ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 Rolnummer: A. 239561/IX-10290 Zaak: Arrest 261748 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 13/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-16 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-02 23:46 Fiche Arrest nr...

Source officielle

41 min de lecture 8 912 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 13 december 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748

Rolnummer:

A. 239561/IX-10290

Zaak:

Arrest 261748 – Personeel van het onderwijs – Aanwerving en loopbaan – 13/12/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-12-16

Raadplegingen:

109 – laatst gezien 2026-06-02 23:46

Fiche

Arrest nr 261.748 van 13 december 2024 Openbaar ambt – Personeel van het
onderwijs – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 no lien 280497 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 261.748 van 13 december 2024
in de zaak A. 239.561/IX-10.290
In zake : T.T.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Impact bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 10 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van scholengroep Impact van het Gemeenschapsonderwijs van 5 juni 2023 waarbij de aan verzoeker toegekende negatieve beoordeling met het oog op het verwerven van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur wordt bevestigd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.
IX-10.290-1/30
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april 2024.
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Veerle Longrée, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wendy Depester heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is vanaf 1 september 2022 middels een tijdelijke aanstelling voor bepaalde duur (TABD) tewerkgesteld in het GO! technisch atheneum te Brugge, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Hij onderwijst het vak ‘gecijferdheid’ in het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN).
Verzoeker maakt gebruik van het aanvangsbegeleidingstraject dat door de scholengroep wordt aangeboden.
3.2. Op 18 oktober 2022 vindt een eerste lesbezoek door de aanvangsbegeleider aan de klas van verzoeker plaats. Bij de vraag ‘Wat loopt
IX-10.290-2/30
goed?’ staan twaalf punten vermeld. De vragen ‘Waar liggen nog groeikansen?
Waar wil je verder nog in groeien?’ leveren de volgende punten op:
“● Visualisatie van de kern van de les blijvend tonen zodat dit de leerlingen kan helpen bij de taalbarrière ● Activerende werkvormen blijvend en nog meer expliciet toepassen vb.
leerlingen in duo’s laten werken en aan elkaar uitleggen in het Nederlands.”
Als “volgende stap” wordt genoteerd:
“Lesobservatie plannen met focus op gebruik van een activerende werkvorm.”
3.3. Op 17 januari 2023 vindt een tweede lesbezoek plaats. Voor drie domeinen – ‘interactie, relatie’, ‘instructie en aanbod’ en ‘organisatie en klasmanagement’ – wordt beschreven wat “goed [loopt]” en “[w]aar […] nog groeikansen [liggen]”.
Voor ‘interactie, relatie’ wordt alleen aangegeven wat goed loopt; er worden geen groeikansen genoteerd.
Bij ‘instructie en aanbod’ worden zeven items aangehaald die goed lopen. Bij de groeikansen is te lezen:
“● Zijn de doelen van deze duidelijk voor de leerlingen? Schrijf je die soms op bord bij het begin van de les? Maak je in de les ook linken hiernaar?
● Activeer de leerlingen gerust nog wat meer om eens iets uit te leggen aan elkaar.”
Voor ‘organisatie en klasmanagement’ zijn drie elementen genoteerd die goed lopen. De volgende groeikansen worden aangehaald:
“De andere leerlingen die niet aan het eiland zitten, kiezen zij er bewust voor om alleen te werken of zouden zij ook liever eens hulp vragen aan een [medeleerling]?”
De “volgende stap” is:
IX-10.290-3/30
“Lesdoelen duidelijk benoemen en/of visueel tonen bij begin van les, focus volgend lesbezoek?”
3.4. De aanvangsbegeleider brengt een derde lesbezoek op 4 mei 2023. Acht punten worden aangehaald om te benoemen wat goed loopt. De groeikansen worden als volgt verwoord:
“● Misschien goed om de leerlingen aan de tafel ook te laten schrijven terwijl iemand aan het bord schrijft? [Z]o worden ze nog meer geactiveerd, kunnen ze misschien nog meer oefenen en deze notities kunnen ze dan ook gebruiken om te herhalen en te studeren… kan op die manier misschien tot meer leerwinst leiden?
● Kennen de leerlingen de wiskundetaal voldoende? Wiskundetaal:
termen, factoren, machten, teken, exponent, grondtal, de tafels, product, splitsen… Niet evident. Hebben ze hier ondersteunende visuele hulpmiddelen voor vb. een overzichtsblad?”
De “[v]olgende stap” luidt:
“In het korte nagesprek hoor ik dat je al wat verder had moeten zitten met de leerstof. Misschien duidelijke klemtonen en prioriteiten stellen voor de rest van het schooljaar zodat zeker de belangrijkste zaken nog aan bod kunnen komen.”
3.5. Op 16 mei 2023 vindt de beoordeling van verzoeker plaats met het oog op het verwerven van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD). Er wordt onder meer verwezen naar de drie lesobservaties, een intakegesprek en drie reflectiegesprekken over de lesobservaties. De beoordeling luidt als volgt:
“[Verzoeker] moet meer inzetten op een krachtige didactische leeromgeving, op niveau van de klasgroep, met maximale differentiatie, waarbij steeds SMART-doelen worden nagestreefd.
[Verzoeker] is niet stipt, zowel in het op tijd aanwezig zijn op school, in de klas en ook niet in het uitvoeren van verplichte professionele taken.
Verschillende deadlines voor het aanvullen van de jaarvorderingsplannen worden niet gerespecteerd. Jaarplannen zijn onvolledig aangevuld.
[Verzoeker] had bovendien problemen om de afgesproken deadlines te respecteren bij het indienen van punten en rapportcommentaren, als voorbereiding van de klassenraad.”
IX-10.290-4/30
De conclusie luidt dat verzoeker “niet [voldoet] voor het verwerven van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur”.
Volgende “tekortkomingen (= negatieve beoordeling)” worden aangehaald:
“● het creëren van een krachtige didactische leeromgeving ● het tempo van de lessen aan te passen aan het leerdersprofiel van de klassen.
● stipt zijn.
● het bijhouden en aanvullen van de jaarvorderingsplannen.
● het respecteren van de deadlines.”
Verzoeker dient hiertegen een bezwaar in bij de raad van bestuur van de scholengroep.
3.6. Verzoeker gehoord, beslist de raad van bestuur op 5 juni 2023
om de negatieve beoordeling te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:
“- Betreft de eerste evaluator:
Tot vorig schooljaar nam [TD], OKAN-coördinator, de rol van eerste evaluator op. Dit schooljaar kon dat niet meer omdat [TD] niet meer was aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt.
De eerste evaluator binnen OKAN werd om die reden veranderd naar [DK], coördinator Pedagogie.
Dit werd ook via dienstorder 9 dd. 25 11 2022 gecommuniceerd aan het OKAN-team.
De eerste evaluator baseert zich op basis van info die aangeleverd wordt door de OKAN-coördinator die instaat voor de dagdagelijkse aansturing van het team.
[DK] was omwille van vakbondsonderhandelingen over het vernieuwde evaluatietraject binnen KTA Brugge (onderhandelingen die liepen tot 22 mei 2023) ook nog niet actief opgetreden als eerste evaluator. Er werd afgesproken dat het formele luikje zich bij de eerste evaluator zou bevinden en het informele stuk zou bij de dagdagelijkse leidinggevende blijven.
[AVB] wordt de opvolger van [TD] en werkt zich nu in om deze job over te nemen. [AVB] staat momenteel in voor de praktische organisatie binnen OKAN. Hij heeft ook zicht op al dan niet functioneren van collega’s doordat hij vaak met hen in rechtstreekse aanraking komt.
[Verzoeker] meldt dat hij [DK] nooit heeft gezien. Op 21 december werden alle nieuwe collega’s nochtans uitgenodigd voor een pre-
xmasparty, voorafgaand aan het personeelsfeest. Het doel van deze bijeenkomst was om elk nieuw personeelslid kennis te laten maken met hun leidinggevenden. Hier had men de kans om kennis te maken met o.a.
de eerste evaluator, er werd speciaal tijd voor vrijgemaakt. [Verzoeker]
was hierop helaas niet aanwezig.
IX-10.290-5/30
– over de beoordeling TABD:
[Verzoeker] haalt argumenten aan in zijn verweer die doelen op de functiebeschrijving en de evaluatieprocedure binnen het GO!. Hier gaat het echter om een verweer tegen een TABD-beoordeling, niet om een verweer tegen een negatieve eindbeoordeling van een evaluatiecyclus.
De omzendbrief PERS/2019/03 ‘De tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en doorlopende duur in wervingsambten’ stelt geen vormvereisten aan hoe een TABD-beoordeling moet verlopen. Er wordt enkel vermeld dat dit het sluitstuk vormt van een traject van opvolging en coaching tijdens de beginperiode van de loopbaan – de aanvangsbegeleiding tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Nergens stelt PERS/2019/03
dat dit op een formele wijze dient te gebeuren – noch via de evaluatieprocedure. Integendeel, op het einde van PERS/2019/03 vindt men volgende alinea terug:
Naast de beoordeling blijft het instrument van evaluatie – net als voor alle personeelsleden – onverminderd van toepassing voor een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur (zie ook de omzendbrief Functiebeschrijving en evaluatie – PERS/2007/09 van 29/10/2007).
Eveneens valt in dezelfde omzendbrief het volgende te lezen:
De derde vorm van beoordeling die de eerste evaluator kan toekennen, is een negatieve beoordeling. De eerste evaluator is dan van mening dat het tijdelijke personeelslid niet voldoet voor een nieuwe aanstelling en ook niet in aanmerking komt om het recht op TADD te verwerven.
De TABD-beoordelingen voor de personeelsleden werden opgemaakt op datum van 16 mei. De overhandiging van deze documenten gebeurde naargelang de kans om deze personen in levende lijve nog te zien voor het verlengde weekend.
Betrokkene heeft op het moment zelf niet te kennen gegeven dat de datum niet correct was, hoewel hij eerst het document mocht nalezen vooraleer te tekenen voor kennisname.
[DK], de eerste evaluator, was op 16 en 17 mei niet aanwezig op school.
Hierdoor werden de documenten aan de dagelijks leidinggevende bezorgd, [TD], die de documenten aan de betrokken collega’s zou bezorgen.
De aanvangsbegeleider binnen OKAN, [SV], gaf in een gesprek dd. 01
juni 2023 mee met de personeelsdirecteur [VVE] dat zij als aanvangsbegeleider niet alle aspecten in kaart heeft kunnen brengen of daar een correct beeld van heeft. Het gaat hier om zaken als groepsdynamieken, teamspirit, toezichten, aandeel in de schoolwerking, professionele attitude naar collega’s toe, … Ze gaf mee dat ze op die vlakken ook vertrouwt op het eindoordeel van de leidinggevende in kwestie.
De aanvangsbegeleiding en lesbezoeken werden aangekondigd en zijn momentopnames, dit in tegenstelling tot dagdagelijkse ervaringen van de rechtstreeks leidinggevende, [TD], en zijn rechterhand, [AVB].
In zijn bezwaarschrift meldt betrokkene dat de personeelsdirecteur [VVE]
gezegd heeft dat er fouten zijn gemaakt tijdens het evalueren van personeelsleden. Dit werd echter niet zo geformuleerd volgens [VVE]. Ze heeft gesteld dat er kansen liggen eenmaal de evaluatiecyclus formeel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-6/30
terug kan worden opgestart. In datzelfde gesprek (dd. 22 mei) heeft ze geduid waarom de evaluatiecyclus nog niet kon worden opgestart. Er werd dus wel degelijk gemotiveerd. Op zijn vraag om een kopie van zijn evaluatiedossier te krijgen heeft de personeelsdirecteur gezegd dat ze dit zo vlug als mogelijk zou terugkoppelen eenmaal ze de eerste evaluator had aangesproken hierover. [DK] heeft dan op haar beurt via smartschool contact gehad met betrokkene waarbij ze meegaf dat hij inzagerecht heeft op zijn evaluatiedossier. Hij heeft hier geen reactie meer op gegeven.
De eerste evaluator gaf het volgende mee in haar verweer:
• [Verzoeker] leefde de deadline voor het tijdig invoeren van punten en rapportcommentaren PEl en PE2 niet voor alle klassen na, waardoor klasleraars niet het juiste beeld hadden om het klassenraadcommentaar voor te bereiden. Deze deadlines werden gecommuniceerd via dienstorder 3 en de OKAN-timingstabel.
• Evaluaties in het Skore puntenboek:
o PE1: meerdere klassen: slechts 2 evaluaties → in een systeem van permanente evaluatie resulteert dit in een niet-representatief beeld van de leerling.
o PE3: WIT/ZWART: slechts 1 evaluatie voor de volledige rapportperiode > in een systeem van permanente evaluatie resulteert dit in een niet-
representatief beeld van de leerling.
• Op Google Drive: enkel kopieën van dezelfde cursussen zijn terug te vinden in de verplicht te gebruiken digitale omgeving (cf.
afspraken meegedeeld tijdens de vergadering van 29/8). Geen aanpassingen meer sinds 8 maart, geen verschillen tussen de niveaugroepen, evaluaties niet terug te vinden.
• Jaarplannen onvolledig aangevuld: de deadlines voor het aanvullen van de jaarplannen zijn sinds de aanvang van het schooljaar opgenomen in de OKAN- en KTA-timingstabel.
o PE3 (deadline verstreken 17/4): alle deadlines zijn vanaf begin dit schooljaar opgenomen in de timingstabel.
§ OKER, VIOLET, WIT, ZWART: niet aangevuld sinds december § GOUD: enkel onderwerpen, geen lestijden en ontwikkelingsdoelen meer aangevuld § GRIJS: onvolledig § LILA: geen ontwikkelingsdoelen meer aangevuld – Betreft de coaching en begeleiding:
De eerste evaluator en de OKAN-coördinator melden dat alle starters, naast de aanvangsbegeleiding van A²B (aanvangsbegeleidingsteam SGR
impact) ook ondersteuning gekregen hebben van de vakgroepverantwoordelijken. Er zijn ook lesbezoeken geweest van [AVB], daar is feedback op geweest naar hen toe.
• Betrokkene volgde op 29/08 een uitgebreide infodag voor nieuwe leerkrachten met uitleg over werking, vakken, enz.
• Betrokkene kreeg instructievideo’s rond jaarplannen, klassenraadcommentaren, rapporten voorbereiden/Skore specifiek voor OKAN.”
IX-10.290-7/30
IX-10.290-8/30
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder schending van het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidbeginsel en in het bijzonder de feitenvinding en de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en de formelemotiveringsplicht”.
Verzoeker betoogt dat in de bestreden beslissing staat vermeld dat er lesbezoeken door AVB hebben plaatsgevonden en dat verzoeker daarop feedback zou hebben gekregen. Verzoeker betwist dat hij een lesbezoek heeft gehad van AVB en nog meer dat hij enige feedback daarover zou hebben gekregen. De bestreden beslissing laat na te vermelden wanneer deze lesbezoeken zouden hebben plaatsgevonden – de verwerende partij zal, aldus verzoeker, “hierin ook niet lukken, omdat er geen zijn geweest”. De enige lesbezoeken die verzoeker heeft gekregen, werden uitgevoerd door SV.
Voorts doet verzoeker gelden dat in de bestreden beslissing geen antwoord wordt gegeven op de argumenten die hij in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd. Hij stelt “op een gedetailleerde wijze de argumentatie van de eerste evaluator” te hebben ontkracht. De bestreden beslissing antwoordt volgens hem daarop niet, minstens slechts “op een heel summiere wijze”.
Verzoeker voert aan dat hij voor de rapportcommentaren van de eerste periode uitstel heeft gekregen en de nieuwe deadline wel heeft gehaald.
Hij vraagt zich af waarom dat niet in de bestreden beslissing wordt vermeld.
Voorts argumenteert verzoeker dat voor het eerst wordt gesteld dat hij zijn cursussen sinds 8 maart 2023 niet meer heeft aangepast. Die bewering is volgens hem “niet juist en niet bewezen”. Hij heeft deze wel degelijk na de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-9/30
voormelde datum nog aangepast en extra oefeningen voorzien op het platform.
Als dat zo belangrijk is, waarom werd hij daarin dan niet begeleid of gecoacht, vraagt verzoeker zich af?
De verwijzing naar een uitnodiging voor een “pre-xmasparty”
om kennis te maken met zijn eerste evaluator, vindt verzoeker “nietszeggend”.
Hij geeft aan dat hij niet aanwezig kon zijn en dat zulks ook geen verplichting was. Het is voorts een “informele setting” en daarin kunnen geen “formele ontmoetingen” worden georganiseerd. Alleszins werd in de uitnodiging niet aangekondigd dat dit een formele kennismaking met de eerste evaluator betekende.
Verzoeker haalt tot slot aan dat nooit een voorafgaand functioneringsgesprek werd gevoerd, zodat hij op geen enkel ogenblik enig idee had wat van hem werd verwacht.
5. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het middel, voor zover het steunt op de schending van de formelemotiveringsplicht, faalt. Vooreerst betoogt zij dat verzoeker voornamelijk kritiek uit op de motieven van de bestreden beslissing. Zij merkt daarbij op: “[o]fwel kent men de motivering en kan men er kritiek op uitoefenen, ofwel kent men de motivering niet.” Voorts doet de verwerende partij gelden dat verzoeker in zijn verzoekschrift – de plaats waar hij zulks behoort te doen – niet verduidelijkt welke beroepsargumenten hij in de bestreden beslissing niet weet beantwoord. De stelplicht die op verzoeker rust, verhindert volgens haar dat de Raad van State en zij dit zelf moeten uitzoeken. Zij wijst tot slot erop dat uit de formelemotiveringsplicht niet volgt dat het bestuur op alle grieven die de bestuurde aanvoert, een afzonderlijk en specifiek antwoord moet geven. Het volstaat dat uit de bestreden beslissing blijkt dat die grieven in overweging zijn genomen en waarom ze in globo niet konden overtuigen. In het kader van een georganiseerd administratief beroep vereist de formelemotiveringsplicht wel dat de beroepsinstantie in haar beslissing ingaat op de door de beroepsindiener aangevoerde argumenten die dermate wezenlijk zijn dat zij de motieven waarop
IX-10.290-10/30
de beroepen beslissing steunt, ontkrachten of minstens in een ander daglicht plaatsen.
De verwerende partij argumenteert dat verzoeker wel betwist dat AVB hem lesbezoeken heeft gebracht, maar wijst op een ondertekende verklaring van AVB waarin het tegendeel wordt gesteld. Zij voegt daaraan toe dat “[d]eze momenten […] niet dezelfde bedoeling [hebben] als de werkelijke lesbijwoningen, maar eenvoudigweg ontkennen dat ze er niet waren, gaat niet op”.
Voorts is het voor de verwerende partij niet duidelijk waarom de drie lesbezoeken door SV onvoldoende zouden zijn om de bestreden beslissing op te steunen, “temeer gelet op de afwezigheid wegens ziekte van verzoeker, waardoor de observatietijd werd ingekort”.
Het is volgens de verwerende partij niet de bedoeling om de leerkracht “in [elk] aspect van zijn taak” “bij de hand” te nemen. Van een leerkracht die “op de rand van toelating” tot een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur staat, mag een belangrijke mate van zelfstandig correct handelen worden verwacht.
Dat verzoeker uitstel heeft gekregen voor de deadline voor het invoeren van de rapportcommentaren voor periode 1, neemt volgens de verwerende partij niet weg dat de deadline niet werd gehaald.
Verzoeker laat, nog steeds volgens de verwerende partij, na om zijn bewering te staven dat hij na 8 maart 2023 zijn cursussen nog heeft aangepast en extra oefeningen heeft voorzien. Bovendien spreekt het administratief dossier zulks tegen, zo stelt zij.
Verzoeker erkent dat hij niet aanwezig was op de “pre X-mas party” die gericht was op de startende leerkrachten. Een reden hiervoor geeft hij volgens de verwerende partij niet. De naam van zijn eerste evaluator werd hem trouwens bij dienstnota van 25 november 2022 meegedeeld.
IX-10.290-11/30
Verzoeker is aangesteld in het ambt van leraar met een lesopdracht die hem duidelijk moet zijn. Dat verzoeker, zoals hij in zijn verzoekschrift aangeeft, geen idee had wat van hem werd verwacht, noemt de verwerende partij bevreemdend. Daarmee ontkent hij de bekwaamheid om een lesopdracht uit te voeren.
Waarom het vertrouwensbeginsel is geschonden, tot slot, zet verzoeker volgens de verwerende partij dan weer niet uiteen.
6. De memorie van wederantwoord van verzoeker leest als volgt:
“Na deze drie lesbezoeken [lees: door SV] kan verwerende partij blijkbaar in [de] memorie van antwoord stellen dat er een belangrijke pedagogische tekortkoming is. ‘Het didactisch falen en het onvoldoende ingaan op de nood aan differentiatie voor een dergelijk specifiek leerpubliek met een diverse onderwijs- en taalachtergrond.’ (p. 4 memorie van antwoord)
Dit concluderen uit het voorgaande geeft een blijk van onvermogen om correcte conclusies te trekken.
Verweerster vermeldt de groeikansen, namelijk dat verzoeker ‘visualisatie moet blijven tonen’ en ‘activerende werkvormen moet blijvend en expliciet toepassen’ (cfr. observatieverslag lesbezoek dd. 18 oktober 2022).
Hiermee wordt geenszins gesteld dat verzoeker didactisch zou falen noch dat verzoeker onvoldoende zou ingaan op de noden van het specifiek publiek. Meer nog: bij de positieve punten, die verweerder nalaat te vermelden, staat letterlijk (niet exhaustief):
● ‘je probeert leerlingen actief te betrekken, vb. aan het bord’, ● ‘je probeert de leerlingen te laten leren van elkaar door elkaar te helpen’, ● ‘je checkt of de leerlingen je begrepen hebben want dit is echt wel nodig’.
Dit zijn allemaal illustraties van goed lesgeven en een activerende didactische houding, die verweerster totaal blijft negeren.
De verbeterpunten melden enkel dat verzoeker blijvend moet inzetten op het activeren, wat impliceert dat verzoeker dat reeds doet en benadrukt dat verzoeker dat moet blijven doen. Dat bleek ook uit het gesprek dat verzoeker had met [SV] nadien.
De verwerende partij laat na deze correcte conclusie te trekken uit het aangehaalde materiaal.
Voorts blijkt uit de opsomming van de verbeterpunten uit het tweede lesbezoek dd. 17 januari 2023 dat verzoeker nog meer de lesdoelen moet duidelijk stellen en de leerlingen wat meer mag activeren, wat alweer geenszins inhoudt dat verzoeker dat niet doet. Alleen kan verzoeker er nog ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-12/30
meer op focussen. Bovendien staan bij dat lesbezoek volgende positieve punten opgesomd (wederom niet exhaustief):
● ‘je activeert de voorkennis en checkt ook doorheen de les de kennis van de leerlingen’, ● ‘je maakt de abstracte inhouden concreet door linken te leggen naar het dagelijkse leven’, ● ‘je probeert de leerlingen te activeren: ‘wie kan het eens uitleggen?’’, ● ‘je verduidelijkt het belang van de inhouden (en dus de leerdoelen) door te verwijzen naar hun mogelijke toekomstige studierichting…’, ● ‘je bouwt aan een aangenaam leerklimaat waarin de jongeren zin krijgen in wiskunde’, ● ‘de klassikale instructies worden afgewisseld met individueel autonoom oefeningen maken’ Hieruit kan alweer niet worden besloten dat verzoeker te weinig zou differentiëren, noch didactisch zou falen. Integendeel: verzoeker geeft op een gevarieerde manier les, met aandacht voor diverse activerende werkvormen. Bovendien zorgt verzoeker dat hij op een gedifferentieerde manier blijft werken door ervoor te zorgen dat ze door elkaar te helpen de leerstof begrijpen. Hoe kan op voormelde basis een conclusie worden verbonden dat verzoeker didactisch zou falen… Dit is eerder een bewijs dat verweerster een onvermogen heeft om correcte deducties te doen.
Uit het lesbezoek van 4 mei 2023 verwijst verzoeker naar de positieve punten (alweer niet exhaustief opgesomd):
● ‘je bent duidelijker in wat in de les aan bod zal komen:…’ een duidelijke illustratie van het benoemen van de lesdoelen.
● ‘je beklemtoont echt het begrijpen en hoe je tot een oplossing komt’:
alweer een bewijs van didactische kwaliteit i.p.v. falen ● ‘je bent duidelijker in afspraken…’ wat alweer een positieve evolutie inhoudt en geenszins kan leiden tot de foute deductie van de verweerster.
De groeikansen vermelden enkel een variatie in activerende werkvorm:
‘Misschien goed om de leerlingen aan tafel ook te laten schrijven terwijl iemand aan het bord schrijft?’ met het oog op behalen van nog meer leerwinst.
Uit dit alles blijkt geenszins een onvermogen om les te geven en dat de verbeterpunten enkel vermelden wat verzoeker nog meer dien[t] te doen;
ze vermelden niet dat verzoeker nalaat dingen te doen. Bovendien zorgt verzoeker voor differentiatie door erover te waken dat iedereen kan meevolgen, hetzij door aan elkaar uit te leggen, hetzij door zelf in te zetten op het begrijpen van de leerstof. Dit binnen een context van een aangenaam klasklimaat, waarbij verzoeker de jongeren weet te motiveren voor wiskunde en erin slaagt hen consequent Nederlands te doen spreken.
Verzoeker zorgt bovendien voor structuur in de les door middel van terugblikken en vooruitblikken en uit de positieve punten (die verweerster handig weglaat in haar betoog) blijkt dat er ook gewag kan worden gemaakt van een positieve evolutie in, bijvoorbeeld, het benoemen van de lesdoelen. Ten slotte is uit de verslagen ook af te leiden dat er progressie is en bovendien wenst verzoeker eraan te herinneren dat […] een aanvangsbegeleiding een leertraject betreft: er wordt geenszins verwacht dat alles meteen perfect gaat.
IX-10.290-13/30
Verzoeker verwerpt vervolgens deze kortzichtige en onjuiste conclusie van de verweerster als zijnde een illustratie van een onvermogen om uit feitenmateriaal een objectieve conclusie te trekken, temeer door niet alle feiten in beschouwing te nemen en aldus op een eclectische manier tewerk te gaan.
Bijgevolg is de motivering gebaseerd op elementen die er niet zijn en dus impliceert dit eveneens een schending van de feitenvinding.
Anderzijds moet vastgesteld worden dat er geen antwoord (motivering)
wordt gegeven op de argumenten die verzoeker in zijn verzoekschrift heeft laten gelden aan de Raad van bestuur. Verzoeker heeft op een gedetailleerde wijze de argumentatie van de eerste evaluator ontkracht, maar de bestreden beslissing beantwoordt deze niet en/of op een heel summiere wijze.
Verweerster laat in haar memorie gelden dat verzoeker de deadline voor het tijdig invoeren van punten en rapportcommentaren Periode 1 en Periode 2 niet voor alle klassen na, waardoor klasleraars niet het juiste beeld hebben om de klassenraad voor te bereiden. Deze deadlines werden gecommuniceerd via dienstorder en de OKAN-timingstabel.
Verzoeker wijst er uitdrukkelijk op dat hij, voorafgaand aan het verstrijken van de deadline, [AVB] telefonisch heeft gecontacteerd met de mededeling dat hij – doordat het zijn eerste keer was dat hij voor alle leerlingen commentaren moest invoeren – zich heeft vergist qua tijdsinschatting en allicht de deadline niet ging halen. [AVB] heeft daarop gereageerd met de mededeling dat ‘het niet erg was’ en ‘hou het voor jezelf, maar die puntenlijsten worden eigenlijk niet afgesloten’ en ook nog ‘het is goed als je de punten tegen zaterdagavond invoert’.
Verzoeker had dus een nieuwe deadline gekregen en die wel degelijk gehaald.
Er wordt blijkbaar voor het eerst gesteld dat verzoeker zijn cursussen sedert 8 maart op Google Drive niet meer zou aangepast zijn.
Dit wordt enkel gestaafd met een schermafbeelding waaruit inderdaad blijkt dat de inhouden van de mappen waar de cursussen zich in bevonden niet meer werden gewijzigd. Echter, verweerster gaat er totaal aan voorbij dat er andere manieren zijn om te differentiëren: op Google Classroom heeft verzoeker extra oefeningen en uitlegvideo’s geplaatst om de leerstof op een ander manier aan te brengen. Verzoeker heeft bovendien de leerstof met talrijke voorbeelden aan het bord geïllustreerd en de leerlingen één voor één laten naar voren komen om ze oefeningen te laten oplossen. Indien ze het fout hadden, mochten de anderen zeggen waar het misliep en zorgde verzoeker ervoor dat de leerling in kwestie begreep waarom hij of zij die fout had gemaakt, wat dus een beter begrip van de lesinhoud illustreert. Dit is een zuivere illustratie van het wel degelijk toepassen van de principes van differentiëring. Alweer een conclusie van verweerster die onbezonnen werd genomen.
Verweerster stelt verder dat verzoeker […] veelvuldig te laat is voor de aanvang van zijn lessen, zonder dit te melden aan de personeelsdirecteur.
Hij wordt hierover aangesproken. Tevens wordt éénmaal een afwezigheid wegens ziekte niet gemeld, aldus verweerster.
Deze stelling is wederom niet gebaseerd op de waarheid: verzoeker is één enkele keer te laat geweest voor een aansluitende les, omdat hij van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-14/30
containers waar hij les had naar de OKAN-gebouwen moest om zijn klas op te halen. Dit gebeurde op 5 december 2022 en wordt weergeven in bewijsstuk ‘13overzichttelaat’. [AVB] heeft verzoeker toen om 09.20u opgebeld om te vragen waar hij bleef. Toen hij de telefoon beantwoordde, was hij reeds op de speelplaats aangekomen. Voorts worden verzoeker via bewijsstuk ‘13overzichttelaat’ afwezigheden aangewreven die er helemaal geen waren:
● 5 december 2022: ‘Niet aanwezig op de voorbereiding LBW; hierop aangesproken’ Dit betrof een afwezigheid op een vergadering voor een werkgroep waar verzoeker toen geen deel meer van uitmaakte, maar [TD] en [AVB] waren hiervan blijkbaar niet op de hoogte. Verzoeker heeft dit aangekaart bij de persoon die zijn plaats had ingenomen op de werkgroep en zij bevestigde dat ze die taak van verzoeker had overgenomen. Alweer een foute conclusie en onterechte opmerking.
● 15 mei 2023: ‘zwempak dochter’, met als extra bewijs een schermafbeelding van een bericht in de chatgroep waarin verzoeker om 08.27u duidelijk [vermeldt]: ‘alsnog net op tijd’. Verzoeker was om 08.20u op school en heeft dan eerst zijn leerlingen binnen gelaten en de afwezigheden opgenomen, waarna hij het bericht heeft verstuurd. (stuk 15
bundel verweerster) Op basis van een chatbericht kan ook geenszins worden besloten dat hij niet op tijd zou zijn geweest en dat is trouwens ook nooit bewezen.
Eén keer is verzoeker door een foutieve communicatie – waarvoor hij uitvoerig zijn excuses heeft aangeboden – een dag niet aanwezig geweest op het werk omdat zijn huisarts zijn ongeschiktheid had verlengd en hij had dat niet op een correcte manier gecommuniceerd. ‘Veelvuldig’, zoals de verweerster beweert, is weerom een foutieve woordkeuze en niet correct.
Verzoeker betwist nog steeds uitdrukkelijk dat er lesbezoeken zijn geweest van [AVB]. Voor de goede orde wordt een ondertekend geschrift van [AVB] toegevoegd als stuk 25, waarin het tegendeel wordt verklaard.
Deze momenten hebben niet dezelfde bedoeling als de werkelijke lesbijwoningen, maar eenvoudigweg ontkennen dat ze er niet waren, gaat niet op.
Verzoeker blijft uitdrukkelijk ontkennen dat er enige vorm van lesbezoek – met welke reden dan ook – is geweest van [AVB], noch dat er feedback daarover is geweest naar hem toe.
In het stuk uitgaande van verweerster wordt gemeld: ‘Bij deze bevestig ik formeel dat ik in het schooljaar 2022-2023 flitsbezoeken van logistieke of leerlingbegeleidende aard bracht aan de OKAN-klasgroepen tijdens lessen van [verzoeker].’ Dit is pertinent onwaar! Verzoeker nodigt [AVB] uit om effectief te bewijzen – en niet met een zinnetje op een post factum opgesteld nietszeggend briefje – dat hij bij verzoeker op lesbezoek is geweest en er bovendien feedback over heeft gegeven. Bovendien is het erg subjectief om op basis van één enkele verklaring – die, nogmaals, niet met de waarheid strookt – hem het voordeel van de twijfel te ontnemen.
Verweerster stelt verder dat verzoeker blijkbaar verwacht dat hij aangaande begeleiding en coaching voor elk aspect van zijn taak als ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-15/30
leerkracht bij de hand genomen moet worden. Dit is vanzelfsprekend niet de bedoeling, aldus verweerster.
Verzoeker heeft nergens in zijn verweer gesteld dat hij verwacht bij elk aspect bij de hand te moeten worden genomen. Hij verwacht wel een correcte behandeling en interpretatie van de feiten. Verzoeker nodigt verweerster uit om hun woorden met bewijzen te onderbouwen, want daarop loopt het meermaals mank…
Verweerster stelt in haar memorie: ‘Verzoeker is aangesteld in het ambt van leraar met een lesopdracht die hem duidelijk dient te zijn en waarvoor hij bekwaam geacht moet worden. Begeleiding is één zaak, maar stellen dat verzoeker op geen enkel ogenblik idee had wat van hem verwacht wordt, is de bekwaamheid ontkennen om een lesopdracht uit te voeren.’ Het ging in casu over het ontbreken van een verplicht functioneringsgesprek. Verzoeker stelt vast dat de verweerster zich van deze verplichting wil kwijten zonder gedegen uitleg. Het is aan de leidinggevenden en eerste evaluator om zich ervan te vergewissen dat verzoeker bekwaam genoeg is; als zij hun job niet naar behoren uitvoeren, dan moet verzoeker daarvoor niet verantwoordelijk worden gesteld.
Verzoeker heeft op geen enkel moment gesteld dat hij niet wist wat van hem werd verwacht en als dat toch zo zou zijn, dan is hiervan geen bewijs geleverd. Dit is alweer een onterechte deductie en een illustratie van de manier waarop in de memorie van antwoord met ‘feiten’ wordt omgegaan.
Het verwijzen naar het feit dat verzoeker uitgenodigd was op een pre-
xmasparty om kennis te laten maken met de eerste evaluator, is uiteraard een nietszeggend argument.
Verzoeker heeft geen reden opgegeven, maar voor zover verzoeker bekend, was daar ook geen verplichting toe. Het feestje was op zich ook niet verplicht en verzoeker kon niet aanwezig zijn omdat zijn vrouw toen diende te werken en verzoeker voor hun drie kinderen moest zorgen.
Verzoeker is van oordeel dat een feestje niet als officiële gelegenheid ter kennismaking kan worden aanschouwd, temeer daar dit geen formele setting betreft. Om dan achteraf koeltjes de bal in zijn kamp te leggen en te zeggen dat verzoeker tekortgeschoten is door hierop niet aanwezig te kunnen zijn, is echt wel van een betamelijk niveau.
Het is duidelijk dat verweerster haar beslissing niet op een zorgvuldige wijze heeft voorbereid. De beslissing steunt niet op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld en een nauwgezette belangenafweging zodat verweerster op basis van een afdoend en volledig onderzoek tot haar besluit kan komen.”
Beoordeling
7. Verzoeker voert onder meer de schending aan van het vertrouwensbeginsel.
Volgens dit beginsel van behoorlijk bestuur moet worden vermeden dat aan de rechtmatige verwachtingen die de burger uit het optreden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-16/30
van het bestuur put, wordt tekortgedaan. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. Opdat er van een schending van het vertrouwensbeginsel sprake kan zijn, moet een verzoekende partij minstens aannemelijk maken dat de verwerende partij bij haar een rechtmatig vertrouwen heeft gewekt.
Verzoeker brengt dit beginsel in de toelichting van het middel niet meer ter sprake. De Raad van State ziet evenmin spontaan in hoe dit beginsel op die toelichting kan worden betrokken.
In die mate is het middel onontvankelijk.
8.1. De bestreden beslissing is de in laatste aanleg genomen beslissing over de beoordeling van verzoeker, in de zin van artikel 21, § 3, tweede lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 (“rechtspositiedecreet”). Deze bepaling is opgenomen in ‘hoofdstuk III Wervingsambten’ van het rechtspositiedecreet.
Naar luid van deze bepaling kan de eerste evaluator van een personeelslid dat aan de in artikel 21, § 3, eerste lid, 1°, van het rechtspositiedecreet bepaalde voorwaarde inzake dienstanciënniteit voldoet, één van de volgende beoordelingen toekennen: een positieve beoordeling, een beoordeling met werkpunten of een negatieve beoordeling.
Aan verzoeker is met de bestreden beslissing – definitief – een negatieve beoordeling toegekend.
De mogelijkheid om een negatieve beoordeling toe te kennen –
wanneer de eerste evaluator oordeelt dat “het personeelslid niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven” – geldt “[o]nverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter” van het rechtspositiedecreet (artikel 21, § 3, zesde lid, van het rechtspositiedecreet). Dat
IX-10.290-17/30
‘hoofdstukVIIIter’ heeft betrekking op de ‘evaluatie’ van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs op wie het rechtspositiedecreet van toepassing is.
Die bewoordingen doen de Raad van State aannemen dat beide vormen van waardering van het functioneren van het personeelslid afzonderlijk van elkaar bestaan.
Dit kan ook worden afgeleid uit de redactie van artikel 21, § 3, negende lid, eerste streepje, van het rechtspositiedecreet waar weliswaar de brug tussen beoordeling en evaluatie wordt gemaakt en is te lezen, over een tijdelijk personeelslid waaraan al tweemaal een positieve beoordeling is onthouden:
“Als de eerste evaluator van dit personeelslid van mening is dat het personeelslid niet in aanmerking komt voor een nieuwe of verdere tijdelijke aanstelling, dan kan hij dit enkel doen via een evaluatie met eindconclusie onvoldoende, als vermeld in hoofdstuk VIIIter.”
8.2. Dat, zoals verzoeker in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd, “nooit een evaluatieprocedure [is] opgestart”, laat bijgevolg de beoordeling op grond van artikel 21 van het rechtspositiedecreet onverlet.
Bij de grieven die verzoeker ontleent aan de (niet-doorlopen)
evaluatieprocedure heeft hij derhalve geen belang.
8.3. Het door verzoeker aangevoerde gebrek aan coaching en begeleiding, in welk geval volgens de eigen regels van de verwerende partij “het personeelslid niet [kan] worden geëvalueerd”, houdt alleen verband met het ‘evaluatiegesprek’ en verzoeker verduidelijkt niet – laat staan dat hij aannemelijk maakt – dat die procedureregels inzake evaluatie ook kunnen worden betrokken op de beoordeling van een tijdelijk aangesteld personeelslid in de zin van artikel 21 van het rechtspositiedecreet.
Kritiek op het antwoord van de raad van bestuur op die grief –
onder meer dat “[e]r […] ook lesbezoeken [zijn] geweest van [AVB], daar is
IX-10.290-18/30
feedback op geweest naar hen toe” – kan dan evenmin aanleiding geven tot de vernietiging van de bestreden beslissing.
8.4. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk.
9. Hetzelfde geldt voor het argument dat er “nooit formeel een voorafgaand functioneringsgesprek” werd gevoerd, “zodat verzoeker op geen enkel ogenblik enig idee had wat van hem verwacht werd”. Daarmee knoopt verzoeker aan bij zijn bezwaar voor de raad van bestuur dat op de eerste evaluator de verplichting rust “geregeld functioneringsgesprekken” te houden met de personeelsleden en bijgevolg bij een evaluatiecyclus die, zoals gezien, te dezen niet aan de orde is – of zoals verzoeker het zelf stelt: “[b]ij mijn weten is er nooit een evaluatieprocedure opgestart.”
10. Anders dan de verwerende partij het ziet, licht verzoeker in zijn verzoekschrift wel toe in welke mate hij zijn beroepschrift “niet en/of op een heel summiere wijze” door de bestreden beslissing beantwoord acht. In dat verband verwijst hij naar de “nieuwe deadline” die hij had gekregen voor de rapportcommentaren van periode 1. Hij benadrukt ook dat hij “de cursussen weldegelijk [heeft] aangepast na 8 maart en extra oefeningen [heeft] voorzien op Google Classroom”. Hij bestempelt het argument van de uitnodiging voor de “pre-xmasparty” tot slot als “nietszeggend”.
Weliswaar wisselt verzoeker zijn kritiek nogal af. De ene keer meent hij dat zijn beroepschrift niet werd beantwoord; een andere keer neemt hij geen vrede met het antwoord van de raad van bestuur, wat dan als een onzorgvuldigheid bij de “feitenvinding” moet worden beschouwd.
Hierna wordt onderzocht of deze kritieken van verzoeker terecht zijn.
11.1. Een eerste verwijt van verzoeker heeft betrekking op de volgende passus in de bestreden beslissing:
IX-10.290-19/30
“[Verzoeker] leefde de deadline voor het tijdig invoeren van punten en rapportcommentaren PE1 en PE2 niet voor alle klassen na, waardoor klasleraars niet het juiste beeld hadden om het klassenraadcommentaar voor te bereiden. Deze deadlines werden gecommuniceerd via dienstorder 3 en de OKAN-timingstabel.”
11.2. Verzoeker brengt in zijn verzoekschrift daartegen in dat hij voor de rapportcommentaren van periode 1 uitstel heeft gekregen en dat hij de “nieuwe deadline” wel heeft gerespecteerd. Verzoeker heeft zulks ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift voor de raad van bestuur – “[i]k heb toen van [AVB] een nieuwe deadline gekregen, die ik wél heb gehaald”. Hij vraagt zich af “[w]aarom […] dit niet [wordt] vermeld in de bestreden beslissing”.
11.3. Verzoeker verliest uit het oog dat het halen van een “nieuwe deadline” het overschrijden van de oorspronkelijke niet ongedaan maakt.
Hij betwist voorts niet de conclusie die de raad van bestuur aan het niet-eerbiedigen van de oorspronkelijke deadline hecht, namelijk dat verzoeker daarmee de klasleraars heeft verhinderd om op grond van álle cijfers en commentaren een klassenraadcommentaar voor te bereiden.
Daarmee is er een afdoende antwoord gekomen op de vraag waarom het respecteren van de “nieuwe deadline” de raad van bestuur niet tot een ander oordeel heeft gebracht.
11.4. Overigens levert verzoeker in zijn verzoekschrift opvallend geen kritiek op de vaststelling van eenzelfde laattijdigheid voor periode 2.
11.5. In die mate faalt het middel.
12.1. Een tweede kritiek ziet op de volgende overwegingen in de bestreden beslissing:
“Op Google Drive: enkel kopieën van dezelfde cursussen zijn terug te vinden in de verplicht te gebruiken digitale omgeving (cf. afspraken meegedeeld tijdens de vergadering van 29/8). Geen aanpassingen meer ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-20/30
sinds 8 maart, geen verschillen tussen de niveaugroepen, evaluaties niet terug te vinden.”
12.2. Verzoeker vindt de “bewering” dat hij zijn cursussen na 8
maart 2023 niet meer heeft aangepast “niet juist en niet bewezen”. Hij betoogt dat hij de cursussen “weldegelijk” heeft aangepast na 8 maart 2023 en “extra oefeningen [heeft] voorzien op Google Classroom”.
In de memorie van wederantwoord geeft verzoeker aan dat uit een “schermafbeelding […] inderdaad blijkt dat de inhouden van de mappen waar de cursussen zich in bevonden niet meer werden gewijzigd”, maar dat de verwerende partij daarmee “totaal [eraan voorbijgaat] dat er andere manieren zijn om te differentiëren”. Daarbij verwijst hij opnieuw naar Google Classroom, extra oefeningen, “uitlegvideo’s” en voert hij aan de leerstof met “talrijke voorbeelden” aan het bord te hebben geïllustreerd en de leerlingen “één voor één”
vooraan in de klas de oefeningen te hebben laten oplossen.
12.3. Verzoeker betwist de deugdelijkheid van dit motief.
12.4. Waar hij in zijn verzoekschrift nog stellig verzekerde de cursussen “weldegelijk [te hebben] aangepast na 8 maart [2023]”, erkent verzoeker in de memorie van wederantwoord dat hij op Google Drive de cursussen niet heeft aangepast.
Dat is nochtans volgens de bestreden beslissing “de verplicht te gebruiken digitale omgeving (cf. afspraken meegedeeld tijdens de vergadering van 29/8)”. Zulks weerspreekt verzoeker niet. Derhalve moet worden geoordeeld dat hij met zekerheid “in tempore non suspecto” op het belang daarvan werd gewezen.
Dat verzoeker de cursussen in een andere digitale omgeving zou hebben aangepast is vooreerst niet relevant – want strookt niet met het voorschrift van het gebruik van Google Drive – en wordt door verzoeker voorts op geen enkele wijze aangetoond.
IX-10.290-21/30
12.5. Verzoeker brengt evenmin stukken bij waaruit blijkt dat hij “extra oefeningen en uitlegvideo’s” ter beschikking van de leerlingen heeft gesteld. Daargelaten dat verzoeker dit bijkomend lesmateriaal niet aan “de verplicht te gebruiken digitale omgeving” linkt, komt hij hoe dan ook niet verder dan een loutere bewering.
12.6. Verzoeker mag eveneens beweren dat hij in de klas wel differentiatie heeft doorgevoerd, daarmee komt hij niet tegemoet aan de kritiek in de bestreden beslissing dat in de cursussen “geen verschillen tussen de niveaugroepen” konden worden opgemerkt.
12.7. Dat op dezelfde digitale locatie “evaluaties niet [zijn] terug te vinden”, betwist verzoeker dan weer niet.
12.8. Verzoeker overtuigt bijgevolg niet ervan dat de raad van bestuur deze feiten niet in rechte en in feite mocht in aanmerking nemen.
13.1. In zijn bezwaarschrift voor de raad van bestuur heeft verzoeker nog aangevoerd wat volgt:
“Ik heb [DK] nooit gezien. Ik heb ook nooit een uitnodiging gekregen om op gesprek te komen om over mijn functioneren te praten. Hoe is zij dan in staat om van achter een bureau dingen over iemand neer te pennen en zichzelf voor te houden een objectieve beoordelaar te zijn?”
13.2. In de bestreden beslissing wordt erop gewezen dat “[o]p 21 december [2022] alle nieuwe collega’s nochtans [werden] uitgenodigd voor een pre-xmasparty, voorafgaand aan het personeelsfeest”, dat “[h]et doel van deze bijeenkomst was om elk nieuw personeelslid kennis te laten maken met hun leidinggevenden”, zodat verzoeker daar “de kans [had] om kennis te maken met o.a. de eerste evaluator”. Verzoeker was “helaas niet aanwezig”.
13.3. Verzoeker mag het argument “nietszeggend” noemen, het kan allerminst als een determinerend motief van de bestreden beslissing worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748 IX-10.290-22/30
beschouwd. Kritiek op overtollige motieven kan de nietigverklaring niet verantwoorden.
13.4. De kritiek van verzoeker houdt overigens wezenlijk in dat hij zich afvraagt hoe zijn eerste evaluator een objectieve beoordeling heeft kunnen schrijven, terwijl hij met haar nooit eerder contact had.
Op die grief laat de bestreden beslissing duidelijk verstaan dat “[AVB] momenteel [instaat] voor de praktische organisatie binnen OKAN” en “zicht [heeft] op al dan niet functioneren van collega’s doordat hij vaak met hen in rechtstreekse aanraking komt”. Ook wordt erop gewezen dat de aanvangsbegeleider te kennen heeft gegeven dat zij “niet alle aspecten in kaart heeft kunnen brengen of daar een correct beeld van heeft” – bedoeld worden “zaken als groepsdynamieken, teamspirit, toezichten, aandeel in de schoolwerking, professionele attitude naar collega’s toe, …” – en dat zij “vertrouwt op het eindoordeel van de leidinggevende in kwestie”. Die “rechtstreeks leidinggevende” is TD, samen met “zijn rechterhand”, AVB.
De vaststellingen die vervolgens in de bestreden beslissing worden gedaan, betwist verzoeker deels niet in zijn verzoekschrift, deels is zijn kritiek daarop hiervóór al weerlegd.
13.5. Ook in die mate faalt het middel.
14. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord nog uitvoerig ingaat op de begeleidingsverslagen van de lesbezoeken door de aanvangsbegeleider, om vervolgens op te merken dat daaruit niet kan worden besloten dat hij “te weinig zou differentiëren” of “didactisch zou falen”, maar dat integendeel blijkt dat er “progressie” is en dat “een aanvangsbegeleiding een leertraject betreft”, moet erop worden gewezen dat verzoeker die kritiek al in zijn inleidend verzoekschrift kon én dus moest opnemen. Anders dan verzoeker wil laten uitschijnen, betreffen het immers geen verwijten die hem plots in de memorie van antwoord voor de voeten worden geworpen. Ze komen al ter sprake
IX-10.290-23/30
in de oorspronkelijke beoordeling van 16 mei 2023. Deze pas in de memorie van wederantwoord betwisten, is dan ook laattijdig.
15. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord nog repliceert op het feit dat de verwerende partij “stelt […] dat [hij] […] veelvuldig te laat is voor de aanvang van zijn lessen, zonder dit te melden aan de personeelsdirecteur”, moet erop worden gewezen dat dit verwijt niet in de bestreden beslissing is betrokken.
Nu de bestreden beslissing niet erop steunt, kan verzoekers grief in dat verband evenmin de wettigheid van die beslissing in het gedrang brengen.
16. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
17. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel.
Verzoeker zet dat middel als volgt uiteen:
“Het is vaste rechtspraak dat een schending van het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel is geschonden indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Welnu, een tijdelijk personeelslid dat voor bepaalde duur wordt aangesteld, moet de nodige aanvangsbegeleiding krijgen en volgen. Dit moet er voor zorgen dat het startende personeelslid de kans krijgt te groeien in de job en zo de competenties die hij in de (leraren)opleiding
IX-10.290-24/30
heeft verworven verder te ontwikkelen in de dagdagelijkse klas- en schoolpraktijk en die waar nodig bij te sturen.
Het recht op en de plicht tot aanvangsbegeleiding geldt voor alle tijdelijke personeelsleden die een loopbaan in het onderwijs starten in een wervingsambt (een kleuteronderwijzer, een onderwijzer, een leraar, een administratief medewerker, een orthopedagoog, een logopedist, een psycho-pedagogisch consulent, een studiemeester-opvoeder, …).
De inrichtende macht draagt in eerste instantie zorg voor de feitelijke ontwikkeling en invulling van de aanvangsbegeleiding.
In casu was deze plicht tot aanvangsbegeleiding ruimschoots onvoldoende aanwezig.
Verzoeker heeft in de te beoordelen periode nooit enige negatieve feedback gekregen, zodat hij uiteraard niet in de mogelijkheid was om zijn houding en/of lesattitude te remediëren, indien dit noodzakelijk zou geweest zijn.
Verzoeker mocht er aldus rechtmatig op vertrouwen, dat bij gebreke aan formele opmerkingen omtrent zijn wijze van werken, dat er een gunstige beoordeling zou volgen.
Verzoeker verwijst ten overvloede naar de drie begeleidingsverslagen van de lesbezoeken, die uitermate positief waren voor verzoeker. (stukken 1, 2
en 3)
Op basis van deze stukken, kan er op geen enkele rechtmatige wijze afgeleid worden dat er een negatieve evaluatie zou volgen.
Bijgevolg is het vertrouwens- en redelijkheidsbeginsel geschonden.”
18. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker dat hij meerdere keren niet aanwezig was op een gesprek met zijn aanvangsbegeleider.
De eerste keer was hij wel op de afspraak, maar kon hij wegens een ander overleg niet blijven. De andere keer betrof het een afwezigheid wegens ziekte.
Vervolgens gaat verzoeker nader in op het motief met betrekking tot de evaluaties in het Skore-puntenboek. Hij verklaart het kleine aantal evaluaties door te wijzen op een “veelvuldig falen van de printers op school”, “het wegvallen van het internet” en het feit dat de leerlingen “naar één of andere activiteit moesten”. Verzoeker doet ook gelden dat er geen afspraken werden gemaakt met betrekking tot het aantal evaluaties. Volgens hem volstaan drie evaluaties per rapportperiode per lesgroep. In periode 3 is verzoeker ongeveer acht weken afwezig geweest. Daarmee heeft de verwerende partij geen rekening gehouden. Verzoeker heeft, op vraag van AVB, tijdens zijn ziekteverlof toch zijn punten en rapportcommentaren ingevuld. Dergelijke “positieve punten”
worden blijkbaar vergeten.
IX-10.290-25/30
Verzoeker noemt het voorts “inspiratieloos” dat de verwerende partij verwijst naar de niet-aanpassing van de cursussen. Hij meent deze kritiek te hebben “gecounterd”.
Wat de jaarplannen betreft, geeft verzoeker aan nooit te hebben tegengesproken dat hij deze niet of niet volledig heeft aangevuld. Hij doet nog gelden dat zijn lesuren werden “opgeofferd aan activiteiten zoals de interlevensbeschouwelijke weken (2), snuffelstages (2 weken per klas!) en allerlei andere activiteiten”.
Beoordeling
19. Blijkens de bestreden beslissing is aan verzoeker een negatieve beoordeling toegekend op grond van, samengevat, de volgende elementen: het voor een aantal klassen niet-tijdig invoeren van punten en rapportcommentaren voor de periodes 1 en 2; een beperkt aantal evaluaties voor de periodes 1 (twee evaluaties) en 3 (één evaluatie) wat resulteert in een niet-representatief beeld van de leerling; het niet-doorvoeren van aanpassingen sinds 8 maart 2023 in de cursussen in Google Drive; daarin geen verschillen aanbrengen tussen de niveaugroepen; het feit dat geen evaluaties in Google Drive terug te vinden zijn en het onvolledig aanvullen van de jaarplannen.
20.1. In de mate dat verzoeker die motieven die hij niet in het eerste middel ter sprake heeft gebracht, in de memorie van wederantwoord op hun deugdelijkheid betwist, moet hem worden tegengeworpen dat hij dat niet nuttig kan doen in het middel waarin hij de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert. Immers, een schending van het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de beslissing steunt op motieven die in feite juist zijn en in rechte relevant en dienstig.
20.2. Zoals gezien, heeft verzoeker met zijn eerste middel niet van de ondeugdelijkheid van de aldaar bekritiseerde motieven – de laattijdige invoering van punten en rapportcommentaren en de verwijten in verband met het gebruik van Google Drive – kunnen overtuigen.
IX-10.290-26/30
De andere motieven – te weinig evaluaties voor de periodes 1
en 3 en het onvolledig aanvullen van de jaarplannen – kan verzoeker in de memorie van wederantwoord niet meer op ontvankelijke wijze bekritiseren.
20.3. Voor de beoordeling van het middel wordt derhalve ervan uitgegaan dat de voormelde motieven deugdelijk zijn.
21. Verzoeker acht het redelijkheidsbeginsel geschonden, wezenlijk omdat de “plicht tot aanvangsbegeleiding ruimschoots onvoldoende aanwezig [was]” en omdat hij “nooit enige negatieve feedback [heeft] gekregen, zodat hij uiteraard niet in de mogelijkheid was om zijn houding en/of lesattitude te remediëren”.
22. In de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de deadlines voor het invullen van de punten en de rapportcommentaren “werden gecommuniceerd via dienstorder 3 en de OKAN-timingstabel”. Met betrekking tot het gebruik van Google Drive werden de “afspraken meegedeeld tijdens de vergadering van 29/8”. Wat de jaarplannen betreft, zijn de deadlines “sinds de aanvang van het schooljaar opgenomen in de OKAN- en KTA-timingstabel”.
Verzoeker maakt op geen enkele wijze inzichtelijk op welke wijze een tekortschieten van de aanvangsbegeleiding ten grondslag ligt aan zijn falen. Dat is voor de Raad van State ook allerminst spontaan zichtbaar, precies omdat de deadlines ruim op voorhand aan verzoeker bekend waren. Verzoeker betwist dat laatste alvast niet.
Hoe verzoeker daarover feedback wilde krijgen, laat zich evenmin evident begrijpen. Feedback veronderstelt dat een bepaalde taak is uitgevoerd, waarna die taak op de inhoud wordt beoordeeld met het oog op verbetering of bevordering van hetzelfde of een gelijkaardig proces in de toekomst. Te dezen wordt slechts vastgesteld dat de gevraagde taken niet werden uitgevoerd.
IX-10.290-27/30
23. Verzoeker geeft in de memorie van wederantwoord nog aan “[n]avraag” te hebben gedaan omtrent het aantal in te richten evaluaties per rapportperiode. Dat leverde hem naar eigen zeggen het antwoord op: “het aantal lesuren plus één.” Voor zijn lessen betekende dat drie evaluaties per rapportperiode.
Hoe de aanvangsbegeleiding of feedback daarover nog meer duidelijkheid kon bieden, licht verzoeker niet nader toe.
24. Verzoeker toont de schending van het redelijkheidsbeginsel niet aan.
25. Voor zover verzoeker meent dat uit de begeleidingsverslagen naar aanleiding van de lesbezoeken “op geen enkele rechtmatige wijze” een negatieve beoordeling kan worden afgeleid, moet erop worden gewezen dat de in de bestreden beslissing vermelde motieven geen betrekking hebben op elementen die bij die lesbezoeken aan bod zijn gekomen.
Verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat deze elementen daarin ter sprake hadden moeten zijn gebracht.
Ook een schending van het vertrouwensbeginsel toont verzoeker bijgevolg niet aan.
26. Aan het zorgvuldigheidsbeginsel geeft verzoeker geen eigen invulling. Het beginsel behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.
27. Het middel kan niet tot vernietiging leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
IX-10.290-28/30
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
IX-10.290-29/30
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien december tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.290-30/30

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.748

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.