ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.916

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.916 Rolnummer: A. 238376/XII-9534 Zaak: Arrest 260916 - Dierenwelzijn - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-08 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-04 15:30 Fiche Arrest nr 260.916 van 4 oktober 2024 Sociale zaken...

Source officielle

35 min de lecture 7 589 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 04 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.916

Rolnummer:

A. 238376/XII-9534

Zaak:

Arrest 260916 – Dierenwelzijn – 04/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-08

Raadplegingen:

97 – laatst gezien 2026-06-04 15:30

Fiche

Arrest nr 260.916 van 4 oktober 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 260.916 van 4 oktober 2024
in de zaak A. 238.376/XII-9534
In zake : 1. De BV HOEVE HOOGLAND
2. M.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tristan Carolus en Wouter Vaassen kantoor houdend te 1090 Brussel Odon Warlandlaan 187
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 6 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de “door mevrouw L. G. namens het Departement Omgeving, afdeling Dierenwelzijn, genomen beslissing dd. 05 december 2022 houdende ‘bestemming’ van de 17 honden en één kat in beslag genomen en ondergebracht bij het dierenasiel […] middels Proces-verbaal nr. G-22-0405/YaT/24-10-2020, en aldus tevens de hier uit volgende kosten”.
II. Verloop van de rechtspleging
XII-9534-1/24
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024.
Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tristan Carolus, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De eerste verzoekende partij is een erkende handelskwekerij voor honden en katten, met een vestiging te T. en een vestiging te K.. Met betrekking tot de vestiging te K. is op 26 juni 2019 de erkenning HK15106382
XII-9534-2/24
verleend als handelskwekerij voor honden en op 20 juni 2019 de erkenning HK25106370 als handelskwekerij voor katten.
Tweede verzoeker is zaakvoerder van de eerste verzoekende partij en beheerder van de handelskwekerijen.
3.2. Naar aanleiding van een controle bij de eerste verzoekende partij, stelt de inspectie Dierenwelzijn op 24 oktober 2022 verschillende overtredingen op het dierenwelzijn vast. Er worden zeventien honden en één kat, in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: de wet van 14 augustus 1986), administratief in beslag genomen.
3.3. De tweede verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, wordt op 25 november 2022 verhoord.
3.4. Op 5 december 2022 wordt beslist om de dieren, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, in volle eigendom te geven aan een dierenasiel, met uitzondering van één hond die werd geëuthanaseerd. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd:
“De vaststellingen en foto’s d.d. 24/10/2022[…], voor wat de honden betreft geacteerd in PV G-22-0405/YaT/24-10-2022 (zie bijlage).
waaruit o.a. blijkt dat – Er een groot aantal dieren met acute en/of chronische gezondheidsproblemen aanwezig zijn ((ademhalingsproblemen, oogproblemen, diarree, huidletsels) waarvan sommigen dringend medische verzorging nodig hadden – verschillende dieren werden gediagnosticeerd met inwendige en/of uitwendige parasieten hetgeen wijst op een inadequate preventie en behandeling van deze parasieten – dieren met duidelijke ziektesymptomen te koop worden aangeboden – honden en katten samengehouden worden in het afzonderingslokaal hetgeen stress kan veroorzaken bij deze dieren – niet alle dieren permanent beschikken over drinkwater terwijl dit een primaire levensbehoefte is – verschillende honden hebben een ondermaatse vachtverzorging en te lange nagels De vaststellingen en foto’s d.d. 24/10/2022[…], voor wat de katten betreft geacteerd in PV G-22-0151/INV/31-10-2022 (zie bijlage).
XII-9534-3/24
waaruit o.a. blijkt dat – 40 van de 67 katten in de verkoopruimte (60 %) vertonen lichte tot ernstige symptomen van niesziekte (waterige tot etterige oog- en neusvloei, conjunctivitis met gekwetste of geïrriteerde oogrand, niezen, pompende ademhaling, hoesten). Bij 5 katten merken we klitten op ter hoogte van de vacht van de hals, de achterhand en/of de staart, bij 7 katten hangen er uitwerpselen in de vacht of aan de anus geklit. Eén kat heeft een kale plek ter hoogte van één van de oren, bij een andere kat merken we korstjes op aan de binnenkant van de rechteroorschelp, bij een derde kat merken we vuile oren op. Vier katten zijn slank tot mager. Twee katten zijn zeer mager, waarvan één kat licht gedehydrateerd is. Twee katten hebben een opgezette buik, één van deze katten reageert pijnlijk bij palpatie van de buik.
– In de kraamruimte poezen en kittens worden aangetroffen met oog- en/of neusvloei, – In het afzonderingslokaal meerdere katten worden aangetroffen met ernstige oogproblemen die niet volgens de wettelijke normen worden gehuisvest en geen rekening houdend met hun ethologische behoeften wat zorgt voor extra stress Uit deze vaststellingen blijkt dat de veelvuldig vastgestelde gezondheidsproblemen wijzen op een veralgemeende gezondheidsproblematiek bij de dieren in de inrichting waardoor het niet verantwoord is om herstellende dieren te laten terugkeren naar de plaats van besmetting.
Het groot aantal dieren met medische problemen duidt op onvoldoende toezicht op de dieren of een gebrek aan kennis om zieke dieren te detecteren. Het zou daarom onverantwoord zijn om herstellende dieren te laten terugkeren naar de locatie van inbeslagname.
Uit de hogervermelde historiek blijkt dat er reeds meermaals ernstige gezondheidsproblemen werden vastgesteld bij de dieren, ook bij dieren aanwezig in de verkoopruimte waarvoor telkens maatregelen werden opgelegd. Desondanks blijven deze feiten zich tot heden herhalen en neemt het aantal vastgestelde problemen zelfs toe, hetgeen wijst op een gebrek aan inzicht in deze vaststellingen en een gebrek aan inspanningen om dit probleem aan te pakken waardoor het opleggen van bijkomende maatregelen geen zin heeft en een terugkeer van de in beslag genomen dieren onverantwoord zou zijn.
Rekening houdend met het autopsierapport van de overleden keeshond aangetroffen in de verkoopruimte waaruit blijkt:
– Voedingstoestand 2-3/9
– Spekstolsel in hart (suggestief voor anemie)
-Sterfte kan verklaard worden door suppuratieve bronchopneumonie (longontsteking).
– Histologisch onderzoek toont aan dat de pneumonie reeds 3 dagen aanwezig was.
wat nogmaals wijst op onvoldoende detectie van dieren met ziektesymptomen en bijgevolg onvoldoende of te laat ingrijpen bij
XII-9534-4/24
medische problemen. Bijgevolg zou een teruggave van dieren die nog herstellende zijn van hun medische aandoeningen onverantwoord zijn.
Rekening houdend met de onderzoeksverslagen van de dierenkliniek waaruit blijkt:
– Bij alle honden (5) die na de inbeslagname overgebracht werden naar de dierenkliniek voor verder onderzoek werden kennelhoest en giardia gediagnosticeerd .
– Eén hond had een erge pneumonie en diende langdurige gehospitaliseerd te worden.
– Eén van de honden werd gediagnosticeerd met demodex.
[…]
– Er was weinig ventilatie in de gebouwen en het rook er ook heel slecht.
– Bij teven met puppy’s was geen water of eten aanwezig.
– Er zijn veel dieren die hoesten, niezen en huidafwijkingen hebben.
– Veel dieren hebben wonden, zijn niet verzorgd en uitgedroogd.
– Eén hond lag lethargisch in zijn kooi en is vrij snel nadien gestorven.
– Veel honden hadden erge conjunctivitis en oogulcers.
– In de hokken van de teven met puppy’s was veel stoelgang aanwezig waardoor de dieren er constant doorliepen. De kooien van de puppy’s en de quarantaine waren ook niet proper.
– In sommige hokken zitten verschillende hondenrassen samen. Sommige honden spelen of bijten bruter dan de andere waardoor je dikwijls geschreeuw hoort door pijn of wonden vindt bij de puppy’s.
– De honden zijn heel bang van mensen als je ze apart neemt. Sommige honden weigeren te stappen of bewegen van angst. Wanneer je de honden aanraakt gaan ze direct laag tegen de grond liggen met hun staart tussen de benen.
Rekening houdend met de dierenartsverslagen voor de dieren opgehaald door het dierenasiel:
[…]
Uit het verhoor blijkt dat – niettegenstaande een aantal van de dieren werden geïsoleerd en behandeld, er een algemene gezondheidsproblematiek aanwezig is die ofwel laattijdig en/of onvoldoende werd aangepakt met als resultaat ernstig zieke dieren. Dit wijst erop dat de dieren niet minstens tweemaal daags worden gecontroleerd en/of onvoldoende tijd wordt gespendeerd aan de socialisatie van de dieren, wat een intens contact vereist en bijgevolg vroege detectie van symptomen mogelijk maakt. Dit wordt bevestigd door de opmerking dat de medewerkers niet elke hond dagelijks kunnen opnemen.
– de verklaring dat zieke dieren uit de verkoopruimte worden gehaald zodra dit wordt vastgesteld niet in overeenstemming is met de vaststellingen gedurende deze en eerdere controles nl de aanwezigheid van zieke dieren in de verkoopruimte – zijn rekeningen zijn bevroren waardoor hij geen geld heeft om kosten te betalen en dus mogelijks ook niet voor eventuele bijkomende dierenartskosten en verdere intensieve zorgen voor deze dieren
XII-9534-5/24
– minimalisering van de aandoeningen bv husky waarvan de diergeneeskundige bevindingen (afwijkingen op klinisch onderzoek:
temperatuur 39.9, uitdrogingsverschijnselen, ernstige diarree en sterk gezwollen abdomen. Parvo en giardia negatief op eerste screeningstest.
Maar hondje is in algemeen zeer slechte toestand. Infuus therapie noodzakelijk, ernstige parasitaire infectie) in strijd zijn met de afgelegde verklaringen (husky’s gaan nogal gemakkelijk plat – hij zal niet zo ziek geweest zijn als je hem ziet spelen op het filmpje)
– de honden in het gebouw achter de verkoopruimte in afzondering werden geplaatst en onder behandeling stonden maar dat werd vastgesteld dat deze honden er niet afgezonderd van soortgenoten werden gehouden om besmetting te voorkomen en geen tekenen van intensievere zorg vertoonden. Hij geeft geen concrete voorstellen om dieren in behandeling in deze stal voortaan beter en intensiever te verzorgen – hoewel regelmatig beroep wordt gedaan op een dierenarts dit niet steeds tijdig gebeurt. Zo wordt bij een abces gewacht tot dit openspringt vooraleer behandeling op te starten – bij de keuze van de bodembedekking is gekozen voor de bodembedekking die volgens betrokkene het minst schadelijk, maar niet onschadelijk, is voor honden die gevoelig zijn voor conjunctivitis daar papier om milieuredenen niet gebruikt mag worden, in plaats van de betreffende rassen niet te houden indien geen geschikte bodembedekking kan aangeboden worden.
Betrokkene doet in zijn verhoor enkele concrete voorstellen om de vastgestelde gezondheidsproblemen aan te pakken waaronder:
– het verminderen van het aantal honden – de invoer vanuit Hongarije wordt stopgezet aangezien deze wordt aanzien als oorzaak van het demodex probleem – de volledige invoer op termijn zal worden stopgezet – de wettelijke quarantaine van 10 dagen zal worden nageleefd – het gebouw achter de verkoopruimte wordt gebruikt als afzonderingsruimte i.p.v. quarantaineruimte waar de dieren met verschillende problematieken gescheiden worden gehouden – stopzetting verhandeling katten op termijn – stopzetten van bepaalde rassen zoals Engelse bulldoggen en bassets maar er worden geen oplossingen aangereikt om – tijdig zieke dieren te herkennen en te isoleren – personeel beter te informeren/op te leiden inzake herkennen ziektesymptomen of verzorging De voorgestelde oplossingen leiden niet tot een onmiddellijk resultaat waardoor het onverantwoord zou zijn om de dieren die nog herstellende zijn van hun medische problemen te laten terugkeren.
Gelet op de verschillende ontvangen dierenartsverslagen en de vaststellingen ter plaatse door de afdeling Dierenwelzijn waaruit blijkt dat heel wat honden welzijns- en gezondheidsproblemen hebben;
Tot op 05/12/2022 werden de beloofde dierenartsverslagen niet ontvangen.
De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen;
Gelet op de beperkte economische waarde van de dieren, nog verminderd door de vastgestelde medische en welzijnsproblemen, waardoor de kosten
XII-9534-6/24
voor dagelijkse verzorging en medische opvolging van de dieren in afwachting van een eventuele verkoop de te verwachten opbrengst zouden overstijgen”.
3.5. Op 10 mei 2023 trekt de Vlaamse minister bevoegd voor het dierenwelzijn de erkenning van de verzoekende partijen voor het uitbaten van een handelskwekerij met ingang van 1 augustus 2023 in en wordt het verbod opgelegd om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen tot 1 augustus 2025, wat ook het verbod inhoudt om tussen 1 augustus 2023 en 1 augustus 2025 een erkenningsplichtige inrichting te beheren of er een direct toezicht op de dieren uit te oefenen.
De Raad van State heeft bij arrest nr. 257.113 van 14 juli 2023, ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.113 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen die intrekkingsbeslissing verworpen. De zaak ten gronde is nog aanhangig.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om hierop vervolgens met een laatste memorie te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet.
De exceptie wordt verworpen.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
XII-9534-7/24
5 In een eerste middel voeren verzoekende partijen de schending aan van “artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen” en de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inz. het evenredigheidsbeginsel”.
De grief bestaat erin dat een “motivering afdoende moet zijn, d.w.z. dat ze draagkrachtig moet zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen”.
De verzoekende partijen lichten het middel toe:
“De motivering voor het ‘in volle eigendom gegeven aan het erkend asiel waar ze momenteel verblijven’ van de in beslag genomen dieren door te wijzen naar het onverantwoord karakter om deze terug te plaatsen bij de Verzoekers is niet afdoende.
De ondersteunende redenen Terwijl echter bij de controle slechts 18 van de 582 aangetroffen dieren werden in beslag genomen.
De in beslag genomen dieren betroffen 10 dieren uit de verkoopsruimte, 5
dieren uit de noodafzonderingsruimte (m.n. het achterste deel van het gebouw achter de verkoopsruimte welk normaliter in zijn volledigheid als quarantaineruimte dient) en 2 honden uit de buitenkennels en één hond uit het afzonderingslokaal (de ziekenboeg).
Conform artikel 42 Dierenwelzijnswet is de Dienst bevoegd tot het bepalen van de bestemming.
[…]
Er wordt geen afdoende motivering gegeven waarom de goederen niet teruggegeven kunnen worden aan Verzoeksters.
De motivering dat het volgens de Dienst onverantwoord zou zijn om herstellende dieren te laten terugkeren naar de locatie van inbeslagname, o.a. omwille van:
[…]
spreekt zich in feiten dan ook tegen door de vaststelling dat van de 582
aangetroffen honden slechts 3% in beslag werd genomen.
Aldus is de algemene gezondheidstoestand, alsook de maatregelen daartoe getroffen afdoende.
Zo blijkt ook dat ruim 550 dieren bij Verzoeker(s) zijn gebleven.
Verzoekster behandel[t] periodiek (met een minimum van om de drie weken) alle dieren met een anti-parasitair middel (panacur) en sinds het manifesteren van een demodex-uitbraak wekelijk met een exo-parasitaire shampoo (Bravecto). Deze middelen werden zowel in gebruikte als ongebruikte vorm (in grote hoeveelheden) in beslag genomen […].
XII-9534-8/24
Verzoekers heeft jaarlijks ruim 194.000 euro kosten aan dierenartsen.
Al de Werknemers hebben een diploma zoals vereist door het Erkenningsbesluit dat hun minimale eisen in dierenwelzijn garandeert.
Dat Verzoeker een nood afzonderingsruimte had voorzien (in het achterliggend gebouw) om demodexbesmettingen af te zonderen.
En bovendien 6 van de 18 (levend) in beslag genomen dieren een ziekteverslag beschikten […] en aldus in actieve behandeling waren, waarbij aldus voldoende toezicht was en het ziektebeeld gedetecteerd werd.
Dat bovendien uit het louter positief testen op giardia geen algemene gezondheidstoestand kan afgeleid worden en bovendien het bestaan van giardia-parasieten in een kennel een zekerheid is […] en aldus de door de Vlaamse overheid erkende dierenkwekers/handelaars inherent dit hebben.
Zo de overheid dit wenst uit te sluiten dient ze haar regelgeving aan te passen. Bovendien deed verzoekster elke inspanning met periodieke behandeling met Panacur via het automedicatiesysteem.
Dat bovendien alle dieren geregistreerd worden, en ingeënt volgens het wettelijk schema, hetgeen onder andere een vaccin tegen kennelhoest inhoudt.
En dat daarenboven in het verleden 21 brieven/Processen-verbaal werden opgesteld naar aanleiding van een controle en dat er slechts bij PV G-21-
1510/ANL/13-12-2021 vooreerst (en tevens slechts eenmaal) sprake is van een maatregel die niet werd uitgevoerd en een inbreuk op de medische toestand van de dieren.
Minstens schendt de beslissing tot het ontnemen van de goederen het redelijkheidsbeginsel, inz. de proportionaliteit, waarbij Verzoekster nadat opgedragen wordt de kosten te dragen voor herstel van deze goederen, niet over deze mag beschikken om ze te verkopen.
Te meer gezien zijn handel niet werd stopgezet”.
6. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen het volgende toe:
“Vooreerst dient vastgesteld te worden dat Verzoekende Partijen ‘formeel’ een schending van de motiveringsplicht in zijn algemeen aanvoeren.
Immers wordt in de titel van het middel zowel de formele motiveringswet als de beginselen van behoorlijkbestuur aangevoerd. In tegenstelling tot wat Verweerder aanvoert betreft dit niet enkel het evenredigheidheidsbeginsel.
Inzonderderheid betekent immers niet uitsluitend, doch wel ‘overwegend, vooral, in het bijzonder of bovenal’ […]
Verwerende Partij lijkt haar motivering om tot de bestemming over te gaan te vinden in de vaststellingen dd. 24 oktober 2022 die hebben geleid tot het (voorlopig) beslag, zonder na te gaan of de toestand op datum van 5
december veranderd is.
Immers dergelijke overwegingen gelden om over te gaan tot het (bewarend/voorlopig) beslag, niet om tot de bestemming te besluiten
XII-9534-9/24
hiervoor dient ofwel gekeken te worden naar de toestand van de dieren dan wel naar de toestand van de inrichting op datum van de bestemming, quod non in casu.
Bovendien blijkt uit de gegevens van dogID […] dat diverse honden reeds overgedragen werden tussen 2 en 10 dagen na de bestemmingsbeslissing en aldus dierengeneeskundig perfect in orde bleken. Waardoor deze tevens, a forteriori door het gebrek aan vaststelling dat de inrichting op datum van de bestemmingsbeslissing niet geschikt was (ten opzichte van de vaststellingen dd. 24 oktober 2022) – hetgeen overigens als enige de motivering ‘Bijgevolg zou een teruggave van dieren die nog herstellende zijn van hun medische aandoeningen onverantwoord zijn’ kan verantwoorden -, diende terug gegeven te worden.
Dergelijke vaststelling van gebrek aan medische aandoeningen blijkt immers tevens uit het stuk 14 van het administratief dossier waar slechts een medisch rapport aangaande 5 honden wordt gevoegd.
Immers op 17 november en 23 november 2023 is er nog slechts een medisch rapport van het dier dat geëuthanaseerd zal worden. Bijgevolg blijkt dan ook dat er geen medische aandoening meer is bij de alle andere honden.
Alle honden diende[n] aldus terug worden gegeven bij gebrek aan medische aandoening, minstens diende de administratie een geïndividualiseerde beslissing te nemen en alle dieren terug te geven aan diens eigenaar die op datum van de bestemmingsbeslissing geen medische aandoening meer hadden”.
7. In de laatste memorie antwoorden de verzoekende partijen als volgt op het auditoraatsverslag:
“[…] Aangaande de ontvankelijkheid van het middel gefundeerd op de materiële motiveringsplicht verwijst verzoekende partij naar het standpunt van het auditoraatsverslag (randnr. 15) en treed het dit volledig bij.
[…] Het verslag van het Auditoraat gaat voorbij aan de hoofdstelling van Verzoek(st)ers Inderdaad is het een, uit artikel 42, §2 Dierenbeschermingswet, wettelijk gevolg van de beslagbeslissing dat er een bestemming volgt.
De Dienst bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de verantwoordelijke van het dier, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden.
De bestemmingsbeslissing is echter niet automatisch ‘het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon’, zoals in casu aan het dierenasiel waaraan de dieren werden toevertrouwd.
Volgende mogelijke bestemming zijn er:
– het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de verantwoordelijke van het dier;
XII-9534-10/24
– het verkopen;
– het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
– het slachten;
– het zonder verwijl doden.
Hoewel, de motiveringsverplichting niet zo ver dient te gaan dat de overheid dient te motiveren waarom ze de ene boven de andere bestemming heeft gekozen, dan wel (evenmin) dient te motiveren waarom het niet voor een andere bestemming heeft gekozen, dient vastgesteld te worden dat de gegeven motivering stelt waarom de dieren in volle eigendom worden gegeven door motieven op te werpen waarom de dieren niet horen te worden teruggegeven.
In casu wordt de motivering waarom overgegaan wordt tot overdracht in volle eigendom en niet tot de bestemming ‘teruggave’ aangegeven door volgende paragrafen uit de Bestreden (bestemmings)beslissing:
[…]
De motieven zijn drieledig en bestaan uit een vaststelling en een gevolg:
OMDAT
i) een veralgemeende gezondheidsproblematiek bij de dieren in de inrichting ii) een gebrek aan inzicht in deze vaststellingen [ernstige gezondheidsproblemen] en een gebrek aan inspanningen om dit probleem aan te pakken waardoor het opleggen van bijkomende maatregelen geen zin heeft iii) onvoldoende detectie van dieren met ziektesymptomen en bijgevolg onvoldoende of te laat ingrijpen bij medische problemen.
WAARDOOR
i) ‘Het […] onverantwoord [zou] zijn om herstellende dieren te laten terugkeren naar de locatie van inbeslagname’.
ii) ‘een terugkeer van de in beslag genomen dieren onverantwoord zou zijn.’ iii) ‘een teruggave van dieren die nog herstellende zijn van hun medische aandoeningen onverantwoord zijn.
Uit deze gevolgtrekking blijkt dat de motivering uitgaat van de veronderstelling dat de dieren nog herstellende zouden zijn, dan wel nog een medische aandoening hebben Er kan niet gesteld worden dat de in beslag genomen dieren ‘nog herstellende zijn’, immers:
i) uit het stuk 14 van het administratief dossier waar slechts een medisch rapport aangaande 5 honden wordt gevoegd.
Op 17 november en 23 november 2023 is er nog slechts een medisch rapport van het dier dat geëuthanaseerd zal worden. Bijgevolg blijkt dan ook dat er geen medische aandoening meer is bij de alle andere honden.
ii) Uit artikel 27, §1 Koninklijk Besluit 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden, dat eveneens […] van toepassing is op de dierenasielen aan wie de dieren in volle eigendom werden overgedragen, blijkt dat dieren niet verhandeld kunnen worden indien deze duidelijke ziektesymptomen hebben. Aldus kan een herstellend (en aldus nog (duidelijk) zwak door ziekte) dier niet worden verhandeld.
XII-9534-11/24
Artikel 27 §1 Koninklijk Besluit 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden stelt:
‘ § 1. Verboden is de verhandeling van :
– dieren met duidelijke ziektesymptomen;
Uit de gegevens van dogID (zie randnr. 5) blijkt dat diverse honden reeds overgedragen werden tussen 2 en 10 dagen na de bestemmingsbeslissing en aldus dierengeneeskundig perfect in orde bleken.
Er kan aldus niet gesteld worden dat deze dieren niet terug naar de inrichting kunnen omdat deze nog herstellende zijn, zoals de bestreden beslissing stelt.
[… ] Evenmin kan er sprake zijn van een algemene gezondheidsproblematiek indien slechts 3% van de aanwezige dieren in beslag werd genomen.
[…] Evenmin kan gesteld worden dat er een gebrek aan inspanningen is om ziekte uitbraken te vermijden en te behandelen is alsook onvoldoende detectie van dieren met ziektesymptomen en bijgevolg onvoldoende of te laat ingrijpen bij medische problemen, is.
Het verslag van het auditoraat stelt aangaande de zin ‘Te meer gezien zijn handel niet werd stopgezet’ als volgt: ‘Hierop kan worden geantwoord met: te meer gezien de handel bij beslissing van 10 mei 2023 van de Vlaamse minister bevoegd voor het dierenwelzijn met ingang van 1 augustus 2023 werd stopgezet.’ In diezelfde zin dient gesteld te worden ‘Te meer gezien bij beslissing dd.
16 maart 2023 zijn erkenningsaanvraag voor de inrichting gelegen te [T.]
werd goedgekeurd’. (stuk 14)
Deze aanvraag werd gedaan op naam van [M.D.] en Hoeve Hoogland BV
en in middels naar aanleiding van de intrekkingsbelsissing dd. 10 mei 2023
overgedragen aan Puppyroedel BV en [M.V.] (echtgenote van de heer D).
Echter uit deze erkenningsgunning dient te blijken dat er op 16 maart 2023
(in tegenstelling tot schijbaar op 10 mei 2023) er wel degelijk voldoende vertrouwen was in de heer [D.] en de BV Hoeve Hoogland om toe te zien op de gezondheidstoestand van dieren, tijdig problemen te dedecteren [sic]
en hiertoe de nodige inspanning te leveren. Immers conform artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden kan een erkenning pas worden afgeleverd indien men voldoet aan de erkenningsvoorwaarden (inclusief de verantwoordelijke en zijn capaciteiten).
[…] Eveneens in tegenstelling tot het verslag van het auditoraat dient wel vastgesteld te worden uit de feitelijke gegevens dat er voldoende inspanningen zijn om gezondheidsproblemen te dedecteren en deze te verhelpen. Dit volgt niet enkel uit de overvloed aan geneesmiddelen, doch tevens uit de afzondering van de dieren en de aanwezigheid van dierenartsverslagen (wel degelijk gevoegd in tegenstelling tot de stelling van het auditoraatsverslag (stuk 9).
[…] Uit bovenstaand blijft Verzoeker bij zijn standpunt dat de motivering niet overeen stemt met de feiten, nog pertinent en ter zaken dienend is om in huidig concreet geval de bestemmingsbeslissing te dragen.
Het audioraatverslag gaat hier geenszins op in.”
XII-9534-12/24
Beoordeling
8. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
9. De bestreden beslissing is formeel gemotiveerd (zie randnummer 3.4. ). Hieruit blijkt waarom de dieren niet werden teruggegeven aan de verzoekende partijen. De enkele omstandigheid dat een verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig.
Wel dient onderzocht te worden of deze motivering afdoende is, wat de verzoekende partijen in essentie betwisten.
XII-9534-13/24
10. Er is voldaan is aan het materiëlemotiveringsbeginsel. De beslissing stelt onder meer dat “de veelvuldig vastgestelde gezondheidsproblemen wijzen op een veralgemeende gezondheidsproblematiek bij de dieren in de inrichting waardoor het niet verantwoord is om herstellende dieren te laten terugkeren naar de plaats van bestemming. Het groot aantal dieren met medische problemen duidt op onvoldoende toezicht op de dieren of een gebrek aan kennis om zieke dieren te detecteren.” Tevens wijst de beslissing erop dat “de voorgestelde oplossingen niet tot een onmiddellijk resultaat [leiden]
waardoor het onverantwoord zou zijn om de dieren die nog herstellende zijn van hun medische problemen te laten terugkeren.” Deze motivering is afdoende om de bestemmingsbeslissing te verantwoorden.
11. Het gegeven dat andere dieren niet in beslag waren genomen, kan niet aantonen dat de bestemmingsbeslissing die betrekking heeft op de in beslag genomen dieren, niet kan worden bijgetreden. Eenmaal een dier in beslag is genomen, dient het volgens artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986
een bestemming te bekomen, en het is de wettigheid van die beslissing die moet worden beoordeeld. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, kan uit de feitelijkheid dat de meeste andere dieren niet in beslag werden genomen, niet worden afgeleid dat de in beslag genomen katten en honden, in weerwil van de vaststellingen van de verwerende partij, in een redelijke gezondheid verkeerden.
Ook al hebben de verzoekende partijen nog andere dieren in hun bezit, dienen zij diergeneeskundige geneesmiddelen toe, hebben zij ruime diergeneeskundige kosten, zijn alle medewerkers gediplomeerd, was er een afzonderingsruimte voor zieke dieren voorzien en werden de dieren geregistreerd en ingeënt, dan nog wordt hiermee niet aangetoond dat de bestreden beslissing niet is gesteund op deugdelijke motieven. Dezelfde redenering gaat op voor de argumentatie dat er eerder geen inbreuken op de medische toestand van de dieren werden vastgesteld, daargelaten de vraag of die bewering feitelijk juist is.
XII-9534-14/24
12. Met het relativeren van de aanwezigheid van giardia in de kwekerij kunnen de verzoekende partijen geen doel treffen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgelijste redenen dat tot de bestreden beslissing heeft geleid.
13. Artikel 42, § 5, van de wet van 14 augustus 1986 stelt dat de verantwoordelijke van het dier een vergoeding verschuldigd is aan de Dienst voor de kosten verbonden aan de maatregelen die worden genomen met toepassing van paragraaf 1, 2 en 4 van dat artikel. De verwerende partij past enkel de wet toe wanneer het de verzoekende partij opdraagt om de kosten te dragen voor herstel van de goederen en schendt hiermee het redelijkheidsbeginsel niet.
Artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 bepaalt niet dat de verantwoordelijke van een dier over dat dier moet kunnen beschikken om het te verkopen wanneer hij is gehouden tot de betaling van de kosten van de genomen maatregelen door de dienst Dierenwelzijn. De verwerende partij is de perken van de redelijkheid niet te buiten gegaan door de dieren – met uitzondering van één die moest worden geëuthanaseerd – in volle eigendom te geven aan een dierenasiel.
14. Inzake de repliek van de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord wordt overwogen dat er op de verwerende partij niet de verplichting rustte om na de inbeslagname en vóór het nemen van de bestreden beslissing de toestand in de beroepskwekerij na te gaan. Zoals reeds overwogen dient een dier, als het in beslag is genomen, volgens artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 een bestemming te bekomen. Dergelijke inbeslagname kan overeenkomstig artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 enkel geschieden als inbreuken op die wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten worden geconstateerd. Op grond van die vaststellingen mag de verwerende partij de bestemming bepalen.
XII-9534-15/24
15. Dat kort na de bestemmingsbeslissing dieren werden “overgedragen”, kan de wettigheid van die beslissing, op het moment dat die werd genomen, niet doen wankelen. Net zomin als dat het geval is omdat niet voor alle in beslag genomen dieren diergeneeskundige rapporten voorhanden zijn.
Daarmee worden de gemaakte vaststellingen, waarop de bestreden beslissing is gestut, niet terzijde geschoven.
16. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat er niet kan worden gesteld dat de in beslag genomen dieren “nog herstellende zijn”. Daargelaten de vraag waarom dit argument pas in de laatste memorie wordt aangevoerd, blijkt niet dat hiermee de vastgestelde problemen inzake gezondheidszorg en een gebrek aan inzicht worden weerlegd.
17. Het middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
18. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van “het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 en 11 van de Grondwet);
de bescherming tegen onteigeningen (artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM); de artikelen 33, 37, 105, 107, 108 en 159 van de Grondwet; de hiërarchie der normen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”.
De verzoekende partijen betogen dat voormelde bepalingen en de hiërarchie der normen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden doordat de bestreden beslissing genomen werd door inspecteur L. G., afdelingshoofd van het Departement Omgeving afdeling Dierenwelzijn, terwijl het departement Omgeving terzake enkel vertegenwoordigd kan worden door de Vlaamse regering en de beslissing dient genomen te worden door de minister.
XII-9534-16/24
De verzoekende partijen lichten het middel toe:
“De afdeling Dierenwelzijn is een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid. Zij heeft toegewezen bevoegdheden.
Zij kreeg middels de Dierenwelzijnswet bevoegdheden toegewezen (‘geattribueerd’) terzake het toezicht op dierenwelzijn. Overeenkomstig artikel 42, Dierenwelzijnswet is zij bevoegd tot het leggen van administratieve beslagen en het nemen van bestemmingsbeslissingen:
[…]
Overeenkomstig §2 bepaalt ‘De Dienst […] de bestemming van het dier’.
Overeenkomstig artikel 3, 23° van de Dierenwelzijnswet is de Dienst:
‘de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst die bevoegd is voor het dierenwelzijn.’ Verder is er geen specifieke bevoegdheidsdelegatie om deze Dienst te vertegenwoordigen.
Verzoekster verwijst naar (de artikelen 6 en 7 van) het Kaderdecreet van 18 juli 2003 bestuurlijk beleid, dat o.m. voorzag dat:
‘Het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap is het personeelslid dat, onverminderd de mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid, en in voorkomend geval bijgestaan door een adjunct, hierna algemeen directeur genoemd, door de Vlaamse regering wordt belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap.’ (6, § 4)
Dit decreet is sinds 1 januari 2019 opgeheven middels artikel IV.273, 2°
van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. En dus vandaag niet langer van toepassing.
Het nieuwe Bestuursdecreet bevat geen equivalente bepaling…
Bovendien is artikel III.4 van het Bestuursdecreet enkel van toepassing op IVA’s mét rechtspersoonlijkheid.
Aldus is per 1 januari 2019 ook nog eens de decretale basis voor het bestaan van het hoofd van een IVAZP weggevallen.
Externe vertegenwoordiging kunnen IVAZP’s aldus niet meer doen, enkel intern ondersteunend werk (behoudens bijzondere decretale bevoegdheidsgrond, welke doorgaans aan specifieke ambtenaren wordt gegeven).
En is het middel dus zo mogelijk nog meer gegrond.
Bovendien heeft het door de Vlaamse Regering middels artikel 2 van het Besluit van Vlaamse Regering van 25 januari 2019 in het Besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie ingevoerde equivalent aan artikel 6, § 4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 geen decretale rechtsgrond en is deze reglementaire bepaling is aldus onwettig, gelet op hoger genoemde (constitutionele) normen, zoals ook blijkt uit het gegeven dat e.e.a. vroeger wél decretaal voorzien werd en nu nog is voor IVA’s mét rechtspersoonlijkheid`… QED.
XII-9534-17/24
‘Het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid is het personeelslid dat, met behoud van de toepassing van de mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid, en in voorkomend geval bijgestaan door een adjunct, die de algemeen directeur wordt genoemd, door de Vlaamse Regering wordt belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap.’(artikel 1quater, § 2)
In een uitvoerend besluit kan geen dergelijke functie worden gecreëerd, al zeker niet om namens de Vlaamse Regering handelen (ongeoorloofde delegatie van overheidsmacht).
In casu werd de Bestreden Beslissing genomen door L. G., afdelingshoofd van de dienst Dierenwelzijn.
Echter, enkel de Vlaamse regering en/of Minister kan rechtsgeldig het departement omgeving, afdeling Dierenwelzijn, vertegenwoordigen bij het nemen van gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen”.
19. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen als volgt:
“Aangezien het hoofd van het Departement slechts delegatie heeft terzake ‘het verlenen en intrekking van vergunningen [en erkenningen]’ en ‘toezichts-, controle-, en inspectietaken’, is deze niet bevoegd om te beslissen terzake bestemmingsbeslissingen na beslag, laat staan deze bevoegdheid te delegeren.
Aldus kan een bestemmingsbeslissing na beslag enkel genomen worden door de Regering (of Minister), quod non in casu.
Het besluit van 13 januari 2022 van de secretaris-generaal van het Departement Omgeving houdende delegatie van bevoegdheden inzake dierenwelzijn aan het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn, waarbij in haar artikel 1 wordt gesteld dat ‘[h]et afdelingshoofd van de afdeling Dierenwijlzijn van het Departement Omgeving’ bevoegd wordt verklaard ‘om, overeenkomstig artikel 42, § 2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de bestemming van in beslaggenomen dieren toe te wijzen’, is derhalve wederrechtelijk want dergelijke beslissing valt buiten de bevoegdheid van de secretaris-generaal en dient aldus buiten toepassing gelaten te worden (artikel 159 Grondwet). Bijgevolg is de Bestreden Beslissing nietig.
Zelfs indien men zou kunnen aannemen dat de secretaris-generaal terzake wel bevoegd is om delegaties te voorzien, is het onduidelijk aan wie de delegatie wordt gegeven nu ‘[h]et afdelingshoofd van de afdeling Dierenwijlzijn van het Departement Omgeving’ een onvoldoende duidelijk wettelijk gedefinieerde, mogelijks zelfs onbestaande functie betreft. Aldus dient het besluit buiten toepassing gelaten te worden en bijgevolg is de Bestreden Beslissing nietig.
Zelfs indien men zou kunnen aannemen dat artikel 1 van het besluit van 13 januari 2022 van de secretaris-generaal van het Departement Omgeving houdende delegatie van bevoegdheden inzake dierenwelzijn aan het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn rechtsgeldig is (quod non), dient men nog vast te stellen dat er geen bewijs wordt bijgebracht dat de beweerdelijke ondertekenaar van de Bestreden Beslissing benoemd is als
XII-9534-18/24
‘afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving’, laat staan van de adequate publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, minstens is dergelijke benoeming (quod non) aldus niet tegenwerpelijk aan Verzoeksters.
Het is dus genomen door een onbevoegd persoon en derhalve nietig.
Zelfs indien men zou kunnen aannemen dat e.e.a. wél het geval is (quod non), geldt het volgende:
In casu werd de Bestreden Beslissing genomen door L.G., beweerdelijk afdelingshoofd van de dienst Dierenwelzijn.
De beslissing wordt beweerdelijk gehandtekend namens mevrouw L.G. met een elektronisch eenvoudig te reproduceren elektronische handtekening. Dit is o.m. in strijd met artikel II.24.(inz. § 2) van het Bestuursdecreet van 7
december 2018 (minstens met het het patere legem quam ipse fecisti beginsel, gelet op de klaarblijkelijke niet naleving van enige daartoe vastgestelde procedure)[.]
[…]
Wat er ook van weze, dergelijke wijze van handtekening wordt niet op afdoende unieke en exclusieve wijze met de (bedoelde) ondertekenaar worden verbonden en kan dus geen substitutie van een gewone geschreven handtekening, zo besliste ook al de Politierechtbank van Brugge. Daarboven geldt dat er in geen geval zekerheid is dat deze enkel door de desbetreffende ambtenaar kan gegenereerd worden. Bij een afdruk van een handtekening is het perfect mogelijk dat een medewerker deze op het document heeft geplakt en dat de desbetreffende ambtenaar de boete zelf niet eens gezien heeft”.
20. In de laatste memorie stellen de verzoekende partijen vooreerst dat een besluit houdende (sub)delegatie van bevoegdheden binnen een administratieve overheid met betrekking tot beslissingen die rechtsgevolgen hebben voor derden, zoals de bevoegdheid tot het opleggen van een administratieve sanctie, een openbaar nut heeft en dient te worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Dergelijke tegenstelbaarheid van bevoegdheidsdelegatie heeft dan ook slechts enig nut indien tevens de benoeming van de persoon die de functie ‘afdelingshoofd’ vervult tegenstelbaar is. Geen dergelijke benoeming van G. werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit werd volgens de verzoekende partijen ook gesteld in het arrest nr. 192.102 van 31
maart 2009 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.192.102.
Vervolgens voeren de verzoekende partijen aan dat uit de publicaties van het Belgisch Staatsblad blijkt dat er wel degelijk een gewoonte is om functies te publiceren. Aangezien de benoeming van G. als afdelingshoofd
XII-9534-19/24
niet is gepubliceerd, is haar functie nog steeds ‘senior adviseur’ en is ze aldus niet bevoegd voor het nemen van bestemmingsbeslissingen.
Beoordeling
21. Artikel 17 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 ‘tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015) bepaalt:
“Het hoofd van het departement of agentschap heeft delegatie om beslissingen te nemen over:
[…]
6° toezichts-, controle- en inspectietaken;
[…]”.
In toepassing van de artikelen 20 en 21 van hetzelfde besluit bestaat de mogelijkheid tot subdelegatie.
Bij besluit van 7 december 2021 van de secretaris-generaal tot vaststelling van de organisatiestructuur van het Departement Omgeving (hierna:
het besluit van 7 december 2021) is een afdeling Dierenwelzijn ingericht die wordt geleid door een afdelingshoofd.
Artikel 1 van het besluit van 13 januari 2022 van de secretaris-
generaal van het Departement Omgeving ‘houdende delegatie van bevoegdheden inzake dierenwelzijn aan het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn’ (hierna: het besluit van 13 januari 2022) bepaalt:
“Het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving is bevoegd om, overeenkomstig artikel 42, § 2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de bestemming van in beslaggenomen dieren toe te wijzen”.
XII-9534-20/24
Beide laatst geciteerde besluiten zijn gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 23 februari 2022 en zijn van toepassing op het moment dat het bestreden besluit werd genomen.
22. De Raad van State heeft reeds meermaals overwogen – in de arresten nr. 248.001 van 6 juli 2020, ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.001 en nr. 252.366 van 9 december 2021, ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.366 – dat de secretaris-generaal op basis van de vaststellingen van de inspecteurs-
dierenartsen bij de inspectie Dierenwelzijn van het departement Omgeving een beslissing tot bestemming overeenkomstig artikel 42, § 2, van de wet van 14
augustus 1986 mag nemen.
Artikel 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 laat toe dat de secretaris-generaal een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder subdelegeert aan personeelsleden van het departement of agentschap die onder zijn hiërarchisch gezag staan. Bij artikel 1 van het besluit van 13 januari 2022 van de secretaris-generaal van het Departement Omgeving heeft het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving de bevoegdheid gekregen om, overeenkomstig artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, de bestemming van in beslag genomen dieren toe te wijzen.
Het uitgangspunt van het middel, namelijk dat enkel de Vlaamse regering of de bevoegde minister de bestreden beslissing kan nemen, faalt naar recht.
23. Voor zover het middel lijkt aan te voeren dat voornoemde bepalingen geen rechtsgrond hebben, faalt het middel eveneens naar recht.
De artikelen 17, 20 en 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015 vinden rechtsgrond in artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’ (hierna: besluit van 25 juli 2014), dat op
XII-9534-21/24
zijn beurt rechtsgrond zoekt in artikel 21 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 ‘over de Vlaamse instellingen’.
Het besluit van 7 december 2021 van de secretaris-generaal tot vaststelling van de organisatiestructuur van het Departement Omgeving vindt rechtsgrond in artikel 10 van het besluit van 30 oktober 2015 en artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’.
Artikel 1 van het besluit van 13 januari 2022 vindt rechtsgrond in de artikelen 17, § 6, 20 en 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 2015.
24. Voor het eerst in de memorie van wederantwoord, en daarna in de laatste memorie, betogen de verzoekende partijen dat niet is aangetoond dat de ondertekenaar van de bestreden beslissing daadwerkelijk het hoofd is van de afdeling Dierenwelzijn en dat het besluit tot benoeming van het betrokken afdelingshoofd niet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Beide betogen hadden in het verzoekschrift kunnen worden ontwikkeld. Door het pas in de memorie van wederantwoord op te werpen, is het laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. De verzoekende partijen maken bovendien niet in het minst aannemelijk waarom zou moeten worden getwijfeld aan het feit dat de ondertekenaar van de bestreden beslissing daadwerkelijk het hoofd is van de afdeling Dierenwelzijn.
25. Ten slotte bekritiseren de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie het gebruik van een elektronische handtekening op de bestreden beslissing.
Dat betoog had in het verzoekschrift kunnen worden ontwikkeld. Door het pas in de memorie van wederantwoord op te werpen, is het laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
XII-9534-22/24
26. Noch een schending van de in het middel ingeroepen bepalingen noch van “de hiërarchie der normen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur” is aannemelijk gemaakt.
27. Het tweede middel is ongegrond.
28. Het beroep wordt verworpen.
XII-9534-23/24
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter Ann Coolsaet, staatsraad Frédéric Vanneste staatsraad bijgestaan door:
Silja Doms, griffier
De griffier De voorzitter
Silja Doms Chantal Bamps
XII-9534-24/24

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.916

Gerelateerde publicatie(s)

citeert:

ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.001

 

ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.366

 

ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.113

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.916

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.