwlagen, zonder dakvolume;
– langsheen de steenweg zijn er grotere gebouwen aanwezig, zoals een autogarage met twee bouwlagen en een drinkwaterreservoir met een hoogte van elf meter en een diameter van 38 meter;
– de nieuwe woning heeft een bouwdiepte van 16,7 meter [en] een maximale kroonlijsthoogte van 6,5 meter, maar het ontwerp zorgt ervoor dat er geen monoliet [kubusvormig] volume ontstaat;
– de woning zal niet dominant zijn in het straatbeeld of als storend ervaren worden[.]
5.
Geen van deze elementen wordt door [verzoeker] betwist. [Zijn] betoog komt er in essentie op neer dat [hij] meent dat deze beoordeling niet correct is omdat die steunt op de ruimere omgeving, terwijl (volgens [hem]) de onmiddellijke omgeving met name de naastliggende percelen (waaronder het [zijne]) genegeerd wordt.
Uit de motieven opgenomen in de bestreden beslissing […] blijkt verder ook duidelijk dat de verwerende partij in haar beoordeling ook rekening gehouden heeft met de naastliggende percelen. Wat de inplanting van de nieuwe woning betreft, motiveert ze dat deze zorgt voor een passende overgang tussen de naburige woningen, waaronder de dieper ingeplante woning van [verzoeker] en besluit onder meer ‘De nieuwe voorgevel staat zo tussen de twee voorgevels van de aanpalende woningen links en rechts.
Het ontwerp houdt hierbij rekening met de bestaande toestand van de directe omgeving’. Voor zover [verzoeker] stelt dat de verwerende partij voorbij gegaan is aan de bestaande woningen in de onmiddellijke omgeving, gaat [hij] in tegen de motieven van de bestreden beslissing.
Met [zijn] betoog dat de verwerende partij ‘ter hoogte van’ de aanvraag foutief verwijst naar bebouwing met twee bouwlagen onder dak in plaats van één bouwlaag, toont [verzoeker] niet aan dat die beoordeling in de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-13/18
bestreden beslissing foutief of kennelijk onredelijk is. De verwerende partij motiveert dat deze bebouwing ‘in hoofdzaak’ voorkomt en verwijst hierbij ook naar grotere gebouwen in de (nabije) omgeving. De premisse van [verzoeker] gaat uit van een selectieve lezing van de bestreden beslissing.
Verder herhaalt [verzoeker] verschillende keren dat de verwerende partij ten onrechte de ruimere omgeving laat primeren op de onmiddellijke omgeving, maar toont [hij] niet aan waarom de andere gebouwen langs de steenweg niet relevant zouden zijn. [Verzoeker] slaagt er niet in [zijn]
beweringen, die uitgaan van een eigen appreciatie, aan te tonen.
[…]
Het komt er dus op neer dat [verzoeker] in [zijn] verzoekschrift [zijn] eigen visie op de aanvraag herneemt waarbij [hij] meent dat de aanvraag in strijd is met de bebouwing op de naastliggende percelen, zoals [hij] ook uiteengezet heeft in [zijn] administratief beroepschrift. Daarmee toont [hij]
niet aan dat de motivering in de bestreden beslissing over de inpasbaarheid van de nieuwe woning foutief of kennelijk onredelijk is. In zoverre [hij]
hiermee aanstuurt op een herbeoordeling door de Raad, kan ook hier niet op ingegaan worden.”
19. De kritiek dat het bestreden arrest de bebouwing in de ruimere omgeving in deze zaak laat primeren op de bebouwing in de onmiddellijke omgeving, mist feitelijke grondslag. De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt immers dat het niet kennelijk onredelijk is om in het voorliggende geval zowel rekening te houden met de direct aanpalende woningen als met overige gebouwen in de onmiddellijke omgeving.
In zoverre verzoeker de Raad van State uitnodigt de beoordeling van de feiten door de Raad voor Vergunningsbetwistingen opnieuw te maken en te beoordelen of de verwerende partij de toets van de vergunningsaanvraag aan de in de omgeving bestaande toestand correct heeft gemaakt, is het middel onontvankelijk. Als cassatierechter kan de Raad van State enkel nagaan of de Raad voor Vergunningsbetwistingen de wet heeft overtreden of substantiële vormvereisten heeft geschonden, en treedt hij niet in de beoordeling van de zaak zelf.
20. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ ingeschreven rechterlijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-14/18
motiverings-verplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is.
Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de rechterlijke motiveringsplicht.
In zoverre verzoeker uit de omstandigheid dat het bestreden arrest niet passend zou geantwoord hebben op zijn argumenten een schending afleidt van de rechterlijke motiveringsplicht, gaat hij uit van een verkeerde opvatting van de draagwijdte van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en is zijn kritiek ongegrond.
In zoverre verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest is voorbijgegaan aan de door hem opgeworpen schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, mist zijn kritiek feitelijke grondslag. Het bestreden arrest beantwoordt immers de door verzoeker geformuleerde kritiek op de motivering van de vergunningsbeslissing en oordeelt aldus impliciet doch zeker dat de deputatie de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening op afdoende wijze heeft gemotiveerd.
21. Het middel wordt verworpen.
VII-42.012 & VII-42.098-15/18
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
22. Verzoeker voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 2, VCRO, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur:
“Doordat verzoeker in zijn beroep heeft opgeworpen dat door de Deputatie volkomen voorbij werd gegaan aan het (toenmalig) actueel gebruik van de grond waarop het project zal worden gerealiseerd terwijl dit – gezien de onduidelijkheid over de ter plaatse opgeslagen stoffen – een essentieel onderdeel betrof in de beoordeling van de aanvraag, Terwijl in realiteit er vastgesteld dient te worden dat het terrein in kwestie sinds begin 2022 in gebruik werd genomen als stortplaats voor bouwafval en hiervoor – na klacht van [verzoeker] – op 4 juli 2022 een regulariserende melding werd geacteerd, En terwijl deze melding door [verzoeker] voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd aangevochten in het raam van een beroep tot schorsing en vernietiging daar het duidelijk is dat een bouwstort werd/wordt georganiseerd zonder enige voorzorgsmaatregel en dit geenszins kon gebeuren op grond van een melding doch wel daadwerkelijk een vergunningsbeslissing behoefde, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen onder andere is overgegaan tot schorsing van de aktename van melding omdat er geen onderzoek werd uitgevoerd naar de samenstelling van de opgeslagen goederen die – zonder voorafgaandelijke vergunning – heeft plaatsgevonden, En terwijl artikel 4.3.1, § 2 VCRO in het bijzonder bepaalt dat de veiligheidsaspecten in het algemeen alsook de hinderaspecten en de aspecten van gezondheid deel dienen uit te maken van de beoordeling; Dat dit eveneens het geval is in het licht van de beoordeling onder verwijzing naar het zorgvuldigheidsbeginsel, En terwijl één en ander zeer duidelijk is geworden na het tussengekomen arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dd 27 oktober 2022
waarin formeel de gezondheidsrisico’s alsook de risico’s op het vlak van de (gezondheids)veiligheid van [verzoeker] werden erkend nu duidelijk is komen vast te staan dat op een illegale wijze bouwafval met mogelijks asbest of andere gevaarlijke stoffen, zonder enige bescherming op het perceel in kwestie werd gestort, En terwijl dit aspect – namelijk de veiligheidsrisico’s die er bestaan daar de grond waarop het bouwafval zonder enige bescherming werd gestort zal worden afgegraven in open lucht – niet werd beoordeeld en de Deputatie geenszins stil heeft gestaan bij de (gezondheids)risico’s die er voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876 VII-42.012 & VII-42.098-16/18
[verzoeker] bestaan daar hij als direct nevenliggende buur geconfronteerd zal worden met de rondvliegende stofdeeltjes van de restanten bouwafval (bvb asbestvezels) wanneer het bouwproject zal worden opgestart en de grond zal worden afgegraven, En terwijl het dossier alleszins de nodige stukken had moeten bevatten aangaande het actueel gebruik van het terrein en het feit dat hierop een bouwstort werd geëxploiteerd daar dit gegeven alleszins mee in de beoordeling van de veiligheidsrisico’s/gezondheidsrisico’s had moeten worden betrokken in de zin van artikel 4.3.1 VCRO juncto het zorgvuldigheidsbeginsel.
En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest het middel dienaangaande afwijst op grond van het feit dat de vergunningsaanvrager in de actuele procedure niet betrokken was bij de melding en – in tegenstelling [tot] – [verzoeker] wél op de hoogte was van de situatie doch hiervan geen melding heeft gemaakt voor de Deputatie.”
Beoordeling
23. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
Het middel zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest de als geschonden vermelde rechtsregels heeft miskend. Verzoeker beperkt zich ertoe het tweede middel te hernemen dat hij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft ontwikkeld om de vernietiging te verkrijgen van de door hem bestreden omgevingsvergunning. Hij voegt daaraan enkel toe – na de misleidende voegwoorden “en terwijl” – dat de Raad “het middel dienaangaande”
heeft afgewezen op grond van een bepaald feit.
Dit middel laat de Raad van State niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het is niet ontvankelijk.
VII-42.012 & VII-42.098-17/18
BESLISSING
1. De zaken A. 238.978/VII-42.012 en A. 239.460/VII-42.098 worden samengevoegd.
2. De Raad van State verwerpt de cassatieberoepen.
3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de cassatieberoepen, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 48 euro.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Carlo Adams
VII-42.012 & VII-42.098-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.876

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.