ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.376

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.376 Rolnummer: A. 237327/IX-10133 Zaak: Arrest 261376 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-21 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-03 09:13 Fiche Arrest nr 261.376...

Source officielle

26 min de lecture 5 523 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 19 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.376

Rolnummer:

A. 237327/IX-10133

Zaak:

Arrest 261376 – Federaal openbaar ambt – Aanwerving en loopbaan – 19/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-11-21

Raadplegingen:

89 – laatst gezien 2026-06-03 09:13

Fiche

Arrest nr 261.376 van 19 november 2024 Openbaar ambt – Federaal openbaar
ambt – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 261.376 van 19 november 2024
in de zaak A. 237.327/IX-10.133
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kurt Demeester kantoor houdend te 9030 Gent Brugsesteenweg 378
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN
INVALIDITEITSVERZEKERING
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van 26 juli 2022 waarbij verzoekster met een opzegtermijn van drie maanden wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 256.174 van 30 maart 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
IX-10.133-1/25
De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2024.
Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Kurt Demeester, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
IX-10.133-2/25
3.1. Met een besluit van 26 april 2021 van het algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) wordt verzoekster met ingang van 1 mei 2021 aangeworven als stagedoend attaché arts-inspecteur in de klasse A2. Haar stage duurt 12 maanden.
Zij werkt daarna als attaché A2 risico- en verstrekkingsbeheer bij de afdeling ‘team medische experten’ van de medische directie van de dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV.
3.2. Op 20 mei 2021 vindt het planningsgesprek plaats tussen verzoekster en haar functionele chef, als onderdeel van de stagecyclus. Het gesprek heeft betrekking op de periode van de (evaluatie)cyclus van 1 mei 2021
tot 30 april 2022. Die dag heeft eveneens een functiegesprek plaats.
3.3. Op 8 september 2021 heeft een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar functionele chef, als onderdeel van de stagecyclus. Zij krijgt als eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’.
3.4. Op 16 december 2021 heeft een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar functionele chef, als onderdeel van de stagecyclus. Zij krijgt als eindvermelding ‘te verbeteren’.
3.5. Op 22 maart 2022 vindt opnieuw een functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar hiërarchisch meerdere, als onderdeel van de stage-evaluatiecyclus. Zij behaalt de eindvermelding ‘onvoldoende’.
3.6. Het eindverslag van de stage, als bijlage gevoegd bij het derde functioneringsgesprek, bevat volgende samenvatting van de verschillende functioneringsgesprekken:
Functioneringsgesprek Functioneringsgesprek 2 Functioneringsgesprek 3
1
Datum 08/09/2021 16/12/2021 22/03/2022
IX-10.133-3/25
Vermelding Voldoet aan de Te verbeteren Onvoldoende verwachtingen Prestatiedoelstelli 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : niet behaald ngen 2 : behaald 2 : gedeeltelijk behaald 2 : niet behaald 3 : gedeeltelijk behaald 3 : gedeeltelijk behaald 3 : niet behaald 4 : niet te evalueren 4 : niet te evalueren 4 : niet te evalueren Ontwikkelingsdoel 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald stellingen 2: gedeeltelijk behaald 2 : behaald 2 : behaald Doelstelling voor 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst Doelstelling voor 1 : gedeeltelijk behaald 1 : gedeeltelijk behaald 1 : behaald bijdrage aan de teamprestaties Algemeen Er wordt opgemerkt Een positieve leercurve Er wordt vastgesteld dat, functioneren dat [V] op moment van wordt vastgesteld, maar het ondanks de leergierige en het eerste begint duidelijk te worden collegiale houding van de functioneringsgesprek dat de kwaliteit van de stagiair, correct en op een verwacht opgeleverde nota’s moet zelfstandig werken niet niveau presteert, en verbeteren qua inhoud én lukt nu het einde van de zich leergierig opstelt vormgeving. stage nadert
Daarnaast bevat het eindverslag ook de ‘motivatie’ van de gedelegeerde van de directeur P&O. Op basis van de gedane vaststellingen meent de dienst P&O enkel het ontslag van de stagiair uit haar huidige functie bij het RIZIV te kunnen voorstellen, “aangezien onze organisatie geen functie kan aanbieden die meer in lijn ligt met de competenties als arts die wel vertoond werden tijdens de stage […]”.
3.7. Op 20 april 2022 bezorgt de dienst P&O het evaluatiedossier van verzoekster aan de Interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie, gelet op de functioneringsvermelding ‘onvoldoende’ bij het derde functioneringsgesprek.
3.8. Op 12 mei 2022 dient verzoekster tegen de eindvermelding ‘onvoldoende’ een verweerschrift in bij de voormelde beroepscommissie.
IX-10.133-4/25
3.9. Op 16 juni 2022 hoort de Interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie verzoekster. Ook de evaluator, adviseur-generaal medisch directeur bij de medische directie van de dienst voor geneeskundige verzorging, wordt gehoord. Na beraadslaging en bij twee stemmen tegen twee, waarbij de stem van de voorzitter doorslaggevend is, wordt voorgesteld om de eindvermelding ‘onvoldoende’ te behouden.
3.10. Op 26 juli 2022 besluit het algemeen beheerscomité van het RIZIV tot het ontslag van verzoekster als attaché arts-inspecteur in de klasse A2
(Nederlandstalig taalkader) bij de dienst voor geneeskundige verzorging wegens beroepsongeschiktheid met een opzegtermijn van drie maanden, ingaande op 1
augustus 2022 en eindigend op 31 oktober 2022. De beslissing wordt haar ter kennis gebracht op 28 juli 2022.
Dat is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie
4. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij voert aan dat verzoekster enkel het besluit van het algemeen beheerscomité van 26 juli 2022 aanvecht, maar heeft nagelaten het “met redenen omkleed ontslagvoorstel” van de Interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie van 16 juni 2022 aan te vechten.
De beroepscommissie heeft, overeenkomstig artikel 32/1 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: koninklijk besluit van 24 september 2013) “een met redenen omkleed ontslagvoorstel” voorgelegd. Volgens de verwerende partij ligt de beslissingsmacht bij de beroepscommissie en had verzoekster dan ook het
IX-10.133-5/25
ontslagvoorstel van de beroepscommissie moeten aanvechten en niet de beslissing van het algemeen beheerscomité van 26 juli 2022.
Beoordeling
5. In de kennisgeving aan verzoekster op 28 juli 2022, stelt de verwerende partij dat “[n]aar aanleiding van de vermelding ‘onvoldoende’ die u heeft gekregen aan het einde van uw derde functioneringsgesprek, en het voorstel van de Interparastatale Beroepscommissie inzake evaluatie”, een afschrift wordt bezorgd van “het besluit van het Algemeen Beheerscomité van 26 juli 2022
waarbij u ontslagen bent wegens beroepsongeschiktheid”.
In dezelfde kennisgeving wordt aan verzoekster meegedeeld dat “[i]ndien u niet akkoord kan gaan met deze beslissing van uw ontslag, […] u binnen zestig dagen na de datum van deze kennisgeving beroep [kan] aantekenen bij de Afdeling Administratie van de Raad van State”.
De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is aldus alvast in tegenspraak met hetgeen zij zelf aan verzoekster heeft meegedeeld.
Daarin wordt immers aangegeven dat bij de afdeling Bestuursrechtspraak beroep kan worden ingesteld tegen “deze beslissing van uw ontslag”, hetgeen verwijst naar het voordien vermelde “besluit van het Algemeen Beheerscomité”.
6. Uit de aanhef bij het besluit van het algemeen beheerscomité van 26 juli 2022 blijkt dat deze beslissing genomen werd met toepassing van het koninklijk besluit van 24 september 2013.
Artikel 32/1 van dit koninklijk besluit bepaalt:
“Gedurende de stage bezorgt de P&O-directeur zodra er een functioneringsvermelding ‘onvoldoende’ aan de stagiair wordt toegekend na afloop van een verplicht stagefunctioneringsgesprek onverwijld het evaluatiedossier van de stagiair aan de commissie, die, naargelang van het
IX-10.133-6/25
geval:
1° een met redenen omkleed ontslagvoorstel voorlegt aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid;
2° beslist of de stage mag worden voortgezet; in voorkomend geval gaat de beslissing gepaard met een voorstel tot verandering van aanwijzing van de stagiair binnen zijn federale dienst aan de leidend ambtenaar of met een voorstel tot benoeming van de stagiair in een andere federale dienst, overeenkomstig artikel 10/10, tweede lid.
In afwijking van het eerste lid leidt de aan de stagiair toegekende functioneringsvermelding ‘onvoldoende’ niet tot de aanhangigmaking van de commissie in geval van akkoord van de stagiair, de evaluator en de P&O-directeur wat betreft het voortzetten van de stage.”
Artikel 10/6, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat het ontslag, in het bijzonder wegens beroepsongeschiktheid, “wordt uitgesproken op voorstel van de bevoegde beroepscommissie inzake evaluatie, door de leidend ambtenaar”.
7. Uit deze bepalingen volgt dat de leidend ambtenaar niet louter mededeling doet van het voorstel van de beroepscommissie, maar belast is met het uitspreken van en aldus met het beslissen tot het ontslag van de stagiair.
De bepalingen van het voormelde koninklijk besluit moeten overigens geïnterpreteerd worden in het licht van het beginsel dat, tenzij anders bepaald, het tot de aard van de benoemingsbevoegdheid behoort dat deze de bevoegdheid in zich sluit om het betrokken personeelslid desgevallend te ontslaan.
8. De voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling, die voor verzoekster rechtsgevolgen teweegbrengt, is bijgevolg de beslissing van het algemeen beheerscomité van 26 juli 2022.
9. De exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen.
10. In de aanhef van de bestreden beslissing wordt melding gemaakt van “het voorstel tot ontslag van de Interparastatale Beroepscommissie
IX-10.133-7/25
inzake evaluatie voor de openbare instellingen van sociale zekerheid van 16 juni 2022”. Het met redenen omklede voorstel van de Interparastatale beroepscommissie is tevens als bijlage bij de beslissing gevoegd en werd samen met het afschrift van het besluit van het algemeen beheerscomité op 28 juli 2022
ter kennis gegeven aan verzoekster.
Er moet dus worden aangenomen dat het algemeen beheerscomité zich het met redenen omklede voorstel eigen heeft gemaakt en dat de in het voorstel vervatte motivering ook ten grondslag ligt aan het besluit van het algemeen beheerscomité.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
11. Verzoekster roept in een eerste middel de schending in van artikel 10/8 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Verzoekster is van mening dat de drie met haar gevoerde functioneringsgesprekken niet evenwichtig waren gespreid over de hele evaluatieperiode, nu op een periode van één jaar tussen het eerste en het laatste gesprek slechts zes en een half maanden verstreken.
Beoordeling
12. Verzoekster zet niet uiteen welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zij geschonden acht. Dit onderdeel van het middel is onontvankelijk.
IX-10.133-8/25
IX-10.133-9/25
13. Artikel 10/8, § 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 bepaalt:
“In geval van een stage moeten er drie functioneringsgesprekken worden gehouden tussen de evaluator en de stagiair. Ze worden evenwichtig gespreid over de hele evaluatieperiode.
Het doel van deze gesprekken is om de balans op te maken van de functionering van de stagiair, de behaalde resultaten, de eventuele moeilijkheden en de middelen die moeten worden ingezet om die te verhelpen. Op vraag van de stagiair neemt de P&O-directeur of zijn gemachtigde deel aan de gesprekken.
Om de evolutie van de stagiair in de loop van de stage te kunnen beoordelen, worden de doelstellingen die tijdens het planningsgesprek zijn vastgelegd of tijdens een vorig functioneringsgesprek zijn aangepast, aangevuld, aangepast of verduidelijkt tijdens elk verplicht functioneringsgesprek.
Elk verplicht functioneringsgesprek wordt afgesloten met een verslag en er wordt één van de vermeldingen bedoeld in artikel 12 toegekend op basis van de criteria bepaald in artikelen 13 tot 16.
Als deze verplichting niet wordt nageleefd, houdt de P&O-directeur of zijn gemachtigde zelf het verplichte functioneringsgesprek.”
14. Uit artikel 10/1 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 blijkt dat de stage één jaar duurt.
Artikel 10/7 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt:
“§ 1. De stage bestaat minstens uit :
1° een functiegesprek;
2° een planningsgesprek;
3° drie functioneringsgesprekken zoals bepaald in artikel 10/8;
4° een evaluatiegesprek.
§ 2. Zodra de stage begint, wordt er een functiegesprek gehouden. Er wordt ook een functiegesprek gehouden wanneer de functie in belangrijke mate is gewijzigd.
Tijdens het functiegesprek kent de evaluator de functiebeschrijving toe aan de stagiair.
§ 3. Onmiddellijk na het functiegesprek vindt er een planningsgesprek plaats. Tijdens dit planningsgesprek bepaalt de evaluator zowel kwalitatieve als kwantitatieve prestatiedoelstellingen en ten minste twee persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen.
Het planningsgesprek van de stagiair bepaalt in welke mate aan elke in het eerste lid bepaalde doelstelling moet voldaan worden om de beoordeling van de evolutie van de stagiair tijdens elk verplicht functioneringsgesprek
IX-10.133-10/25
bepaald in artikel 10/8 mogelijk te maken.”
15. De drie functioneringsgesprekken moeten evenwichtig verdeeld worden, dit bekeken over de hele stageperiode van één jaar, ermee rekening houdende dat eerst een planningsgesprek moet plaatsvinden omdat de daarin vastgelegde criteria de toetssteen vormen tijdens de functioneringsgesprekken.
16. De stage van verzoekster begon op 1 mei 2021.
Overeenkomstig artikel 10/7, §§ 2 en 3, van het voormelde koninklijk besluit werden eerst een functiegesprek en een planningsgesprek gehouden, namelijk op 20 mei 2021. Vervolgens werden functioneringsgesprekken gehouden op 8
september 2021, 16 december 2021 en ten slotte op 22 maart 2022.
Het eerste functioneringsgesprek vond plaats na het verstrijken van vier maanden van de stageperiode (en ruim drie maanden na het planningsgesprek), het tweede vervolgens ruim drie maanden later en het derde opnieuw ruim drie maanden na het tweede.
Verzoekster neemt voor haar middel enkel de tijdsspanne tussen het eerste en het laatste functioneringsgesprek in aanmerking. Dit strookt echter niet met de voorwaarden van artikel 10/8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 september 2013, dat een evenwichtige spreiding over de hele evaluatieperiode voorschrijft.
Er moet dus in het bijzonder ook rekening gehouden worden met de periode vanaf het planningsgesprek tot aan het eerste functioneringsgesprek – periode waarin verzoekster de afspraken in de praktijk diende om te zetten.
Aldus blijkt dat telkens na iets meer dan drie maanden een nieuw functioneringsgesprek volgde. Het laatste functioneringsgesprek vond plaats bijna elf maanden na de effectieve aanvang van de stageperiode van één jaar.
IX-10.133-11/25
17. Er kan aldus niet worden aangenomen dat er geen “evenwichtige spreiding” van de drie functioneringsgesprekken heeft plaatsgevonden, zoals voorgeschreven door artikel 10/8, § 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2013.
18. Het eerste middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
19. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van artikel 8 van het koninklijk besluit van 24 september 2013.
Volgens verzoekster werd er met haar geen enkel tussentijds gesprek gevoerd, noch formeel noch informeel. Dit valt niet te verzoenen met de vermelding ‘te verbeteren’ van 16 december 2021 en de ‘onvoldoende’ van 22
maart 2022, omdat verzoekster zo niet de kans heeft gekregen te remediëren en omdat zo niet kon worden gewerkt aan oplossingen voor knelpunten. Zij werd in de waan gelaten dat er geen problemen waren en zij haar taak en functie naar behoren uitvoerde.
Verzoekster stelt daarnaast dat uit de stukken van het administratief
Beoordeling
20. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk III, die specifieke bepalingen bevat “voor de evaluatieperiode van het personeelslid dat geen stagiair is”.
IX-10.133-12/25
Het voornoemde artikel 8 is bijgevolg niet van toepassing op verzoekster en kan dus ook niet geschonden zijn door de bestreden beslissing.
21. De stelling van verzoekster dat uit het administratief dossier moet blijken dat de beoordeling ‘onvoldoende’ onterecht is, wordt door haar in dit middel niet nader toegelicht of uitgewerkt, evenmin wordt verduidelijkt welke rechtsregels of -beginselen zij hierdoor geschonden acht. In zoverre is het middel onontvankelijk.
22. Het tweede middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
23. Verzoekster voert in het derde middel de schending aan van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 september 2013. Zij stelt dat het derde evaluatiegesprek had moeten plaatsvinden in april 2022 en niet in maart 2022.
Hiervan kon niet worden afgeweken.
Beoordeling
24. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk III, die specifieke bepalingen bevat “voor de evaluatieperiode van het personeelslid dat geen stagiair is”.
Het voornoemde artikel 9 is bijgevolg niet van toepassing op verzoekster en kan dus ook niet geschonden zijn door de bestreden beslissing.
Artikel 10/9, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit, dat wel van toepassing is op de stagiair en de stage, bevat een aan artikel 9, tweede lid, van dit koninklijk besluit inhoudelijk gelijke bepaling.
IX-10.133-13/25
Het door verzoekster ingeroepen middel kan worden begrepen als het inroepen van de schending van artikel 10/9 van het voornoemde koninklijk besluit.
25. Artikel 10/9 van het koninklijk besluit van 24 september 2013
luidt als volgt:
“Op het einde van de stage nodigt de evaluator de stagiair uit voor een evaluatiegesprek.
Het evaluatiegesprek vindt plaats in de laatste maand van de stage, die eventueel werd verlengd.
Als het personeelslid op het tijdstip van het gesprek afwezig is, wordt het gesprek verschoven naar de maand die volgt op de werkhervatting.”
26. Op 22 maart 2022 vindt het derde functioneringsgesprek plaats tussen verzoekster en haar hiërarchisch meerdere als onderdeel van de stage-
evaluatiecyclus.
Daarbij krijgt verzoekster de vermelding ‘onvoldoende’.
Hierover bepaalt artikel 10/8, § 3, 2°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 dat het enig gevolg ervan is dat ze “behoudens het akkoord bedoeld in artikel 32/1, tweede lid, de aanhangigmaking bij de bevoegde beroepscommissie inzake evaluatie zoals bepaald in artikel 24 met zich meebrengt”.
Conform artikel 32/2, § 2, 1°, van het voormelde koninklijk besluit legt de beroepscommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid. Dit is in casu gebeurd en dit voorstel is gevolgd door de bestreden beslissing met toepassing van het voormelde artikel 10/6, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 24
september 2013.
De toepassing van deze bepalingen heeft logischerwijze en onvermijdelijk tot gevolg dat geen evaluatiegesprek meer dient plaats te vinden en er dus geen toepassing meer kan of moet worden gemaakt van artikel 10/9 van
IX-10.133-14/25
het genoemde koninklijk besluit.
27. Het derde middel is ongegrond.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
28. Verzoekster roept in een vierde middel de schending in van artikel 25 juncto artikel 28 van het koninklijk besluit van 24 september 2013.
Volgens haar was de beroepscommissie niet rechtsgeldig samengesteld. Minstens de helft van de leden had bij de beraadslaging aanwezig moeten zijn, namelijk ten minste zes leden, nu de beroepscommissie blijkens voormeld artikel 25 twaalf leden telt. In werkelijkheid waren er vier leden aanwezig.
Beoordeling
29. Artikel 28 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 werd ve
“Elke beroepscommissie beraadslaagt geldig als minstens vier van haar leden aanwezig zijn, ten belope van twee leden aangewezen door de overheid, bij wie de voorzitter gerekend wordt, en twee leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties.”
30. Uit het voorstel van de beroepscommissie van 16 juni 2022
blijkt dat de beroepscommissie bestond uit twee “[d]oor de administraties aangestelde leden” en twee “[d]oor de representatieve vakorganisaties aangestelde leden”. Ze was bijgevolg correct samengesteld.
31. Het vierde middel mist feitelijke grondslag en wordt verworpen.
IX-10.133-15/25
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
32. In het vijfde middel roept verzoekster de schending in van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat zij ook de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert.
In een eerste onderdeel stelt verzoekster dat de vaststelling van de beroepscommissie dat zij “minder dan 50% van de prestatiedoelstellingen [heeft] gerealiseerd”, geen steun vindt in het dossier en meer bepaald niet in het functioneringsgesprek van 22 maart 2022.
Bovendien is verzoekster van mening dat de beroepscommissie niet motiveert waarom zij de andere doelstellingen buiten beschouwing laat en enkel steunt op de prestatiedoelstellingen. De beroepscommissie gaat voorbij aan de ontwikkelingsdoelstellingen, de doelstelling van beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst en de doelstelling van de bijdrage aan de teamprestaties die verzoekster wel heeft gehaald. Volgens verzoekster wordt er in geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling voorzien in een wegingscijfer van de ene doelstelling tegenover de andere. Door de prestatiedoelstellingen te laten prevaleren op andere doelstellingen en competenties voegt de beroepscommissie een voorwaarde toe aan het koninklijk besluit van 24 september 2013 en overtreedt zij haar bevoegdheid.
In een tweede onderdeel beweert verzoekster dat de beroepscommissie enkel focust op een aantal mindere competenties van verzoekster en de positieve competenties buiten beschouwing laat. Evenmin blijkt uit welke elementen de beroepscommissie afleidt dat verzoekster niet voldoende informatie zou integreren of vernieuwend zou denken, dat zij de nodige competenties mist om nota’s en verslagen op te stellen of dat zij onvoldoende
IX-10.133-16/25
zelfstandig kan werken of de nodige nauwkeurigheid aan de dag kan leggen. De beroepscommissie brengt hiertoe geen enkel concreet gegeven aan. Uit de stukkenbundel die verzoekster heeft neergelegd bij de beroepscommissie bleek nochtans het tegendeel. Dit blijft onbesproken.
Beoordeling
33. Gelet op de inhoudelijke samenhang worden beide onderdelen van het middel samen beoordeeld.
34. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
De belangrijkste bestaansreden van deze formelemotiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, op zodanige wijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan, of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen.
35. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat voor de beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van
IX-10.133-17/25
deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen.
36. In de bestreden beslissing worden de motieven vermeld op grond waarvan ze werd genomen.
De beroepscommissie motiveert haar voorstel onder meer als volgt:
“Dit voorstel wordt gemotiveerd door het feit dat de commissie van mening is dat de stagiair er niet in geslaagd is de afgesproken prestatiedoelstellingen in voldoende mate te behalen en dit na een stageperiode van meer dan 10 maanden. Ze heeft minder dan 50% van de prestatiedoelstellingen gerealiseerd. De commissie is er ook van overtuigd dat er geen of onvoldoende positieve evolutie mogelijk is in het functioneren van de stagiair.”
37. Artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 bepaalt het volgende:
“De vermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend aan het personeelslid dat:
1° ofwel minder dan 50% van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;
2° ofwel niet de competenties heeft ontwikkeld die noodzakelijk zijn om zijn functie uit te oefenen en die niet meer op een bevredigende wijze kan uitoefenen, terwijl het die ontwikkelingsdoelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek;
3° ofwel niet beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst, ondanks de vermaningen die het gedurende de hele periode kreeg en onder voorbehoud dat die feiten geen voorwerp van een tuchtprocedure uitmaken.
De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element. Als het personeelslid echter het voorwerp is van een tuchtprocedure voor feiten die dat domein betreffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.”
38. In het functioneringsgesprek van 22 maart 2022 worden vier prestatiedoelstellingen getoetst, onderverdeeld in indicatoren: de scores op die
IX-10.133-18/25
indicatoren bepalen of de betrokken doelstelling werd gehaald. Eén prestatiedoelstelling kon niet worden geëvalueerd. De evaluator merkt bij de overige drie prestatiedoelstellingen telkens op dat ze niet werd behaald.
Op grond van artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 24 september 2013 dient alleen al wegens het niet behalen van 50%
van de prestatiedoelstellingen de eindvermelding ‘onvoldoende’ te worden toegekend.
Verzoeksters kritiek dat de beroepscommissie in strijd met voornoemd artikel 15 de prestatiedoelstellingen heeft laten prevaleren op andere doelstellingen, faalt in rechte.
Er ligt dan ook geen schending voor van de formele- noch de materiëlemotiveringsplicht, wanneer de beroepscommissie (enkel) op grond van de niet voldoende behaalde prestatiedoelstellingen besluit tot het behouden van de vermelding ‘onvoldoende’ die door de administratie aan verzoekster werd toegekend.
39. Uit de in de bestreden beslissing tot uitdrukking gebrachte motieven blijkt dat de beroepscommissie in de eerste plaats het niet behalen van de helft van de prestatiedoelstellingen als doorslaggevende factor aanhaalt voor het behouden van de vermelding ‘onvoldoende’. Daarbij gaat zij na of er specifieke redenen zijn die die beoordeling zouden kunnen weerleggen, maar stelt zij vast dat “de evaluator voldoende overleg, opleiding en begeleiding voorzien heeft tijdens de stageperiode”.
IX-10.133-19/25
De beroepscommissie benadrukt, in tegenstelling tot wat verzoekster in haar grief beweert, ook een aantal positieve elementen (goede wil, inzet, teamgericht en leergierig) maar stelt vast dat een aantal competenties die essentieel zijn voor de functie (informatie integreren en vernieuwend denken)
onvoldoende aanwezig zijn. Dit is doorslaggevend in het negatieve voorstel.
Verzoekster weerlegt die motieven niet, tenzij door een onbestemde verwijzing naar “een lijvig stukkenbundel”. Verzoekster zet evenmin uiteen hoe haar positieve competenties afbreuk kunnen doen aan de vaststelling van de beroepscommissie dat zij precies essentiële competenties voor de functie mist en dat geen verbetering op dat vlak te verwachten is.
Verzoekster voert wel aan dat de beroepscommissie in haar voorstel zou moeten motiveren waaruit blijkt dat zij niet vernieuwend denkt en geen informatie kan integreren, of waaruit blijkt dat de kwaliteit van nota’s en verslagen onvoldoende was: de commissie verwijst immers naar geen enkel concreet gegeven.
In dit verband moet echter opgemerkt worden dat de formelemotivering zij ertegen aanwendt.
De grondslag van de formele motieven of de juistheid ervan moet wel (kunnen) worden gecontroleerd aan de hand van de stukken van het administratief dossier. Daarin moeten de elementen kunnen worden teruggevonden waarop de beroepscommissie steunt om te stellen dat verzoekster de essentiële vaardigheden mist. Het komt in de eerste plaats aan verzoekster toe aan te tonen dat de motieven waarop het voorstel stoelt, geen steun vinden in de stukken van het administratief dossier.
Verzoekster tracht echter de onjuistheid van de motieven niet aan te tonen, noch beweert zij dat die feitelijke grondslag missen: zij verwijst
IX-10.133-20/25
naar haar “lijvig stukkenbundel” maar doet zelf geen poging om de bestreden beslissing te weerleggen aan de hand van haar stukkenbundel of stukken uit het administratief dossier. Het valt niet aan de Raad van State toe om dat in haar plaats te doen.
40. Het vijfde middel is in zijn geheel niet gegrond.
F. Zesde middel
Uiteenzetting van het middel
41. Verzoekster roept in het zesde middel de schending in van het recht van verdediging en het “recht op een evenwichtige en eerlijke behandeling”.
In een eerste onderdeel voert verzoekster aan dat zij niet meer schriftelijk heeft kunnen reageren op een document dat vlak voor de hoorzitting van de Interparastatale beroepscommissie door de administratie aan het dossier werd toegevoegd, aangezien het verweer vijf dagen voor de zitting moest worden ingediend.
In een tweede onderdeel voert zij aan dat zij ter ondersteuning van haar verweer een geluidsopname van het gesprek met de evaluator wilde voorleggen.
Beoordeling
42. In zoverre verzoekster een schending van de rechten van verdediging aanvoert, faalt haar kritiek in rechte. Vermits het bestreden besluit geen tuchtmaatregel oplegt, zijn de rechten van verdediging bij ontstentenis van een andersluidende bepaling immers niet van toepassing.
43. Wat betreft het eerste onderdeel van het zesde middel, stelt de
IX-10.133-21/25
verwerende partij dat het betrokken stuk een document betreft met een overzicht van de geplande overlegmomenten en opleidingen. Hiermee beoogde de verwerende partij naar eigen zeggen aan te tonen dat er voldoende overlegmomenten waren geweest met verzoekster, als reactie op verzoeksters ontkenning daarvan in haar eerdere verweerschrift voor de geplande zitting van 19 mei 2022.
44. Volgens verzoekster had dit stuk moeten worden geweerd, omdat zij er niet meer schriftelijk op had kunnen reageren. Dit stuk betreft evenwel geen informatie die verzoekster niet bekend was en verzoekster beweert dit ook niet. Het betreft immers een lijst met data van opleidingen, van stagebegeleiding door haar stagebegeleider/functionele chef, artsenbriefingen, onthaaldagen, individueel overleg met de stagebegeleider met betrekking tot een specifiek dossier, gegroepeerd per maand vanaf mei 2021 tot en met maart 2022, tijdens haar stageperiode. Al deze geagendeerde afspraken hebben op verzoekster persoonlijk betrekking, zodat zij ervan kennis moet hebben gehad.
Voorts blijkt uit het verweerschrift dat verzoekster heeft ingediend met het oog op de hoorzitting van de beroepscommissie dat de problematiek van het beweerde gebrek aan begeleiding en het gebrek aan opmerkingen over haar functioneren daarin aan bod is gekomen. Zij heeft die grief, in het kader waarvan de verwerende partij nadien het document neerlegde, dus duidelijk kunnen aanbrengen en uiteenzetten voor de beroepscommissie, die haar standpunt ter zake kende.
Verzoekster beweert ook niet dat zij voor de beroepscommissie niet meer heeft kunnen reageren: zij hekelt enkel een gebrek aan schriftelijk verweer wat de uiteindelijke hoorzitting van 16 juni 2022 betreft.
Ten slotte voert verzoekster thans niet aan dat het stuk onjuiste informatie bevat, die zij zeker (schriftelijk) had moeten kunnen weerleggen
IX-10.133-22/25
alvorens de bestreden beslissing werd genomen. In de memorie van wederantwoord gaat zij op het verweer in de memorie van antwoord overigens niet verder in.
45. Verzoekster werd aldus niet in haar belangen geschaad.
46. Wat betreft het tweede onderdeel, brengt verzoekster de opname (een geluidsopname volgens het verzoekschrift, een videogesprek volgens het verweerschrift voor de beroepscommissie) van het derde functioneringsgesprek en de beweerdelijk positievere houding van de evaluator niet in verband met de grieven in haar verweerschrift noch zet zij uiteen op welke wijze dit afbreuk kan doen aan de motieven van de bestreden beslissing.
47. Zonder te moeten nagaan of de opname rechtmatig is, moet worden vastgesteld dat verzoekster er aldus ook hier niet in slaagt aannemelijk te maken dat haar belangen zijn geschaad.
48. Het zesde middel kan niet tot de nietigverklaring leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 46 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
IX-10.133-23/25
IX-10.133-24/25
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.133-25/25

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.376

Gerelateerde publicatie(s)

voorafgegaan door:

ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.174

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.376

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.