Belgique ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1 Fiscal 28 avril 2026 N° ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1 NL

ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Gegevensbeschermingsautoriteit Rechterlijke beslissing van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1 Rolnummer: 95/2026 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-04-30 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-05-18 11:45 Fiche Beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om de voorliggende klacht te seponeren op grond van...

Source officielle

15 min de lecture 3 182 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Gegevensbeschermingsautoriteit

Rechterlijke beslissing van 28 april 2026

ECLI nr:

ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1

Rolnummer:

95/2026

Rechtsgebied:

Burgerlijk recht

Invoerdatum:

2026-04-30

Raadplegingen:

92 – laatst gezien 2026-05-18 11:45

Fiche

Beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging,
om de voorliggende klacht te seponeren op grond van artikel 95, § 1,
3° van de WOG.

UTU-thesaurus:

BURGERLIJK RECHT – PERSOONLIJKE LEVENSSFEER – Verwerking persoonsgegevens – Gegevensbeschermingsautoriteit (Commissie Bescherming Persoonlijke Levenssfeer)

Vrije woorden:

Het vermeende nalaten gevolg te geven aan het recht van inzage in het
psychosociaal verslag van een werknemer (DOS-2025-04014).

Wettelijke bepalingen:

Wet – 03-12-2017 – 95,§1,3° – 11
ELI link Pub nr 2017031916

Tekst van de beslissing

Geschillenkamer
Beslissing 95/2026 van 28 april 2026
Dossiernummer: DOS-2025-04014
Betreft: Het vermeende nalaten gevolg te geven aan het recht van inzage in het psychosociaal verslag van een werknemer
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals goedgekeurd door het Directiecomité op 25 april 2024 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 31 mei 2024;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”; en
De verweerder: Y, met maatschappelijke zetel te […] met ondernemingsnummer […], hierna “de verweerder”.
I. Feiten en procedure
1. Op 28 januari 2026 dient de klager een klacht in bij de GBA. De klacht heeft betrekking op het vermeende nalaten gevolg te geven aan het verzoek tot inzage in het psychosociaal verslag van een werknemer.
2. De klager zou gepest worden op het werk en wil daarvoor psychologisch begeleid worden.
Zijn werkgever doet hiervoor beroep op de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, aangeboden door de verweerder. De verweerder maakt gebruik van een externe partner (hierna “externe partner”), met maatschappelijke zetel in de Verenigde Staten van Amerika, in verband met het organiseren van enkele soorten van psychologische opvolging. De klager stelt dat hij door de externe partner werd opgebeld zonder zijn toestemming. Hierna dient de klager zijn verzoek in tot inzage van zijn persoonsgegevens en de uitoefening van het recht op rectificatie en verwijdering bij de verweerder.
Op 12 september 2025 stuurt de klager een e-mail naar de preventieadviseur psychosociale aspecten en naar de functionaris voor gegevensbescherming van de verweerder (hierna “DPO”) waarin hij kenbaar maakt dat hij ongewild is opgebeld door de externe partner van de verweerder, dat hij zijn recht van inzage wil uitoefenen en dat hij foute informatie wil laten rechtzetten.
Op 17 september 2025 stuurt de klager een e-mail naar de DPO waarbij hij nogmaals zijn klacht toelicht en verwijst naar de privacy policy van de verweerder. Daarin wordt kenbaar gemaakt dat de verweerder geen gegevens zou doorgeven naar landen buiten de EER, tenzij zo een doorgifte gepaard gaat met voldoende waarborgen op een equivalente bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene.
Op 18 september 2025 antwoordt de DPO dat er een menselijke fout heeft plaatsgevonden bij het aanmelden van de klager op het platform dat gebruikt wordt in verband met psychosociale hulp. Hierdoor werd het foute adres bij de contactgegevens van de klager geplaatst. Daarnaast geeft de DPO een eerste toelichting over welke gegevens gedeeld werden met de derde.
Op 19 september 2025 stuurt de DPO een e-mail naar de klager waarin hij verduidelijkt hoe de werkgever van de klager gebruik maakt van het Employee Assistance Program van de verweerder en hoe zij gebruik maken van een externe partner. Daarnaast vraagt de DPO op welke manier hij de opgevraagde gegevens kan bezorgen aan de klager en maakt hij duidelijk dat de persoonsgegevens die worden opgenomen in de documentatie bij de verweerder allemaal correct zijn.
Op 19 september 2025 antwoordt de klager dat hij de documenten per aangetekende post wil ontvangen en dat hij verder zijn recht op gegevenswissing wil uitoefenen.
Op 1 oktober 2025 stuurt de DPO een e-mail naar de klager met de boodschap dat het medisch dossier van de klager naar de door hem gekozen arts verstuurd zal worden.
Daarnaast meldt de DPO dat het recht op gegevenswissing niet kan worden uitgevoerd wegens de aard van de persoonsgegevens en het feit dat er een wettelijke bewaartermijn van toepassing is.
Op 1 oktober 2025 vraagt de klager nogmaals om de gegevens te ontvangen via aangetekende post. Daarnaast geeft de klager aan dat niet alle gegevens werden overhandigd aan de door hem gekozen arts.
Op 2 oktober 2025 antwoordt de DPO dat de modaliteiten van de zending van de persoonsgegevens niet zijn geschonden gezien de aanvraag op elektronische wijze is gebeurd en gezien het mogelijk zou zijn om een kopie te ontvangen van de gegevens bij de verweerder zelf.
Op 3 oktober 2025 worden de gegevens uit het psychosociaal dossier naar de klager verstuurd per e-mail.
Op 16 oktober 2025 stuurt de klager een verzoek tot bemiddeling naar de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA.
Op 15 december 2025 neemt de ELD contact op met de verweerder in verband met een verzoek van bemiddeling.
Op 20 december 2025 antwoordt de DPO op het verzoek van de ELD. Hierin stelt hij dat er gevolg werd gegeven aan de rechten van de klager binnen de voorziene termijn.
Op 7 januari 2026 stuurt de ELD het antwoord van de DPO naar de klager. Hierin wordt gesteld dat de rechten van de klager werden uitgeoefend en dat de bemiddeling afgesloten kan worden.
Op 11 januari 2026 geeft de klager aan bij de ELD dat er nog steeds geen gevolg is gegeven aan zijn verzoek tot inzage aangezien hij geen inzage heeft verkregen in alle documenten.
De klager stelt dat de bemiddeling niet succesvol is afgerond en stelt voor om een klacht in te dienen.
3. Op 13 februari wordt de klacht door de eerstelijnsdienst (ELD) ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG. De klager wordt hiervan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 61 van de WOG.
4. Op dezelfde dag wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de Geschillenkamer op grond van artikel 92, 1° van de WOG.
II. Motivering
5. Op basis van de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn, en op basis van de bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, § 1 WOG zijn toebedeeld, beslist de Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu gaat de Geschillenkamer over tot het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 95, § 1, 3° WOG, op basis van de hiernavolgende motivering.
6. Wanneer een klacht geseponeerd wordt, dient de Geschillenkamer haar beslissing trapsgewijs te motiveren1 en:
– een technisch sepot uit te spreken indien het dossier geen of niet voldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden, of indien er onvoldoende uitzicht bestaat op een veroordeling wegens een technische belemmering, waardoor zij niet tot een beslissing kan komen;
– of een beleidssepot uit te spreken, indien ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, de voortzetting van het onderzoek van het dossier niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de GBA, zoals gespecificeerd en toegelicht in het sepotbeleid van de Geschillenkamer 2.
7. In het voorliggend dossier gaat de Geschillenkamer over tot een seponering van de klacht, op grond van een opportuniteitssepot. Er ligt namelijk één motief aan de basis van de beslissing van de Geschillenkamer waarom zij het onwenselijk acht verder gevolg te geven aan het dossier en derhalve beslist niet over te gaan tot, inter alia, een behandeling ten gronde.
8. Vooreerst gaat de Geschillenkamer overeenkomstig haar sepotbeleid na of de ingediende klacht grieven bevat met een grote maatschappelijke en/of persoonlijke impact. Teneinde voorgaande te evalueren, baseert de Geschillenkamer zich op de criteria die de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten hanteren om verwerkingen met een “hoog risico” in de zin van artikel 35 AVG te identificeren.
9. In casu stelt de Geschillenkamer vast dat de betrokken verwerking waarop de klacht ingediend door de klager betrekking heeft prima facie niet kan worden ondergebracht in één van de gevallen opgesomd in artikel 35.3 AVG.3
10. Indien de criteria voor een grote maatschappelijke of persoonlijke impact niet van toepassing zijn, weegt de Geschillenkamer de persoonlijke impact van de omstandigheden van de klacht op de fundamentele rechten en vrijheden van de klager af tegen de efficiëntie van haar tussenkomst om te beslissen of zij het opportuun acht de klacht ten gronde te behandelen. Ondanks de mogelijke gevoelige aard van de persoonsgegevens oordeelt de Geschillenkamer dat een diepgaand onderzoek van de klacht niet evenredig zou zijn met de middelen die vereist zijn om de klacht te onderzoeken. 4
11. Alvorens de bespreking van de vermeende schendingen wordt de aard van de persoonsgegevens waarop deze klacht betrekking heeft gekaderd. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder optreedt als externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waardoor de door de verweerder en diens externe partners verleende diensten deel uitmaken van diensten met betrekking tot welzijn op het werk. 5
12. De Geschillenkamer stelt op basis van de klacht en de uitgebreide communicatie van de DPO vast dat de verweerder een wettelijke noodzaak zou hebben om de persoonsgegevens van de klager te verwerken, dat de klager inzage in zijn persoonsgegevens gehad zou hebben, dat verschillende misverstanden of menselijke fouten lijken rechtgezet te zijn en dat er ten tijde van de klacht een adequaatheidsbesluit bestond met de USA. Gezien de kans van slagen van de klacht acht de Geschillenkamer het niet opportuun om de feiten in de klacht diepgaand te onderzoeken en seponeert zij deze klacht op basis van een opportuniteitssepot.6
Betreffende de rechtmatigheid van de verwerking
13. De litigieuze verwerking kadert zich binnen het aanbieden en leveren van diensten van psychosociale hulp aan werknemers door een externe aanbieder. De werkgever van de klager maakt gebruik van de diensten van de verweerder in deze context, waardoor de verweerder in principe gebonden wordt door een wettelijke verplichting om deze psychosociale hulp aan te bieden wanneer een werknemer dit verzoekt. Bijgevolg stelt de verweerder dat hij de persoonsgegevens van de klager verwerkt om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op hem rust.7
14. Om te voldoen aan de wettelijke verplichting maakt de verweerder gebruik van een externe partner op organisatorisch vlak. Om deze samenwerking te laten verlopen zou de verweerder enkel de contactgegevens van de betrokkene naar deze externe partner doorsturen. De klager zou geen toestemming hebben gegeven om zijn persoonsgegevens naar een ontvanger buiten de EER door te sturen en hij stelt dat hij hier niet van op de hoogte was. De privacyverklaring van de verweerder verduidelijkt echter dat persoonsgegevens die naar derde landen worden gezonden op een gelijkaardige manier beschermd worden en dat de verwerking van deze gegevens altijd in lijn met de AVG gebeurt.8
15. Hieruit volgt dat de verwerking prima facie gebaseerd is op een wettelijke verplichting in verband met het aanbieden en leveren van diensten van psychosociale hulp door de verweerder.9 De potentiële toestemming of het intrekken van toestemming betreffende de doorgifte naar de externe partner heeft geen effect op de rechtmatigheid van de verwerking, gezien de verweerder geen gebruik lijkt te maken van de rechtmatigheidsgrond van artikel 6.1.a) AVG en het verplicht is om aan de hand van slechts één vooraf bepaalde grond te verwerken.10
Betreffende het recht van inzage
16. In casu worden twee elementen van het recht van inzage aangeklaagd:(i) er zou geen getrouwe kopie aan de klager ter beschikking zijn gesteld,11 en (ii) de verweerder zou geen gevolg geven hebben aan het verzoek van de klager tot zending van een getrouwe kopie per aangetekende post.
17. Ten eerste zou het recht op inzage onvolledig beantwoord zijn, gezien de verweerder geen getrouwe kopie van de psychosociale persoonsgegevens aan de klager ter beschikking zou hebben gesteld. De DPO heeft de klager echter ingelicht over het feit dat de verweerder gebonden zou zijn door een verbod op het integraal delen van deze persoonsgegevens met de betrokkene. De betrokkene zou geen toegang hebben tot de persoonsgegevens en de oorsprong van die gegevens die worden opgenomen in onder andere de documenten die verklaringen bevatten van personen die tijdens het psychosociale onderzoek werden gehoord gezien het verschaffen van deze documenten en verklaringen mogelijk een afbreuk zou kunnen doen aan de rechten en vrijheden van derden.12
18. Ten tweede zou er geen getrouwe kopie per aangetekende post aan de klager zijn bezorgd, nadat hij dit expliciet had verzocht. In principe mag een verwerkingsverantwoordelijke een kopie van persoonsgegevens via gangbare elektronische wijze verstrekken wanneer een betrokkene zijn verzoek elektronisch indient. Maar gezien de klager expliciet verkiest om een kopie per aangetekende post te ontvangen, zou de verweerder deze keuze in principe moeten respecteren.13
19. Artikel 12.1 AVG verduidelijkt dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen dient te nemen zodat hij een kopie van de persoonsgegevens aan de betrokkene kan verstrekken. De informatie dient schriftelijk en indien passend op elektronische wijze te worden bezorgd. In casu stelt de verweerder dat het passend is om een kopie van de persoonsgegevens van de klager extra te beveiligingen, gelet op hun gevoelig karakter. Het verzenden van gevoelige persoonsgegevens per aangetekende post, zou volgens de verweerder meer risicovol zijn dan wanneer deze gegevens per beveiligde mail worden verzonden. Gezien het verzenden van een kopie van persoonsgegevens ook als een verwerking wordt gezien waarvoor de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordelijk is, dient deze in te staan voor de beveiliging van deze gegevens tijdens het verzenden. 14 De verweerder acht het te risicovol om potentieel gevoelige persoonsgegevens per aangetekende post te zenden en zou daarom verkiezen om de gegevens per beveiligde mail te verstrekken en te voorzien dat de klager een papieren kopie kan verkrijgen in de lokalen van de verweerder zelf.
20. Aan de hand van het bijgevoegde bewijsmateriaal is hert voor de Geschillenkamer onmogelijkheid om vast te stellen dat het recht van inzage niet conform de AVG werd uitgevoerd zonder een diepgaand onderzoek; een zodanig onderzoek zou onevenredig zijn gelet op de middelen nodig om de klacht met betrekking op het recht van inzage diepgaand te onderzoeken.
Betreffende het recht op rectificatie
21. Een betrokkene heeft het recht om onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen.15 De klager stelt dat zijn adresgegevens verkeerd werden opgeslagen, gezien de externe partner naar een verkeerd adres verwees tijdens het contact met de klager. De verweerder verduidelijkt dat het foute adres werd doorgestuurd wegens een menselijke fout. Een medewerker van de verweerder zou per ongeluk haar eigen adres hebben ingegeven, waardoor de externe partner dit foute adres gebruikte. De verweerder stelt dat deze adresgegevens wel correct werden opgeslagen in het dossier van de klager zelf.
22. Aan de hand van het bijgevoegde bewijsmateriaal kan de Geschillenkamer niet vaststellen dat de verweerder het recht van rectificatie van de klager weigert uit te voeren, gezien het prima facie lijkt dat de onjuiste gegevens een eenmalige menselijke fout betreffen en dat de juiste gegevens opgeslagen zouden zijn.
Betreffende het recht op gegevenswissing
23. Een betrokkene heeft het recht om de wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht deze persoonsgegevens te wissen wanneer bepaalde gevallen van toepassing zijn. 16 De klager vraagt om zijn persoonsgegevens te wissen aangezien er sprake zou zijn van een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens. 17 De verweerder stelt evenwel dat zij wettelijk verplicht zou zijn om de persoonsgegevens voor een wettelijk bepaalde termijn te bewaren, wat als uitzondering op het recht van gegevenswissing zou gelden. 18
24. Aan de hand van het bijgevoegde bewijsmateriaal kan de Geschillenkamer prima facie niet vaststellen dat de verweerder inbreuk maakte op het recht op gegevenswissing, aangezien deze gebonden zou zijn aan een wettelijke bewaartermijn.
25. Gezien de verweerder de wettelijke verplichting zou hebben om de persoonsgegevens te verwerken in het kader van welzijn op het werk, de verweerder het recht van inzage prima facie heeft gerespecteerd, de uitvoering van recht op rectificatie niet meer noodzakelijk is gezien de persoonsgegevens juist opgeslagen zouden zijn en de verweerder gebonden lijkt te zijn door een wettelijke bewaartermijn, concludeert de Geschillenkamer dat er geen gevolg aan deze klacht kan worden gegeven, omdat zij aan de hand van het bijgevoegd bewijsmateriaal niet kan vaststellen dat er een schending van de AVG heeft plaatsgevonden en het diepgaand onderzoeken van deze klacht onevenredig lijkt gelet op de middelen ter beschikking van de Geschillenkamer. De Geschillenkamer beslist om geen gevolg te geven aan deze klacht omwille van een opportuniteitssepot.
III. Publicatie en mededeling van de beslissing
26. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de GBA. Het is daarentegen niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
27. Overeenkomstig haar sepotbeleid, zal de Geschillenkamer de beslissing aan de verweerder overmaken19. De Geschillenkamer heeft immers besloten om haar sepotbeslissingen ambtshalve ter kennis te brengen van verweerders. De Geschillenkamer ziet echter af van een dergelijke kennisgeving wanneer de klager om anonimiteit heeft verzocht ten opzichte van de verweerder en de kennisgeving van de beslissing aan de verweerder, zelfs indien deze gepseudonimiseerd is, het niettemin mogelijk maakt om de klager te (her)identificeren20. Dit is evenwel niet het geval in de onderhavige zaak.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om de voorliggende klacht te seponeren op grond van artikel 95, § 1, 3° van de WOG.
Beroep kan worden ingesteld tegen deze beslissing overeenkomstig artikel 108, § 1 van de WOG, binnen een termijn van 30 dagen na kennisgeving ervan, bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij. Een dergelijk beroep kan worden ingesteld door middel van een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van het Gerechtelijke Wetboek (Ger.W.) opgesomde vermeldingen dient te bevatten21.
Het verzoekschrift op tegenspraak moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.22, of via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
Om de klager in staat te stellen andere mogelijke rechtsmiddelen te overwegen, verwijst de Geschillenkamer de klager naar de toelichting in haar sepotbeleid.23
(Get). Hielke HIJMANS
Directeur van de Geschillenkamer

PDF document ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:GBAPD:2026:DEC.20260428.1

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.