ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.919
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.919 Rolnummer: A. 235542/IX-9998 Zaak: Arrest 261919 - O.C.M.W. - 08/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-14 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-05-23 11:10 Fiche Arrest nr 261.919 van 8 januari 2025 Sociale zaken...
22 min de lecture · 4 768 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 08 januari 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.919
Rolnummer:
A. 235542/IX-9998
Zaak:
Arrest 261919 – O.C.M.W. – 08/01/2025
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2025-01-14
Raadplegingen:
77 – laatst gezien 2026-05-23 11:10
Fiche
Arrest nr 261.919 van 8 januari 2025 Sociale zaken en volksgezondheid
– O.C.M.W. Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 261.919 van 8 januari 2025
in de zaak A. 235.542/IX-9998
In zake : de ALGEMENE CENTRALE DER OPENBARE DIENSTEN
woonplaats kiezend te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Martens kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 291
tegen :
het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK
WELZIJN VAN OOSTENDE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hans Plancke en Sietse Wils kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 24 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van Oostende van 30 augustus 2021, waarbij “het behoeftenonderzoek en de effectieve overdracht van de dienst Thuiszorg aan [de vzw] i-mens” worden goedgekeurd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 259.055 van 7 maart 2024 is het debat heropend en is de zaak opgeroepen op de openbare terechtzitting van 22 april 2024.
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-1/15
Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hans Plancke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 259.055 van 7 maart 2024.
IV. Tussenarrest nr. 259.055 van 7 maart 2024
4. In het voormelde tussenarrest heeft de Raad van State vastgesteld dat de bestreden beslissing de overdracht van de dienst Thuiszorg van de verwerende partij aan de vzw i-mens inhoudt en dat die overnemer niet de mogelijkheid had gekregen om in deze procedure tussen te komen. Om die reden werd het debat heropend.
Met een brief van 21 maart 2024 heeft de vzw i-mens aan de Raad van State ter kennis gebracht “niet te zullen tussenkomen”.
V. Onderzoek van het enige middel
Standpunt van de partijen
5. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2, § 1, 1°, en 9 van de wet van 19 december 1974 ‘tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-2/15
regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: de wet van 19 december 1974), van de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974
tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 augustus 1985) en van artikel 30
van het koninklijk besluit van 28 september 1984 ‘tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: het koninklijk besluit van 28 september 1984).
Verzoekster doet gelden dat artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 bepaalt dat de administratieve overheden de grondregelingen met betrekking tot het administratief statuut, de bezoldigingsregeling en de pensioenregeling van hun personeel slechts kunnen vaststellen na voorafgaande onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in de daartoe opgerichte comités. Deze onderhandelingsplicht maakt een substantieel vormvoorschrift uit.
De artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 leggen uit wat onder de term ‘grondregelingen’ moet worden begrepen.
Het bestreden besluit betekent volgens de verzoekende partij de beëindiging van het dienstverband tussen de verwerende partij en het personeel van de dienst Thuiszorg. Het houdt een wijziging van werkgever in. De regeling waarbij het dienstverband wordt beëindigd, houdt een grondregeling in, in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 en artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985. De overdracht van het personeel heeft een impact op onder andere het administratief statuut van het personeel.
Bijgevolg moest over de bestreden beslissing vooraf worden onderhandeld.
De verzoekende partij wijst erop dat de regelgeving – artikel 9
van de wet van 19 december 1974 en artikel 30 van het koninklijk besluit van 28
september 1984 – voorschrijft dat het resultaat van de gevoerde onderhandelingen uit een protocol moet blijken. Zij betoogt dat van een dergelijk protocol in
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-3/15
verband met de overdracht van de dienst Thuiszorg geen sprake is. Derhalve acht zij de voormelde substantiële vorm geschonden.
Volgens de verzoekende partij kwam de administrateur-
generaal van het Agentschap Binnenlands Bestuur in zijn nota aan de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur tot dezelfde conclusie. Hij wees in hoofdorde op de afwezig-heid van een decretale grondslag voor de overdracht van personeel naar de private sector, maar in ondergeschikte orde ook op de schending van de voormelde onderhandelingsplicht met de representatieve vakorganisaties. De bevoegde Vlaamse minister is ten onrechte – want zonder deugdelijke motieven –
van dit advies afgeweken.
6.1. In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij onder meer het belang van de verzoekende partij bij het middel.
De verwerende partij wijst erop dat voorafgaand aan het bestreden besluit de representatieve organisaties al sinds 2019 bij de voorgenomen overdracht van de dienst Thuiszorg werden betrokken. Dit blijkt uit de notulen van diverse bijzondere onderhandelingscomités en hoge overlegcomités. Deze vakorganisaties hadden dus kennis van het voornemen tot overdracht van de betrokken dienst en kenden de timing ervan. De verzoekende partij kan bijgevolg niet verschalkt zijn door het bestreden besluit.
De verwerende partij betoogt tevens dat de afvaardiging van de verzoekende partij op 16 september 2021 zelf heeft gevraagd om een onderhandeling te organiseren en heeft aangegeven dat een protocol moest worden gesloten. Daarbij werd echter niet aangegeven dat deze onderhandeling en het protocol voorafgaand aan het bestreden besluit moest worden georganiseerd. Dat was trouwens onmogelijk, aangezien ruim twee weken eerder het bestreden besluit al was aangenomen. Door pas achteraf om die onderhandeling te vragen, geeft de verzoekende partij zelf aan dat dit geen substantiële vormvoorwaarde uitmaakt die vooraf moest zijn vervuld.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-4/15
De verzoekende partij gaat volgens de verwerende partij ook eraan voorbij dat voorafgaand aan de datum van de eigenlijke overdracht van de betrokken dienst – 1 januari 2022 – wel degelijk nog onderhandelingen zijn gevoerd, die op 1 december 2021 zijn uitgemond in drie protocollen: één van niet-akkoord en twee van akkoord. De verwerende partij stelt in dat verband:
“Dit terwijl over de overdracht as such een protocol totaal niet nodig is en over de arbeidsvoorwaarden en de begeleidende maatregelen, in de mate dat een protocol al nodig zou zijn, op 1 december 2021 zelfs Protocollen van akkoord zijn afgesloten. De verzoekende partij is het dan ook minstens met de overdrachtsovereenkomst en garantie voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden alsook met de begeleidende maatregelen eens.”
6.2. De verwerende partij doet nog gelden dat de verzoekende partij niet uiteenzet waarin zij een schending van de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 gelegen ziet. Bij gebrek aan duidelijke uiteenzetting daarover acht de verwerende partij het middel in die mate onontvankelijk.
7.1. In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij met betrekking tot de exceptie over het belang bij het middel als volgt:
“De verwerende partij betwist verzoekers belang bij het door hem ingeroepen middel onder verwijzing naar het feit dat er op 1 december 2021 in het Bijzonder Onderhandelingscomité alsnog drie protocollen werden afgesloten […]:
– een eenparig Protocol van niet akkoord met betrekking tot de overdracht van de Dienst;
– een eenparig Protocol van akkoord over de onderhandelingen over de overdrachtsovereenkomst en garanties voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden, mits rekening te houden met de opmerkingen geformuleerd in de notulen van deze vergadering;
– een eenparig Protocol van akkoord met de voorgestelde begeleidende maatregelen.
Aangezien deze protocollen pas werden afgesloten nadat de bestreden beslissing op 30 augustus 2021 werd genomen, heeft de overheid daarvan op het moment van het nemen van de bestreden beslissing geen kennis kunnen nemen zodat het doel van de voorgeschreven onderhandelingsplicht géénszins werd bereikt.
Uit de vaste rechtspraak van Uw Raad volgt dat het niet voorleggen van het (ontwerp van) protocol [gelijk staat] met het niet-onderhandelen (RvS
8 januari 1991, nr. 36.183) en dat het doel van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-5/15
onderhandelingsprocedure slechts kan worden bereikt als het resultaat ervan – het protocol van akkoord of niet-akkoord – vaststaat en de beslissende organen van het bestuur daarvan kennis kunnen nemen en er rekening mee kunnen houden. (RvS 30 juni 2020, nr. 247.948).
De gevoerde post-factum onderhandelingen kunnen de vastgestelde schending van de onderhandelingsplicht dus geenszins goedmaken.
Geheel ten onrechte beklaagt de verwerende partij er zich over dat de vakorganisaties pas tijdens het Bijzonder Onderhandelingscomité van 16
september 2021 hebben gevraagd om de voorgeschreven onderhandelingen te organiseren met het oog op het afsluiten van een protocol van akkoord of niet-akkoord.
Op de verwerende partij rust immers ambtshalve de verplichting om de wettelijk voorziene onderhandelingen te voeren. Dit volgt duidelijk uit de tekst van artikel 2 van de Wet van 19 december 1974 waarin staat dat de bevoegde administratieve overheden slechts na onderhandeling een beslissing kunnen nemen zonder dat deze verplichting afhankelijk wordt gesteld van een voorafgaande vraag tot onderhandeling door de vakorganisaties.
Verzoeker beschikt bijgevolg wel degelijk over het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden beslissing op basis van het door hem ingeroepen middel te vorderen.”
7.2. Wat de grond van het middel betreft, parafraseert de verzoekende partij haar verzoekschrift.
8. De laatste memorie van de verzoekende partij leest als volgt:
“1. M.b.t de opgeworpen exceptie van onontvankelijk[heid] bij gebrek aan belang De Eerste auditeur wijst erop dat de voorgeschreven onderhandelingen niet werden gevoerd alvorens de determinerende beslissing werd genomen waaruit zij terecht afleidt dat verzoeker wel degelijk beschikt over het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden beslissing op basis van het door hem ingeroepen middel te vorderen.
De verwerende partij handhaaft de door haar opgeworpen exceptie waarbij zij benadrukt dat de bestreden beslissing geen materie zou bevatten waarover onderhandeld zou moeten worden met de representatieve vakorganisaties.
Verzoeker stelt vast dat de aldus ontwikkelde exceptie verband houdt met de grond van de zaak en om die reden niet tot de onontvankelijkheid van verzoekers annulatieberoep en het door hem ingeroepen middel kan leiden.
Verzoeker houdt staande dat hij over het rechtens vereiste belang beschikt om op te komen tegen de schending van haar syndicale prerogatieven via onderhavig annulatieberoep, zoals aanvaard door de Eerste auditeur.
2. M.b.t. de beweerde ongegrondheid van het ingeroepen middel
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-6/15
De verwerende partij stelt op pagina 22 van haar laatste memorie dat naar het werkelijke voorwerp van de bestreden beslissing moet worden gekeken om na te gaan of daarin maatregelen zijn opgenomen met een algemene draagwijdte die als een grondregel in de zin van artikel 3 van het KB van 29 augustus 1985 beschouwd moeten worden waarover onderhandeld had moeten worden met de representatieve vakorganisaties.
De verwerende partij neemt daarbij het standpunt in dat de bestreden beslissing louter beslissingen met individuele draagwijdte zou bevatten –
weze het voor een groot aantal personeelsleden – doch geen abstracte maatregelen met algemene draagwijdte.
Vervolgens geeft de verwerende partij onder randnummer 38 echter de hiernavolgende samenvatting van de situatie zoals die zich volgens haar in werkelijkheid heeft voorgedaan, waaruit net volgt dat de bestreden beslissing wel degelijk een abstracte en algemene maatregel bevat waarover onderhandeld had moeten worden:
‘Uit artikel 12.1 van de overdrachtsovereenkomst volgt dat enkel de arbeidsovereenkomsten van de overgenomen werknemers met ingang van 1 januari 2022 van het OCMW Oostende naar i-mens als nieuwe werkgever overgingen. De bestreden beslissing regelt dus niet de automatische overgang van personeelsleden. De personeelsleden moesten hier zelf een keuze maken. Het personeel dat niet wenst over te gaan, blijft in dienst van het OCMW.
Inderdaad, twee van de personeelsleden van het OCMW wensten niet naar i-mens over te gaan en zijn bijgevolg niet overgegaan maar gebleven en aangesteld in een andere dienst (stukken 25-
28).’ Verzoeker wil de aandacht vestigen op het feit dat de verwerende partij het voorgaande pas voor het eerst zo duidelijk stelt in haar laatste memorie (onder verwijzing naar nieuwe stukken 25 t.e.m. 28).
Verzoeker is van mening dat voormelde toelichting door de verwerende partij juist aantoont dat de bestreden beslissing wel degelijk een algemene maatregel inhoudt (en dus niet louter een veelvoud aan individuele maatregelen).
Via de bestreden beslissing werd immers een reglementair kader geschapen waarbij de personeelsleden van de dienst thuiszorg de mogelijkheid krijgen om over te gaan naar i-mens – hetgeen uiteraard de beëindiging van hun tewerkstelling bij het OCMW Oostende impliceert –
dan wel in dienst te blijven bij het OCMW Oostende bij een andere dienst.
Impliciet maar zeker houdt de bestreden beslissing dus de invoering in van een bijkomende mogelijkheid tot beëindiging van de tewerkstelling bij het OCMW Oostende waarover krachtens artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974, juncto artikel 3 van het koninklijk besluit van 29
augustus 1985 onderhandeld had moeten worden.
Verzoeker houdt dan ook staande dat het door haar ingeroepen middel ontvankelijk en gegrond is.”
Beoordeling
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-7/15
9. Het verwijt dat zij niet aangeeft in welke mate het bestreden besluit de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985
schendt, werd aan de verzoekende partij tegengeworpen door de verwerende partij in de memorie van antwoord en door de auditeur-verslaggeefster in haar verslag.
De verzoekende partij heeft dat gebrek in de daaropvolgende procedurestukken niet weersproken.
De Raad van State valt deze kritiek bij.
In die mate is het middel bijgevolg onontvankelijk.
10. Met artikel 1 van het bestreden besluit, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn van de verwerende partij het behoeftenonderzoek van 17
augustus 2021 goed en maakt hij zich de motivering ervan eigen. Hij duidt dat “[e]lk van de in het behoeftenonderzoek opgenomen motieven op zich […] dit besluit [schraagt]”.
In artikel 2 van het bestreden besluit neemt de raad voor maatschappelijk welzijn vervolgens kennis van “het beoordelingsverslag van de finale offertes van 17 augustus 2021 en maakt [hij] zich de motivering ervan eigen”. Op grond van dit verslag beslist de raad voor maatschappelijk welzijn dat “de Dienst Thuiszorg aan i-mens wordt overgedragen”.
Met artikel 3 van het bestreden besluit, tot slot, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn “het ontwerp van overeenkomst tot overdracht van de Dienst Thuiszorg goed” en wordt dit ontwerp “ter ondertekening aan de partijen voorgelegd”.
11. Nergens brengt de verzoekende partij het behoeftenonderzoek waarvan sprake in artikel 1 van het bestreden besluit, in verband met de grondregelingen waarover met haar voorafgaand aan enige beslissing moest worden onderhandeld.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-8/15
Het middel zoals het door de verzoekende partij is ontwikkeld, laat bijgevolg niet toe tot de onwettigheid van het bestreden besluit te concluderen in de mate dat de raad voor maatschappelijk welzijn het behoeftenonderzoek van 17 augustus 2021 goedkeurt.
12. Hetzelfde geldt voor artikel 2 van het bestreden besluit, voor zover de raad voor maatschappelijk welzijn daarin “kennisneemt” van het beoordelingsverslag over de offertes en zich “de motivering ervan eigen [maakt]”, daargelaten nog of het bestreden besluit in die mate als een administratieve rechtshandeling kan worden beschouwd.
13.1. Eveneens in artikel 2 van het bestreden besluit beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om de dienst Thuiszorg aan i-mens over te dragen.
13.2. Daarover – “[d]e beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn […] van 30 augustus 2021 tot goedkeuring van de overdracht van de Dienst Thuiszorg aan i-mens” – stelt de verzoekende partij dat ze “een beëindiging van het dienstverband tussen het OCMW Oostende en het personeel van de Dienst Thuiszorg” inhoudt – “[d]e werkgever van betrokken personeelsleden wordt immers gewijzigd”.
Zij brengt die beslissing uitdrukkelijk in verband met “[d]e regeling volgens welke het dienstverband kan worden beëindigd of onderbroken”, wat betekent dat zij de overdracht zelf beschouwt als een ‘grondregeling’ in de zin van artikel 2, § 1, 1°, a), van de wet van 19 december 1974, in samenhang gelezen met het koninklijk besluit van 29 augustus 1985, waarin de grondregelingen in de zin van het voormelde artikel 2, § 1, 1°, nader worden bepaald. Meer in het bijzonder refereert de verzoekende partij daarmee aan artikel 3, 14°, van dat koninklijk besluit.
13.3. Deze bepalingen luiden als volgt:
– Artikel 2, § 1, van de wet van 19 december 1974:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-9/15
“Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde administratieve overheden niet dan na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in de daartoe opgerichte comités vaststellen:
1° grondregelingen ter zake van:
a) het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;
b) de bezoldigingsregeling;
c) de pensioenregeling;
d) de betrekkingen met de vakorganisaties;
e) de organisatie van de sociale diensten.
De Koning wijst de grondregelingen aan, met opgaaf, hetzij van de daarin behandelde stof, hetzij van de daarin opgenomen bepalingen. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf.
De grondregelingen die de Koning ter uitvoering van de punten a), b) en c), van het eerste lid heeft bepaald en die alleen van toepassing zijn op de personeelsleden die onder statutaire regels vallen, zijn van overeenkomstige toepassing op de bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelsleden.
2° verordeningsbepalingen welke zij uitvaardigen, algemene maatregelen van inwendige orde en algemene richtlijnen, met het oog op de latere vaststelling van de personeelsformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk.
De Koning bepaalt wat onder organisatie van het werk dient te worden verstaan in de zin van deze wet. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf.”
– Artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985:
“Als grondregelingen in verband met het administratief statuut worden beschouwd, de regels tot vaststelling van:
1° de voorwaarden waaraan men moet voldoen om als personeelslid te worden aangeworven, tot de stage toegelaten of benoemd, met inbegrip van de deelnemingsvoorwaarden voor de eventueel eraan voorafgaande vergelijkende examens, examens of proeven en de regels volgens welke de examens worden georganiseerd en de examenprogramma’s worden vastgesteld;
2° de aard en de duur van het dienstverband waarin de personeelsleden staan;
3° de rechten en de plichten van de personeelsleden, de onverenigbaarheden en verbodsbepalingen, evenals de regeling inzake cumulaties met andere ambten, betrekkingen of bezigheden;
4° de tuchtregeling;
5° de maatregelen van orde;
6° de aansprakelijkheid van de personeelsleden;
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-10/15
7° de regeling inzake beoordeling, waardebepaling of enig ander gelijkwaardig rapport;
8° de bepaling, de indeling, de rangschikking en de gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies;
9° de regeling inzake overplaatsing, mobiliteit of enig andere vorm van wedertewerkstelling of beziging van de personeelsleden in andere overheidsdiensten dan die waartoe zij behoren, alsook de regeling van toepassing op personeelsleden die met een opdracht worden belast;
10° de anciënniteitsstelsels;
11° de regeling inzake bevordering, verandering van graad of verhoging in graad, bevordering door overgang naar het hoger niveau en enig ander stelsel van opbouw van de loopbaan, de overgang naar andere al dan niet gespecialiseerde functies, de uitoefening van een hoger ambt en voor het onderwijs, de regeling van de selectie;
12° de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden, met inbegrip van de regeling inzake vakantie, verlof of ter beschikkingstelling;
13° de regeling van de deeltijdse arbeid;
14° de regeling volgens welke het dienstverband van de personeelsleden kan worden beëindigd of volgens welke dat dienstverband kan worden onderbroken.”
In artikel 2, § 1, van de wet van 19 december 1974 is sprake van “grondregelingen”, “verordeningsbepalingen”, “algemene maatregelen van inwendige orde” en “algemene richtlijnen”. Uit het gebruik van deze terminologie volgt dat worden bedoeld de regelingen met een algemene draagwijdte die tot doel hebben voor een onbepaald aantal gevallen te gelden.
Zulks wordt ook in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29
augustus 1985 in herinnering gebracht:
“De wet van 19 december 1974 heeft enkel de procedures van onderhandeling en overleg willen opleggen voor maatregelen van algemene aard en niet voor beslissingen te nemen naar aanleiding van individuele toepassingsgevallen van die algemene reglementering.
Teneinde volledig uitsluitsel te geven over de objectieve aard van de aan de comités, in wier oprichting de wet van 19 december 1974 voorziet, voor te leggen maatregelen, heeft men in de inleidende zinsnede van de artikelen van het besluit waarin de grondregelingen worden aangeduid door aanwijzing van materies, gesteld dat het om ‘regels’ gaat en niet om individuele beslissingen.” (BS 2 oktober 1985, p. 14.252)
Ook uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 blijkt dat als grondregelingen in verband met het administratief statuut slechts worden beschouwd “de regels tot vaststelling” van zekere materies, wat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-11/15
erop wijst dat, om als onderhandelingsmaterie te worden beschouwd, het voorwerp waarover wordt beslist de nodige algemeenheid moet vertonen en niet mag terug te voeren zijn tot één of meer individuele beslissingen of een collectieve beslissing die tot identieke individuele handelingen te herleiden is.
13.4. De hiervóór aangehaalde bepalingen moeten bovendien restrictief worden geïnterpreteerd, aangezien verplichte, voorafgaande syndicale onderhandelingen een remmende werking hebben op de normale gelding van de wet van de veranderlijkheid die het bestuurlijk optreden beheerst.
13.5. De overdracht van de dienst Thuiszorg is te beschouwen als een maatregel van (re)organisatie van de diensten. De beoordeling van de opportuniteit daarvan berust uitsluitend bij het bestuur. Voor zover het bestreden besluit slechts de overdracht van de betrokken dienst tot voorwerp heeft, valt het niet binnen het toepassingsgebied van de voormelde bepalingen en moest daarover bijgevolg niet worden onderhandeld.
13.6. Om dezelfde reden overtuigt de verzoekende partij niet ervan dat er sprake is van een schending van artikel 9 van de wet van 19 december 1974
– over de “conclusies van iedere onderhandeling” die moeten worden “vermeld in een protocol” – en van artikel 30 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 – over de procedure van de totstandkoming van zo een protocol, op grond van het argument dat “geen protocol van onderhandeling over de overdracht van de Dienst Thuiszorg aan i-mens” voorligt.
13.7. In die mate is het middel niet gegrond.
14.1. De (re)organisatie of overdracht van een dienst is te onderscheiden van het uitwerken van de nadere regels die met een zodanige herschikking van de dienst gepaard gaan. In de mate dat deze regels ook een weerslag hebben op het vlak van het personeel, valt niet uit te sluiten dat deze als onderhandelingsmaterie moeten worden beschouwd. Dat zal, bijvoorbeeld, het geval zijn wanneer de overdracht gepaard gaat met wijzigingen aan de loon- en arbeidsvoorwaarden van het personeel.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-12/15
14.2. Of de overeenkomst tot overdracht van de dienst Thuiszorg –
meer bepaald artikel 12 en de daaraan gehechte bijlage 2 ‘Personeelsplan’ –
waaraan de raad voor maatschappelijk welzijn met artikel 3 van het bestreden besluit zijn goedkeuring hecht, zelf zodanige regels bevat, mag onbesproken blijven. Zelfs aangenomen dat dit het geval is, moet aan de verzoekende partij een belang bij het middel worden ontzegd.
14.3. Immers, op 1 december 2021 hebben de representatieve vakorganisaties, waaronder de verzoekende partij, met de verwerende partij een protocol van akkoord gesloten met de volgende strekking:
“Na onderhandeling ter zake gaan de vakorganisaties eenparig akkoord met de overdrachtsovereenkomst en garanties voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden mits rekening te houden met de opmerkingen geformuleerd in de notulen van deze vergadering en met het protocol van niet-akkoord met betrekking tot de overdracht van de dienst Thuiszorg.”
14.4. Zoals gezien, is de overdracht van de betrokken dienst geen onderhandelingsmaterie. Het voorbehoud in dat verband heeft, met andere woorden, geen enkele invloed op het “eenparig akkoord” met betrekking tot de overdrachtsovereenkomst zelf en de concrete impact ervan op het personeel.
14.5. Wanneer de verwerende partij in die omstandigheden het belang van de verzoekende partij bij haar middel betwist – “[d]e verzoekende partij is het dan ook minstens met de overdrachtsovereenkomst en garantie voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden alsook met de begeleidende maatregelen eens” – valt het deze laatste toe om te verduidelijken dát zij belang heeft bij het middel en waarin dat belang dan precies bestaat.
14.6. In haar memorie van wederantwoord brengt de verzoekende partij daartegen alleen in dat, omdat de “protocollen pas werden afgesloten nadat de bestreden beslissing […] werd genomen”, “de overheid daarvan op het moment van het nemen van de bestreden beslissing geen kennis [heeft] kunnen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-13/15
nemen zodat het doel van de voorgeschreven onderhandelingsplicht géénszins werd bereikt”.
14.7. Aldus maakt de verzoekende partij wel duidelijk waarin zij de schending van de door haar aangevoerde bepalingen gelegen ziet, maar maakt zij niet inzichtelijk hoe het niet-naleven van het door haar aangevoerde vormvereiste in de concrete omstandigheden van de zaak haar belangen en die van de personeelsleden die zij vertegenwoordigt, heeft geschaad.
De verzoekende partij beweert niet, laat staan dat zij aannemelijk maakt dat de onregelmatigheid die zij aanvoert ook enige invloed heeft gehad op de draagwijdte van het bestreden besluit, bijvoorbeeld, omdat haar onderhandelingspositie op die manier ernstig werd beknot. Integendeel, door zich – zij het nadat de besluitvormingsprocedure haar beslag heeft gehad – alsnog akkoord te verklaren met “de overdrachtsovereenkomst en garanties voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden”, weerspreekt zij die invloed, minstens dat van enige concrete benadeling sprake is.
Nu de verzoekende partij over de overdrachtsovereenkomst heeft kunnen onderhandelen en zij zich zonder (relevant) voorbehoud akkoord heeft verklaard met de aan het personeel geboden garanties, valt niet in te zien welk voordeel zij nog kan nastreven om, na een gebeurlijke nietigverklaring, alsnog over dezelfde voorwaarden opnieuw dezelfde onderhandelingen te mogen voeren, noch maakt zij inzichtelijk hoe zij het bestuur na zulke nieuwe onderhandelingen dan tot een andere beslissing zou willen zien komen.
14.8. In die mate is de verzoekende partij zonder belang bij het middel, wat tot de onontvankelijkheid ervan doet besluiten.
15. Het enige middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-14/15
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Geert Van Haegendoren
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.919 IX-9998-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.919
Gerelateerde publicatie(s)
voorafgegaan door:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.055
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...