ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550 Rolnummer: A. 242666/X-18938 Zaak: Arrest 261550 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 28/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-03 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-03 16:42 Fiche Arrest nr 261.550 van 28...
11 min de lecture · 2 374 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 28 november 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550
Rolnummer:
A. 242666/X-18938
Zaak:
Arrest 261550 – Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) – 28/11/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-12-03
Raadplegingen:
102 – laatst gezien 2026-06-03 16:42
Fiche
Arrest nr 261.550 van 28 november 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Varia (ruimtelijke ordening,
stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550 no lien 280241 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 261.550 van 28 november 2024
in de zaak A. 242.666/VII-42.613
In zake: 1. S.V.
2. R.B.
3. de VOF GYPROCWERKEN B.
4. de VZW VOLTIGECLUB MALLE
die woonplaats kiezen te
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leen Vanbrabant kantoor houdend te 1000 Brussel Jan Jacobsplein 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 5 augustus 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 24 mei 2024 waarbij het beroep tegen de beslissing van de intergemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur van de gemeente Malle van 19 december 2023 houdende het opleggen van een bestuurlijke maatregel – een last onder dwangsom – wordt bevestigd “mits herformulering en aanpassing van de termijn”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
VII-42.613-1/8
Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 18 oktober 2024 een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 november 2024.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Eerste verzoekster, die in persoon verschijnt, en advocaat Leen Vanbrabant, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. In een aanvankelijk proces-verbaal van 22 december 2022
worden de volgende feiten vastgesteld met betrekking tot een terrein gelegen te Malle:
“In de achtertuin van perceelnummer 192 P2 staat een constructie die gebruikt wordt om paarden in te stallen. Het bijgebouw heeft afmetingen:
22.2 m x 4.1 m. De breedte (4.1 m) werd gemeten van gevel tot gevel. De hoogte van de overstekende, platte dakconstructie bedraagt 3.6 m vooraan en 3 m achteraan. Oppervlakte: 91 m². Dit bijgebouw staat op een afstand van 2.3 m tot de perceelsgrens met perceel 193 F4, gekenmerkt door een draadafsluiting.
Achter dit bijgebouw staat een aanpalende constructie. Constructie 1 wordt gebruikt in functie van de paarden, heeft afmetingen: 2.7 m x 4.1 m.
Oppervlakte: 11.1 m². Hoogte van het platte dak: 2.6 m.
Totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 102.1 m². Het betreft het herbouwen, verbouwen, uitbreiden van bestaande constructies, aangezien de huidige bijgebouwen afwijken van de vorige toestand […].
Op perceel 192 P2 werd een paardrijpiste aangelegd met zand. Deze buitenpiste heeft afmetingen: 37.8 m x 20 m. Oppervlakte: 756 m². De piste ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550 VII-42.613-2/8
ligt op l m afstand van de perceelsgrens met perceelnummer 192 Z2, gekenmerkt door een dubbele draadafsluiting.
Op het moment van vaststelling worden er geen voltige-activiteiten uitgeoefend op het terrein. Op de facebookpagina van VOLTIGECLUB
Malle kan worden vastgesteld dat er kampen / recreatieve activiteiten plaatsvinden op het perceel.”
Dit proces-verbaal vermeldt voorts:
“Tijdstip van het misdrijf Het misdrijf is voltooid.
Het misdrijf is gepleegd in de periode voorjaar 2020 – voorjaar 2021 wat de paardenstallen/bijgebouwen betreft. De paardrijpiste werd aangelegd in de periode tussen april 2020 en april 2021. De voltigeclub werd op 07.07.2020
opgericht op het betreffende adres. De activiteiten zijn gestart na juli 2020.
De vereniging heeft o.a. als activiteiten: het aanleren en trainen van de voltigesport en het organiseren van voltige-kampen voor kinderen.
Evaluatie van de impact van het misdrijf op de goede ruimtelijke ordening:
VCRO art. 4.3.1 § 2
De paardrijpiste en bijgebouwen voor het stallen van paarden, alsook de uitbating, zijn niet verenigbaar met de bestemming: agrarische gebied.
Bovendien resulteert het mestopslag van de paarden voor geurhinder in de onmiddellijke omgeving. De activiteiten van de VOLTIGECLUB die georganiseerd worden op het perceel geven mobiliteitshinder en lawaaihinder voor de buurt.”
3.2. Met een brief van 25 augustus 2023 deelt de intergemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur aan de verzoekende partijen het voornemen mee om een bestuurlijke maatregel met dwangsom op te leggen die strekt tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. In de brief wordt gewezen op de mogelijkheid om inzage te nemen van de stukken waarop het voornemen gebaseerd is, om schriftelijk verweer over te maken, en om te vragen daaromtrent te worden gehoord.
3.3. Op 19 december 2023 legt de intergemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur de volgende bestuurlijke maatregel op:
“het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door:
Het verwijderen van de bijgebouwen en de paardenpiste. De paardenpiste dient opnieuw te worden aangelegd met grondgebonden groen.
Het stopzetten van alle recreatieve activiteiten en in het bijzonder de uitbating van de Voltigeclub.”
VII-42.613-3/8
Het herstel dient te gebeuren binnen zes maanden te rekenen vanaf de dag van betekening van de bestuurlijke maatregel tot herstel.
Bij gebrek aan tijdige en integrale uitvoering wordt, ten aanzien van iedere in het besluit geïdentificeerde overtreder, een dwangsom van driehonderd euro opgelegd per dag vertraging (voor het verwijderen van de bijgebouwen en de paardenpiste) en/of per inbreuk op de functie/bestemming (het stopzetten van alle recreatieve activiteiten).
3.4. Tegen voormelde beslissing stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering.
3.5. Met het thans bestreden besluit van 24 mei 2024 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het beroep ongegrond en bevestigt zij de opgelegde bestuurlijke maatregel “mits herformulering en aanpassing van de termijn”:
“Artikel 1
De volgende bestuurlijke maatregel, te weten last onder dwangsom, wordt bevolen aan:
[…]
Het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand door.
– Het verwijderen van alle bijgebouwen met een totale oppervlakte van ongeveer 102,10 m² volgens het proces-verbaal, inclusief de betonplaat en de funderingen, en de paardenpiste Het heraanleggen van grondgebonden groen op de plaats van de paardenpiste.
– Het stopzetten van alle recreatieve activiteiten en in het bijzonder de uitbating van de Voltigeclub.
Artikel 2 Uitvoeringstermijn Dit herstel dient te gebeuren binnen de 6 (zes) maanden te rekenen vanaf de dag van de betekening van deze bestuurlijke maatregel tot herstel, met uitzondering voor het aanplanten van het grondgebonden groen dat dient te gebeuren ten laatste tijdens het eerste plantseizoen volgend op de betekening van deze beslissing.
Overeenkomstig artikel 6.4.15 § 2 en artikel 6.4.9, § 1, eerste lid VCRO
brengen de overtreders de intergemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of bij gebreke hieraan de burgemeester onmiddellijk en bij aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregel.
Artikel 3 Dwangsom ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550 VII-42.613-4/8
Bij gebreke aan tijdige en integrale uitvoering van deze bestuurlijke maatregel zal een dwangsom verbeuren, overeenkomstig hetgeen bepaald is in artikel 6.4.14 VCRO.
Deze dwangsom bedraagt € 300 (driehonderd euro) per dag vertraging in de uitvoering van het verwijderen van de bijgebouwen, inclusief de betonplaat en de funderingen ervan, en de paardenpiste. Het herstel wordt pas als volledig beschouwd indien ook grondgebonden groen wordt heraangelegd op de plaats van de paardenpiste.
Bovendien zal een dwangsom van bijkomend € 300 (driehonderd euro)
verbeuren per vastgestelde recreatieve activiteit en uitbating van de Voltigeclub.
Overeenkomstig artikel 6.4.16, eerste lid VCRO kan de intergemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester de verbeurde dwangsommen, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen bij dwangbevel. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
[…]”
IV. Het niet verschijnen of vertegenwoordigd zijn van tweede verzoeker
4. Tweede verzoeker is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, ter terechtzitting niet verschenen en was er ook niet vertegenwoordigd.
Luidens artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ moet de vordering tot toekenning van de schorsing worden afgewezen wanneer “de eiser noch verschijnt noch vertegenwoordigd is”.
5. Op grond van deze procedurele vaststelling wordt de vordering tot schorsing afgewezen ten aanzien van tweede verzoeker.
V. Onderzoek van de vordering
6. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
VII-42.613-5/8
Spoedeisendheid
Uiteenzetting van de verzoekende partijen
7. Over het spoedeisend karakter van de vordering wordt in het verzoekschrift enkel vermeld dat het “[s]poedeisend belang te wijten [is] aan de immense buiten proportie opgelegde hoge dwangsom van 300 euro per dag per partij” en “een regularisatieaanvraag bij de gemeente ook enige tijd in beslag [neemt]”.
Beoordeling
8. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’.
Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een – voortdurende – tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.
VII-42.613-6/8
9. Met de aangehaalde zeer summiere uiteenzetting voldoen de verzoekende partijen niet aan de stelplicht om het spoedeisend karakter van de vordering aannemelijk te maken. Waar zij de nadruk leggen op “de immense buiten proportie opgelegde hoge dwangsom van 300 euro per dag per partij”, wordt vastgesteld dat deze zienswijze veeleer verband houdt met de proportionaliteit van de opgelegde last met dwangsom. Zonder nadere toelichting kan niet worden ingezien op welke wijze deze vermelding het spoedeisend karakter van de vordering zou kunnen onderbouwen.
10. Daarnaast geldt dat een financieel nadeel in beginsel de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid niet kan verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van het financiële nadeel op de situatie van een verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde.
Opdat een financieel nadeel de spoedeisendheid van de vordering zou kunnen aantonen is vereist dat een verzoekende partij concreet aannemelijk maakt dat zij de duur van de annulatieprocedure niet kan overbruggen zonder dat zij door de bestreden beslissing in een dermate precaire situatie terechtkomt dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kan worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure.
Op dit punt levert het verzoekschrift alleszins niet de noodzakelijke concrete beoordelingselementen aan.
11. Tot slot kan met betrekking tot het argument dat “een regularisatieaanvraag bij de gemeente ook enige tijd in beslag [neemt]”, worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift aangeven dat zij een architect hebben aangesteld om een aanvraag tot regularisatie in te dienen “voor de bijgebouwen” en dat het dossier “uiterlijk begin september 2024” zal worden ingediend. In het kader van de procedure die uiteindelijk heeft geleid tot de bestreden beslissing hebben de verzoekende partijen ter zake verklaard dat een regularisatieaanvraag in voorbereiding was die tegen “uiterlijk eind april 2024”
VII-42.613-7/8
zou worden ingediend. Uit dit feitenrelaas blijkt dat de verzoekende partijen klaarblijkelijk zelf dralen met het indienen van een regularisatieaanvraag, zodat de ingeroepen spoedeisendheid wordt aangewakkerd door het eigen verzuim.
12. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-42.613-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.550
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.574
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...