ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.355

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.355 Rolnummer: A. 233929/XIV-38740 Zaak: Arrest 261355 - Varia (economische zaken) - 14/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-20 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-06-03 08:52 Fiche Arrest nr 261.355 van 14 november 2024...

Source officielle

25 min de lecture 5 366 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 14 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.355

Rolnummer:

A. 233929/XIV-38740

Zaak:

Arrest 261355 – Varia (economische zaken) – 14/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-11-20

Raadplegingen:

231 – laatst gezien 2026-06-03 08:52

Fiche

Arrest nr 261.355 van 14 november 2024 Economische zaken – Varia (economische
zaken) Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 261.355 van 14 november 2024
in de zaak A. é.929/XIV-38.740
In zake : de NV R.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Laurens De Brucker kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van “de minister bevoegd voor Economie van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 april 2021 inzake het dossier 2021-18177-921 over de aanvraag van de verzoekende partij van 19 april 2021 in de mate slechts een COVID-19 premie wordt toegekend van 16.500,00 euro in plaats van 54.000,00 euro dan wel de impliciete weigering van het toekennen van een COVID-19-premie van 54.000,00 euro”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 259.165 van 19 maart 2024 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.
XIV-38.740-1/18
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Patrik De Maeyer en Laurens De Brucker verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. In het tussenarrest nr. 259.165 van 19 maart 2024 worden de feiten uiteengezet. Er wordt naar verwezen.
XIV-38.740-2/18
IV. Rechtsmacht van de Raad van State
Exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht
4. In het hiervoor in punt 3 genoemde tussenarrest zijn ook de standpunten van de partijen weergegeven (cfr. de punten 4 en 5 van dat tussenarrest). Er wordt naar verwezen.
5. Hieraan dient nog toegevoegd dat de verzoekende partij in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag, wat de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht betreft, herhaalt – en zich daartoe ook beperkt – dat “[d]e Raad van State bevoegd [is] om kennis te nemen en uitspraak te doen over het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partij” en dat “de Raad van State over de vereiste rechtsmacht beschikt”. Daarnaast herhaalt zij ook dat het weinig ernstig is van de verwerende partij om de verzoekende partij te wijzen op de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State doch wanneer deze daarvan daadwerkelijk gebruik maakt, de rechtsmacht van de Raad van State uitgebreid te betwisten. Door de vermelding van die beroepsmogelijkheid in de bestreden beslissing, is de verzoekende partij misleid wat die beroepsmogelijkheid betreft zodat “in elk geval” de kosten van het voorliggende beroep, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de verwerende partij moeten worden gelegd.
6. Ook de verwerende partij blijft bij haar standpunt, met name dat de Raad van State niet over de nodige rechtsmacht beschikt.
Zij beklemtoont in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag dat het vaststaat dat de verwerende partij in het kader van de vaststelling van de premie in kwestie geenszins over een discretionaire bevoegdheid, maar wel over een gebonden bevoegdheid beschikt. Daarnaast volgt, zo stelt zij, “uit de lezing van het verzoekschrift, en meer bepaald de weergave van het enig middel, duidelijk dat de verzoekende partij enkel de vrijwaring van een subjectief recht in haar hoofde beoogt”. Zij wenst immers een hogere steunpremie
XIV-38.740-3/18
te bekomen dan deze die zij reeds heeft mogen ontvangen. Het enige middel is volledig gebaseerd op de regel van materieel recht in het kader waarvan het bestuur een gebonden bevoegdheid heeft en deze regel bepaalt het geschil inhoudelijk. De argumenten van de verzoekende partij met betrekking tot een vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel, die amper worden uitgewerkt, doen op geen enkele manier anders besluiten. Voorts benadrukt de verwerende partij dat de verzoekende partij in haar eerdere procedurestukken op geen enkele manier stelt dat de betrokken regelgeving niet zou kunnen worden toegepast omwille van een onwettigheid. Waar de verzoekende partij louter melding maakt van een vermeende schending van artikel 159 van de Grondwet, licht zij deze vermelding verder op geen enkele manier toe. Er kan bezwaarlijk worden gesteld dat de verzoekende partij effectief een middel neemt uit de vermeende schending van artikel 159 van de Grondwet. Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn dat een loutere vermelding van artikel 159 van de Grondwet, zonder enige toelichting of verdere uiteenzetting, steeds zou leiden tot de vaststelling dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Tot slot herhaalt de verwerende partij dat het gegeven dat zij in de bestreden beslissing verwijst naar de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State geen enkele invloed heeft op het onderzoek naar de rechtsmacht, waarvoor zij verwijst naar de hierna in punt 8
vermelde arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak.
Beoordeling
7. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.
XIV-38.740-4/18
De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass.
(verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N)
(ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8).
8. In het tussenarrest nr. 259.165 van 19 maart 2024 is gewezen op de arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 waarin de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak heeft bevestigd dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (i) een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (ii) het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers)
27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R.
Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th.
Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8).
Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418
(ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste
XIV-38.740-5/18
advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).
De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2).
Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass.
(verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9
(ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9) en van eerste advocaat-generaal R.
Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2) .
Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 (ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10) en C.06.0596.F
(ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11)). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een
XIV-38.740-6/18
discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9)
Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leidt ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat in de eerste plaats moet worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts echter moet bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering, en anders dan de verwerende partij dat ziet, eveneens acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi).
10. De omstandigheid daarentegen dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij o.m. heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, doet – en anders dus dan de verzoekende partij dat ziet – aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid heeft immers geen invloed op het onderzoek naar en de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daarvan niet afwijken.
XIV-38.740-7/18
A. Wat de eerste connexe voorwaarde (het petitum) betreft
11. In het eerdergenoemde tussenarrest nr. 259.165 van 19 maart 2024 heeft de Raad van State geoordeeld, wat het voorwerp van de vordering betreft, dat “de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren”, wat betekent dat de eerste connexe voorwaarde te dezen is vervuld.
12. In datzelfde arrest is nog geoordeeld dat in de mate de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog repliceert dat wanneer zij wordt uitgesloten van een premie van 54.000 euro enkel omdat zij gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid van een verlengd boekjaar, het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden en dat het vaststellen van die (beweerde)
schending niet betekent dat er sprake is van een geschil over subjectieve rechten, zij naar het door haar aangevoerde enige middel verwijst, wat evenwel de tweede connexe voorwaarde betreft.
Met het oog op de beoordeling van het al dan niet vervuld zijn van de tweede connexe voorwaarde werd bij het genoemde tussenarrest het debat heropend.
Hierna wordt derhalve – alvorens te kunnen besluiten of de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht kan worden ingewilligd – nog nagegaan of ook de tweede connexe voorwaarde is vervuld.
XIV-38.740-8/18
B. Wat de tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) betreft
B.1 Vooraf
13. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd.
Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen de verwerende partij, oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft.
Uit de hiervoor in punt 8 aangehaalde arresten van de algemene vergadering volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt.
14. Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt daarentegen mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen.
Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht.
15. Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de
XIV-38.740-9/18
schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht.
Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State.
B.2. Uiteenzetting van het enige annulatiemiddel (de causa petendi)
16. Te dezen voert de verzoekende partij in het verzoekschrift in een enig middel dat zij in twee middelonderdelen opsplitst en dat zij in de memorie van wederantwoord herneemt, een schending aan van de artikelen 28 en 30, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 3 mei 2018 ‘betreffende de steun voor de economische ontwikkeling van ondernemingen’ (hierna: de ordonnantie van 3 mei 2018), de artikelen 6 en 14 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 april 2021 ‘betreffende steun aan de ondernemingen van de sectoren van de discotheken, de restaurants en cafés en sommige van hun leveranciers, de evenementen, de cultuur het toerisme en de sport in het kader van de gezondheidscrisis COVID-19’ (hierna: het besluit van 15
april 2021), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel), de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materieelmotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en artikel 159 van de Grondwet (exceptie van onwettigheid).
In het eerste middelonderdeel van haar enige middel voert zij aan dat de artikelen 6 en 14 van het besluit van 15 april 2021 geen uitdrukkelijke uitzondering voorzien voor ondernemingen die – zoals de verzoekende partij – een
XIV-38.740-10/18
verlengd boekjaar hadden in 2019, hoewel een verlengd boekjaar hanteren een wettelijke mogelijkheid is voor de verzoekende partij die is opgericht op 12 april 2018. Volgens de verzoekende partij moet de verwerende partij die reglementaire bepalingen echter “niet louter toepassen in de interpretatie die zij voorstaat” doch moet deze daarbij in acht nemen of die interpretatie wel de toets naar de verenigbaarheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel kan doorstaan. Het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel worden geschonden in het geval de toepasselijke regelgeving een onderscheid zou maken tussen ondernemingen die verplicht zijn om een sociale balans neer te leggen, al dan niet een verlengd boekjaar hebben. Het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel worden eveneens geschonden in het geval de toepasselijke regelgeving een onderscheid zou maken tussen ondernemingen die verplicht zijn om een sociale balans neer te leggen en ondernemingen die daar niet toe verplicht zijn. Deze laatsten kunnen immers krachtens datzelfde artikel 6, laatste lid, een attest neerleggen van het sociaal secretariaat waaruit het gemiddeld aantal medewerkers in voltijdse equivalenten blijkt voor het jaar 2019. Het onderscheid berust aldus niet op een objectief criterium en staat minstens op geen enkele wijze in een redelijke verhouding tot de doelstelling van de steunmaatregelen en de daarbij gehanteerde criteria. De doelstelling is het ondersteunen van onder meer restaurants en het bieden van een grotere ondersteuning “naarmate het aantal personeelsleden dat in dienst zijn”. Volgens de verzoekende partij staat het voorts onbetwistbaar vast dat de cijfers “zo kunnen worden afgesplitst en worden gelezen dat er technisch gezien geen enkele onduidelijkheid kan bestaan dat voor het jaar 2019 meer dan 10
voltijdse equivalenten (VTE’s) aan de slag waren bij de verzoekende partij”. Deze cijfers kunnen evenmin worden gemanipuleerd. Het gaat om een sociale balans afgesloten op 31 december 2019 (of een eerdere datum). Nergens wordt een verlengd boekjaar uitgesloten. De verzoekende partij toont objectief en zonder mogelijkheid tot manipulatie aan dat zij in het jaar 2019 meer dan 10 voltijdse equivalenten aan personeel heeft tewerkgesteld. In dat geval, zo besluit de verzoekende partij, had zij aanspraak kunnen maken op de gevraagde 54.000 euro premie (in plaats van de toegekende 16.500 euro).
XIV-38.740-11/18
In het tweede middelonderdeel dat, aldus de verzoekende partij, “het eerste middelonderdeel herneemt”, voegt zij nog toe dat, indien geoordeeld wordt dat het toekennen van de gevraagde steun niet in overeenstemming zou zijn te brengen met de artikelen 6 en 14 van het besluit van 15 april 2021, deze artikelen bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten “omwille van de in het enige middel aangehaalde bepalingen en beginselen”. De verzoekende partij wordt in die lezing immers gediscrimineerd enkel omdat zij gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid van een verlengd boekjaar (op een ogenblik voorafgaand aan de totstandkoming van de regelgeving) terwijl uit de sociale balans van het verlengd boekjaar zonder enige twijfel blijkt dat zij, wat het jaar 2019 betreft, meer dan 10 voltijdse equivalenten aan personeel heeft tewerkgesteld. Er valt niet in te zien waarom zij de daarmee corresponderende premie niet zou toegekend krijgen. De voormelde artikelen 6 en 14 moeten buiten toepassing worden gelaten in zoverre ze zouden verhinderen dat in concreto wordt gekeken naar de sociale balans voor het boekjaar 2019 in het uitzonderlijke geval dat gebruik wordt gemaakt van een verlengd boekjaar.
Zij concludeert in haar verzoekschrift dat het eerste middel gegrond is hetgeen, zo stelt zij, “voor gevolg [heeft] dat de verwerende partij de toekenning van de premie van 54.000 euro aan de verzoekende partij niet zal kunnen weigeren”.
In haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag stelt ze dat zij haar wettigheidskritiek handhaaft en voegt nog toe dat haar kritiek geen loutere beleidskritiek betreft. Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel zijn wel degelijk geschonden aangezien er geen rechtvaardiging is om de verzoekende partij nadeliger te behandelen in het licht van de door de regelgever nagestreefde doelstelling.
B.3. Beoordeling van de tweede connexe voorwaarde
17. Vooreerst merkt de Raad van State op dat de door de verzoekende partij in haar enige middel (eerste en tweede middelonderdeel)
XIV-38.740-12/18
aangevoerde ongelijkheid verband houdt met de vraag hoe het gemiddelde aantal werknemers in voltijdsequivalenten als bedoeld in artikel 6 van het besluit van 15 april 2021 moet worden berekend.
Artikel 6 van het besluit van 15 april 2021 bepaalt:
“Het aantal voltijdsequivalenten bedoeld in de artikelen 10, 12 en 14, wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal werknemers in voltijdsequivalenten in de sociale balans van de begunstigde afgesloten op 31 december 2019 of een eerdere datum in 2019, bekendgemaakt bij de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wettelijke verplichtingen.
Voor de begunstigden die niet verplicht zijn hun sociale balans bekend te maken, wordt het aantal voltijdsequivalenten bepaald op basis van een door een sociaal secretariaat afgegeven attest waaruit het gemiddelde aantal werknemers in voltijdsequivalenten voor het jaar 2019 blijkt.”
Uit artikel 14 van datzelfde besluit vloeit voort dat voor de betrokken begunstigde de steun 16.500 euro bedraagt wanneer het aantal voltijdsequivalenten “van 5 tot minder dan 10” bedraagt en een premie van 54.000
euro wordt toegekend indien dat aantal voltijdsequivalenten “10 of meer” bedraagt.
Voorts wordt eraan herinnerd dat de repliek van de verzoekende partij zoals die is weergegeven in het tussenarrest nr. 259.165 van 19 maart 2024, wat de exceptie van rechtsmacht betreft, althans in de mate deze repliek op de tweede connexe voorwaarde kan worden betrokken, in essentie inhoudt dat “de in het geding zijnde reglementaire bepalingen minstens zo zouden moeten worden gelezen/toegepast door de verwerende partij dat de verzoekende partij niet wordt uitgesloten van het verkrijgen van een premie van 54.000 euro enkel omdat zij gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid van een verlengd boekjaar (op een ogenblik voorafgaand aan de totstandkoming van de regelgeving). De verzoekende partij meent onder meer dat daardoor het gelijkheidsbeginsel zou worden geschonden. Indien zulks zou worden vastgesteld waardoor de verzoekende partij kan aanspraak maken op de premie, betekent dit volgens haar niet dat er sprake is van een geschil over subjectieve rechten.”.
18. Wat het eerste onderdeel van het enige middel betreft, merkt de Raad van State op dat de verzoekende partij de door haar aangevoerde
XIV-38.740-13/18
on(grond)wettigheid niet alleen op de bestreden beslissing betrekt doch ook op de artikelen 6 en 14 van het reglementair besluit van 15 april 2021 waarop de bestreden beslissing is gesteund. Zij beoogt met het eerste middelonderdeel een (volgens haar) grondwetsconforme interpretatie én toepassing van die reglementaire bepalingen te verkrijgen waardoor zij aanspraak kan maken – wat meteen het door de verzoekende partij beoogde voordeel en haar belang is bij het voorliggende beroep – op een premie van 54.000 euro en niet slechts op een van 16.500 euro.
Overigens laat de verzoekende partij door de vernietiging van de bestreden beslissing na te streven “in de mate dat slechts een COVID-19 premie wordt toegekend van 16.500,00 euro in plaats van 54.000,00 euro dan wel de impliciete weigering van het toekennen van een COVID-19-premie van 54.000,00
euro”, er geen twijfel over bestaan dat zij wel degelijk de vaststelling van haar recht op een premie van 54.000 euro beoogt te verkrijgen.
Aldus geconstrueerd, is het annulatiemiddel afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die een verplichting (om aan de verzoekende partij een premie van 54.000 euro toe te kennen) in het leven roept en die het geschil inhoudelijk bepaalt. De verzoekende partij verwijt de verwerende partij een schending van de genoemde artikelen 6 en 14 – zijnde de regels van materieel recht welke te dezen de juridische verplichting in het leven roepen –
doordat de verwerende partij weigert deze bepalingen op een – volgens de verzoekende partij – grondwetsconforme wijze te lezen en toe te passen waartoe de verwerende partij nochtans verplicht is. Mochten de kwestieuze bepalingen daarentegen wel op een grondwetsconforme manier worden gelezen – zodat het benutten van een verlengd boekjaar niet wordt uitgesloten – ligt geen ongelijke behandeling voor en dan had zij aanspraak kunnen maken op de gevraagde 54.000
euro premie (in plaats van de toegekende 16.500 euro).
De ingeroepen schending van de artikelen 6 en 14 van het besluit van 15 april 2021 kan uiteraard niet worden losgezien van de ingeroepen
XIV-38.740-14/18
schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, zijnde een regel van materieel recht die het geschil mede inhoudelijk bepaalt.
Aldus opgevat, komt het enige middel (eerste middelonderdeel)
onmiskenbaar neer op een betwisting over de juiste toepassing van de (materiële)
rechtsregel(s) welke de welbepaalde juridische verplichting (en het ermee onlosmakelijk verbonden subjectief recht) in het leven roepen en het geschil inhoudelijk bepalen, waarvoor de Raad van State evenwel geen rechtsmacht heeft.
19. Met het tweede middelonderdeel van het enige middel vraagt de verzoekende partij om – in de mate de artikelen 6 en 14 van het besluit van 15 april 2021 alsnog moeten worden geïnterpreteerd in de betekenis en draagwijdte die de verwerende partij eraan geeft en er geen grondwetsconforme interpretatie aan kan worden gegeven – deze reglementaire bepalingen buiten toepassing te laten omwille van hun onverenigbaarheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
Zij beoogt hiermee dat haar – na het buiten toepassing laten van die bepalingen in zoverre deze een ongerechtvaardigd onderscheid invoeren en, aldus, de gelijkheid schenden – alsnog een premie van 54.000 euro wordt toegekend in plaats van een van 16.500 euro.
Daarover laat haar uiteenzetting weerom geen twijfel bestaan.
Die bepalingen moeten, zo stelt de verzoekende partij, “buiten toepassing worden gelaten in zoverre ze zouden verhinderen dat in concreto wordt gekeken naar de sociale balans voor het boekjaar 2019 in het uitzonderlijke geval dat gebruik wordt gemaakt van een verlengd boekjaar”. Zij herhaalt dat in de interpretatie die de verwerende partij eraan geeft, die bepalingen onterecht uitsluiten dat de verzoekende partij aanspraak kan maken op een premie van 54.000 euro enkel omdat zij gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid van een verlengd boekjaar terwijl uit de sociale balans van het verlengde boekjaar zonder enige twijfel blijkt dat zij wat het jaar 2019 betreft meer dan 10 voltijdse equivalenten aan personeel heeft tewerkgesteld. Er valt volgens haar dan ook niet
XIV-38.740-15/18
in te zien waarom zij de daarmee corresponderende premie niet zou kunnen toegekend krijgen.
Aldus betoogt zij opnieuw dat haar een premie van 54.000 euro moet worden toegekend, wat meteen het voordeel is dat de verzoekende partij beoogt te verkrijgen. De vraag of deze voorschriften (in de door de verzoekende partij aangegeven mate) buiten toepassing moeten worden gelaten, zou de Raad van State er weerom toe verplichten rechtstreeks uitspraak te doen over de rechtsregels die het subjectief recht en de gebonden bevoegdheid vestigen en aldus over het bestaan en de draagwijdte van het in het geding zijnde subjectief recht, waartoe hij geen rechtsmacht heeft.
Besluit
20. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep betreft bijgevolg een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid en 145, van de Grondwet zonder rechtsmacht is.
Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Of de verwerende partij van oordeel mocht zijn dat, in acht genomen het aantal werknemers, enkel 16.500 euro premie kon worden toegekend, zij rechtens en feitelijk de juiste vaststellingen heeft gedaan en de toepasselijke voorschriften (al dan niet grondwetsconform) correct heeft geïnterpreteerd en toegepast, staat ter beoordeling van de bevoegde justitiële rechter, evenals de vraag of door die toepassing gebeurlijk een schending voorligt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, het verbod van discriminatie alsook de vraag of de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van on(grond)wettige reglementaire voorschriften.
21. In het licht van het voorgaande dient te worden besloten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om het vernietigingsberoep te behandelen.
XIV-38.740-16/18
De exceptie is gegrond.
V. Kosten
22. De verzoekende partij stelt dat het weinig ernstig is van de verwerende partij om de verzoekende partij te wijzen op de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, maar wanneer er daadwerkelijk gebruik van wordt gemaakt, de rechtsmacht van de Raad van State te betwisten. Zij stelt door die werkwijze minstens te zijn misleid en verzoekt om die reden de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de rechtsplegingsvergoeding in elk geval ten laste te leggen van de verwerende partij.
23. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien die in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
XIV-38.740-17/18
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-38.740-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.355

Gerelateerde publicatie(s)

voorafgegaan door:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.165

citeert:

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10

 

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11

 

ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10

 

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6

 

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6

 

ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8

 

ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9

 

ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9

 

ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8

 

ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8

 

ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.355

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.